Naar de navigatie

Nationaal Archief

Brief uit Suriname, 13 februari 1795

Aan u WelEdele Heeren...

Vindplaats: HCA 30/376       

In 1665 breekt de Tweede Engelse zeeoorlog uit. Twee jaar later verovert de Zeeuwse Commandeur Abraham Crijnssen een Engelse kolonie aan de Suriname-rivier.
De Nederlanders zijn in Suriname en het duurt tot 1975 voordat het land echt zelfstandig wordt. 

De Zeeuwse Staten verkopen het veroverde land aan de Tweede West-Indische Compagnie. Omdat het niet genoeg oplevert verkoopt die het in 1683 aan ‘de Geoctrooyeerde Sociëteit van Suriname’. Deze particuliere onderneming gebruikt Suriname om er plantages te vestigen. Ondernemers kopen grond van de Sociëteit die ze vervolgens in cultuur brengen. Slaven verrichten er het zware werk. Tussen 1680 en 1780 nam het aantal plantages van 200 tot 591 toe en het aantal slaven van 2.800 tot 53.000. De in het midden van de 18e eeuw bereikte omvang van de slavenmacht zou min of meer constant blijven tot aan het begin van de 19e eeuw.
In 1763 ontstaat er een grote financiële crisis. Veel plantages moeten door hun eigenaren worden verkocht. Investeringsmaatschappijen in Amsterdam kopen ze op en benoemen administrateurs om hun zaken in Suriname te regelen. De administrateurs sturen regelmatig verslagen en rapporten over hun werkzaamheden naar de nieuwe eigenaars.

Administrateur Knuvel schrijft aan zijn Amsterdamse opdrachtgevers over de situatie in Suriname. Door de oorlogsomstandigheden komen niet alle schepen aan. Gelukkig is er geen tekort aan levensmiddelen, danzij de Amerikaanse schepen die de kolonie bevoorraden. Hij hoopt op een spoedige vrede zodat hij door kan gaan met zijn werk op de plantage. De slaven die hij samen met een andere plantage kocht waren ziek en sommige van hen zijn gestorven.

Transcriptie en toelichting: Dirk Tang