|
Haarlem, een mooie herfstdag, 20 september 1839. Veel volk is samengestroomd bij een klein, onaanzienlijk houten gebouwtje aan de oostkant van het Spaarne, het voorlopige station van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM). Het is eigenlijk niet meer dan een wat opgetutte houten rijtuigbergplaats annex primitieve werkplaats, maar het dient vandaag een hoger doel: de ontvangst van de eerste feestelijke stoomtrein uit Amsterdam. De muziek van de schutterij blaast er vrolijk op los en de stemming zit er goed in als eindelijk, puffend en rokend, die eerste trein in zicht komt. Getrokken door de pas een paar weken tevoren uit Engeland gearriveerde locomotieven De Arend en De Snelheid rolt een rij van een stuk of negen rijtuigen het station van Haarlem binnen. Daar worden de genodigden, landelijke burgerlijke en militaire autoriteiten, Amsterdamse en Haarlemse dignitarissen, met de directie van de HSM, onthaald op eindeloze toespraken en een copieuze en welbesproeide maaltijd. Het tijdperk van de stoomspoorweg, die al snel de economische en sociale toestand ingrijpend zou veranderen, was die dag ook in Nederland begonnen.
 Het huidige NS station in Haarlem. Het tweede station van Haarlem
Van meet af aan was het de bedoeling de lijn door te trekken naar Leiden en Rotterdam. Ir. Frederik W. Conrad jr. ontwierp een grote gietijzeren draaibrug over het Spaarne waarmee de spoorlijn in een boog ten noorden en ten westen van de Haarlemse binnenstad naar Heemstede en verder naar Leiden werd geleid. Alleen kostte het de nodige moeite om de Haarlemse vroede vaderen zover te krijgen dat zij daarmee akkoord gingen. Maar zodra de doortrekking van de lijn door de Haarlemse Nieuwstad - het nooit helemaal volgebouwde deel van de zeventiende-eeuwse stadsuitleg - was vastgesteld, moest er een echt station komen dat de oude houten keet zou vervangen. In 1841 ontwierp Conrad hiervoor een symmetrisch, langgerekt neoclassisistisch gebouw. In het hogere middendeel, recht tegenover de ingang, was het kantoor voor de afgifte van 'plaatsbriefjes' gevestigd, met in de lagere zijvleugels rechts een wachtkamer voor de reizigers in de eerste en tweede klasse (de diligence en char à bancs) en een kleinere aparte ruimte voor 'dames'. Aan de andere kant was de wachtruimte voor het gewone volk, de derde klasse (waggons), maar voor 'vrouwen' was daar geen aparte kamer. De rest van het gebouw diende als woning voor de stationschef en als goederenkantoor. Een lange marquise op dubbele zuilen beschermde de reizigers op het perron tegen de regen. Al met al een aardig imposant gebouw, maar niet zo groots als Amsterdam-Willemspoort (1842) of Rotterdam-Delftsche Poort (1848).
Het derde en definitieve station van Haarlem
De HSM was in de jaren 1880 en 1890 onder de bezielende leiding van A.K.P.F.R. van Hasselt gestart met een grote moderniseringsoperatie. Hij wilde van de HSM een moderne, internationaal georiënteerde spoorweg maken, en daar hoorden nieuwe stations in de algemeen gangbare Europese stijl ook bij. Amsterdam CS, overigens door het Rijk gebouwd, was daar een prachtig voorbeeld van, maar ook andere, eigen HSM-stations waren duidelijk aan vervanging toe. Nieuwbouw was dus nodig, en stations aan de stamlijn, zoals Delft, Schiedam en Leiden, kwamen zo aan de beurt.
Haarlem was de laatste, na lange onderhandelingen met het stadsbestuur over de verdeling van de kosten. De spoorwegmaatschappij wilde een nieuw en groter station, meer in stijl met de andere stations langs de lijn. De stad Haarlem wilde verlost worden van de twee overwegen die steeds vaker en langer gesloten waren voor het toenemende wegverkeer. Het werd een grote operatie, want terwijl het hele emplacement en de toeleidende sporen opgehoogd werden, moest het spoorwegverkeer gewoon doorgaan. Ook de oude lage draaibrug over het Spaarne moest verdwijnen en werd vervangen door een hogere driesporige brug. Op het verhoogde en zeer brede middenperron kwamen alle publieksruimten, zoals wachtkamers en restauraties voor de verschillende klassen. Het imposante voorgebouw aan het Stationsplein, met daarin onder meer het plaatskaartenkantoor, kwam iets later gereed.
Art-nouveaustijl
D.A.N. Margadant, hoofd van de Bouwkundige afdeling van Weg & Werken van de HSM en daarmee de huisarchitect van deHSM, ontwierp alles in art-nouveaustijl - vrij uniek in Nederland, en mooi uitgewerkt - met veel geglazuurde baksteen en donker gevernist houtwerk. Invloed van de toen naam makende architect Berlage is ook te bespeuren. Behalve een groot en hoog seinhuis onder de kap verrees aan het einde van het perron nog een kleiner gebouwtje met dienstruimten en een wachtruimte voor 'krankzinnigen'. De psychiatrische inrichting Meerenberg bij Santpoort was immers vlakbij! Er werden talrijke tegeltableaus aangebracht ter versiering en ter oriëntatie van de reiziger, gedeeltelijk ontworpen door Margadant zelf en verder door E. Cuypers en J. van den Bosch; ze werden uitgevoerd door fabrieken als Rozenburg in Den Haag en de Plateel- en Aardewerkfabriek Holland te Utrecht. Veel houtsnijwerk in de wachtkamers en restauratie sierde wanden en plafonds; er werd blijkbaar niet op een gulden meer of minder gekeken, waardoor de directie van de HSM zich tijdens de bouw wel zorgen maakte over de almaar stijgende kosten. Alleen al de gebouwen kostten bij elkaar bijna 1,5 miljoen gulden, en daar kwamen dan nog de kosten bij voor het omvangrijke grondwerk en de drie luchtige stationskappen die alle sporen en perrons overdekten. Een machinekamer voor de centrale verwarming en de elektrische verlichting, met een hoge gemetselde en versierde schoorsteen, flankeerde het voorgebouw. De beide onderdoorgangen in de Jansweg en Kruisweg werden door de stad betaald.
Zo kreeg Haarlem in 1908 zijn prachtige station, dat na een grote schilder- en schoonmaakbeurt in de jaren negentig, waarbij ook de tegeltableaus weer zichtbaar werden gemaakt, in alle glorie dienstdoet, hopelijk tot in lengte van jaren.
 Het tweede NS station in Haarlem. Bron
Deze informatie is gebaseerd op het boek Plaatsen van herinnering. Nederland in de twintigste eeuw onder redactie van prof. dr. H.W. van den Doel (Amsterdam 2005). In dit boek is meer informatie over deze gebeurtenis te vinden.
Het oorspronkelijke artikel is geschreven door Guus Veenendaal.
terug naar resultaat opnieuw bladeren
|