Mijn eerwaarde en teer beminde man,
Vindplaats: HCA 30/750
In december 1779 schrijft Hendrikie ten Broek een brief aan haar man Christiaan de Cerff, stuurman in dienst van de VOC. Hendrikie woont in Amsterdam en is nog niet zo lang (sinds augustus 1778) met Christiaan getrouwd. Uit haar brief blijkt dat zij nogal wat tegenspoed hadden in hun eerste huwelijksjaar en nu is het weer mis. Het schip van Christiaan is nog niet vertrokken; de Batavia ligt nog op de rede van Hellevoetsluis. Hendrikie betreurt dit, want het betekent dat Christiaan nog langer van huis zal zijn. Zij ziet liever dat hij aan wal de kost zou verdienen. Hopelijk brengt het aanstaande nieuwe jaar hen wat meer geluk, als God het wil, zo schrijft Hendrikie.
Na deze verzuchting schrijft ze een gedicht waarin zij haar man een gelukkig nieuwjaar wenst:
"Nu wen[s]ch ik mijn lieve man in dit n[ie]uwe jaar veel heijl en seege
En al wat hier op aart van God kan sijn verkreege.
Leert hem recht kenne nu in uwe jonge teijd.
Legt hem u herte voor en weest in hem verblijt".
Hendrikie vervolgt haar nieuwjaarswens zelfs nog met een lang liefdesgedicht, waarin zij de lof zingt op de huwelijkse trouw. Wellicht heeft Hendrikie haar nieuwjaarswens en/of dit liefdesgedicht ontleend aan een brievenboekje; mijn zoektocht in enkele brievenboekjes heeft nog geen letterlijke overeenkomsten opgeleverd. Uiteraard is het ook mogelijk dat een andere bron als inspiratie heeft gediend. Of misschien heeft Hendrikie haar gedicht zelf verzonnen. Haar brief maakt intussen wel duidelijk dat het vaak niet meeviel om zeemansvrouw te zijn, maar ondanks alles – ‘midde[n] in de vruegt en midde[n] in de pijn’ – zal Hendrikie haar man tot de dood getrouw zijn.
Transcriptie en toelichting: Tanja Simons
Bron (voor complete toelichting): Sailing Letters Journaal 1