Naar de navigatie

Nationaal Archief

Brief van Curaçao, 22 januari 1783

Waarde en zeer geliefde ouders...

Vindplaats: HCA 32/790

In december 1780 verklaren de Engelsen de oorlog aan de Republiek vanwege onze houding in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog. Het leidt tot het verlies van diverse Nederlandse overzeese gebiedsdelen in Azië en in de West. Curaçao en Suriname blijven in Nederlandse handen.
Op de dag van de oorlogsverklaring (20 december 1780) besluiten de gezagvoerders Rietveld en Cras met hun marineschepen Nassau en Nassau Weilburg naar Curaçao te varen. Ze willen meewerken aan de verdediging van het belangrijke eiland. Eenmaal aangekomen brengen ze samen met de bemanning van andere schepen de zeekant van de haven in staat van verdediging. Met een ketting wordt de haventoegang afgesloten. Door het bestuur van het eiland worden alle aanwezige niet-marineschepen in beslag genomen. Schepen die daartoe bruikbaar worden geacht, rust men uit voor de oorlog. De marineschepen bewaken de meest bedreigde plekken. 

Eén van de schepen op de rede van Curaçao is het fregat Zephier. Vanaf het schip schrijft J.B. Durleu op 22 januari 1783 een brief aan zijn ouders in Groningen. Durleu becommentarieert enkele gebeurtenissen aan boord. De zeedienst is volgens Durleu meer een slavenbedrijf dan de landdienst. Het leven aan boord is hard. Er wordt veel gestolen en hij vraagt zich af hoe het desondanks toch nog mogelijk is dat een schip goed en wel uit kan varen. Vooral over het voedsel schrijft hij erg negatief. Het brood is hard en slecht en uit de ketel van de kok kan nog wel eens wat ongedierte tevoorschijn komen. Op schepen in tropische wateren komen regelmatig kakkerlakken, schorpioenen, wormen, duizendpoten en ratten voor. Maar ze zijn niet gevaarlijk en geven niet veel hinder. Opvarenden worden hooguit door ratten uit hun slaap gehouden en kakkerlakken moeten uit kledingkisten verjaagd worden. De steek van de schorpioen kan pijnlijk zijn en daarom worden de kooien iedere morgen gelucht en gecontroleerd op hun aanwezigheid. 

Vlak nadat Durleu zijn brief heeft geschreven, komt op 28 januari een vloot van enkele tientallen schepen aan bij het eiland. De schepen hebben gebrek aan water en moeten worden gerepareerd. Er heerst echter grote droogte op Curaçao, zodat er vrijwel geen water en andere verversingen zijn te krijgen. Ook is er bijna geen hout op het eiland beschikbaar om de schepen te herstellen. De brief van Durleu, die wordt meegegeven met de Nieuwe Vriendschap van kapitein Bernardus Knuttel met bestemming Emden, komt nooit in Groningen aan. Het schip wordt door de Engelsen gekaapt en zo belandt de brief uiteindelijk in The National Archives in Kew.

Toelichting en transcriptie: Ron Brand
Bron (voor complete toelichting): Sailing Letters Journaal 2