Aen den eersamen cornelis leijnsen ...
Vindplaats: HCA 30/644
In de 17e eeuw werd bij de maritieme oorlogsvoering veel gebruikgemaakt van particuliere Kaapvaarders. Deze Kaapvaarders rustten met toestemming van de overheid een oorlogsschip uit en veroverden daarmee schepen van de tegenstander. Hiermee was goed geld te verdienen, omdat na de verkoop van de buit een groot gedeelte van de opbrengst aan de bemanning werd uitgekeerd. Toen de situatie tussen twee landen dreigender werd, namen de gevaren die de kaapvaart met zich mee bracht toe. De familie thuis was vaak beter op de hoogte van de politieke ontwikkelingen dan de bemanning van de schepen op zee, die al geruime tijd onderweg waren.
Kort voor het uitbreken van de Tweede Engelse oorlog smeekt Jan Leijnsen uit Vlissingen zijn broer terug te komen naar Zeeland. Zijn broer Cornelis bevindt zich op dat moment als stuurman op een kaapvaarder in de Caraïbische Zee, waar een schip met een suikerlading is buitgemaakt. Hij staat op het punt te vertrekken naar de westkust van Afrika, in een tijd waarin de spanningen tussen de Engelsen en de Republiek hoog oplopen. Zijn moeder staat duizend angsten uit, want er doen zich de verschrikkelijkste verhalen de ronde over de gevaren die er heersen voor de kust van Angola. Jan besluit zijn broer een brief te schrijven.
Foto, transcriptie en toelichting: Monique Klarenbeek