Het journaal van Abel TasmanDe zoektocht naar het Zuidland in de jaren 1642-1643Al vroeg in de zestiende eeuw leefde het idee dat zich ergens op het zuidelijk halfrond een groot vasteland, Terra incognita Australis, moest bevinden. Toen schipper Willem Jansz. in 1606 de kust van een nog onbekend continent ontdekte, vroeg men zich vanzelfsprekend af of dit nu het legendarische, onbekende Zuidland was. De Verenigde Oost-Indische Compagnie stuurde in 1642 commandeur Abel Tasman met twee schepen op een ontdekkingreis om dat te onderzoeken.
De expeditie moest de kusten van het bekende Zuidland in kaart brengen, zoeken naar het onbekende Zuidland en een veilige zeeweg naar Zuid-Amerika openleggen. Tasman kreeg voor de tocht twee schepen toegewezen, het jacht Heemskerck en de fluit Zeehaen, bemand met 110 koppen. De ontdekkingsreis begon op 8 oktober 1642, op de rede van Mauritius. Drie weken lang hield Tasman een zuidelijke koers aan om dan naar het oosten af te buigen. Op 24 november zagen ze hoge bergen opdoemen. Ze noemden het nieuwe land “Anthoonij van Diemens landt”, ter ere van de gouverneur-generaal “die ons heeft uijtgezonden om deze ontdeckinge te doen”. Wij kennen het nu als Tasmanië. Op 2 december ging een groepje soldaten aan land, maar het kreeg geen contact met de plaatselijke bevolking en de schepen voeren weer verder. Nieuw-Zeeland Dan zagen zij op 13 december 1642 “een groot hooch verheven landt”: de expeditie had Nieuw-Zeeland ontdekt. Enkele dagen later zagen ze op verschillende plaatsen rook opstijgen “alwaer van d’Inwoonderen vier gemaeckt wiert”. De beide schepen gingen voor anker. Aan land waren overal vuren en twee prauwen met inboorlingen voeren naar de schepen. Ze riepen de Nederlanders toe “met een groove helle stemme doch conden daer van in ’t minste niet verstaen”. Op 19 december kwam er weer een bootje met inboorlingen aanvaren. Tasman beschrijft ze in zijn journaal: “van gemeene langhte maer groff van stemme ende gebeente, hun coleur tusschen bruijn ende geel, hadden zwart hair recht boven opde cruijne des hoofts vast gebonden in manieren ende fatzoene als de Japannen achter aen ’t hooft doch wel soo langh ende dijck van haire; waerop een groote dijcke witte veder stont”. Hij beschrijft ook hun bootje: “twee lange smalle praeuwen aenden ander, waer over eenige plancken ofte ander sittuijch geleijdt was, zulcx dat men boven water onder ’t vaertuijch door sien can hunne pangaijen”. Moordenaarsbaai Het bootje voer weer richting kust. Er werd besloten dichter naar de kust te varen want daar was een goede ankerplaats en de bevolking leek vriendschap te zoeken. Toen kwamen wel zeven bootjes met inboorlingen dichterbij. De schipper van de Zeehaan stuurde zijn kwartiermeester met zes anderen in een bootje terug naar zijn schip om de bemanning te waarschuwen. Plotseling werd het bootje echter door de maori’s aangevallen. Kwartiermeester Cornelis Joppen werd verschillende keren in zijn nek gestoken en viel overboord. De anderen werden met knuppels en pagaaien aangevallen. Drie zeelieden waren meteen dood, een vierde werd dodelijk gewond. De kwartiermeester en de twee andere matrozen zwommen naar de Heemskerk en konden levend de snel uitgezette sloep bereiken. Vanaf beide schepen werd nu met geweren en kanonnen op de inboorlingen geschoten. De schepen lichtten vervolgens het anker “alzoo niet conden oordelen hier eenige vruntschap met dit volcq te maecken, noch water off ververzinge te becoomen zoude sijn”. Even later werden ze aangevallen door elf prauwen vol maori’s, maar deze aanval wisten ze gemakkelijk af te slaan. De scheepsraad werd bijeen geroepen en deze besloot “dese Moordenaersplaetse” de naam Moordenaarsbaai te geven. De tegenwoordige naam is Golden Bay. Het nieuw ontdekte land kreeg de naam Statenland, ter ere van de Staten-Generaal in Nederland en omdat vermoed werd dat het vastzat aan het eerder bij Kaap Hoorn ontdekte Statenland. Vers water en proviant De reis werd voortgezet in noordoostelijke richting en de expeditie kreeg dagenlang met slecht weer te kampen. De schepen voeren door langs de kust en begin januari 1643 bereikten ze de noordelijke punt van Nieuw-Zeeland die de naam Cabo Maria van Diemen kreeg. Op een eiland waar ze water wilden halen, zagen zij “ontrent 30 a 35 persoonen, mensche, van lange statuere, voor soo veel van verde conde sien, met stocke ofte knodzen welcke met groove luijde stemme hun toe riepen”. Op 8 januari 1643 noteert Tasman in zijn journaal: “dit vaerwater van Batavia nae Chijlij, dat is een gladt vaerwater, soo dat niet inde wech is om dit vaerwater te bevaren”. Elf dagen later, op 19 januari, zagen ze een eiland dat de naam Pijlstaertseiland kreeg omdat er veel pijlstaarten nestelden. Wij kennen het als Ata, een van de eilanden van de Tonga Archipel. De volgende dag ontdekten ze twee andere eilanden en op 21 januari gingen ze voor anker bij het meest noordelijke van de twee. Dit kreeg de naam Amsterdam (nu Tongataboe) “ter oorzaecke d’overvloet van verversinge die aldaer bequamen” en het andere eiland noemden ze Middelburch (nu Eoewa of Eua). ’s Middags kwam een prauwtje met drie inboorlingen aan boord aanvaren. Tasman beschrijft ze als volgt: “zij lieden waren naeckt, van bruijne coluer ende wat meer als gemeene langhte, de twee hadden lanck dijck hair op ’t hooft, den derden was cort geschoren hadden niet anders als een cleijn olijck cleetien voor haer mannelijckheijt”. Langs het strand zagen ze heel veel mensen waarvan sommige met witte vaantjes, wat de Nederlanders als een vredesteken beschouwden. Een andere prauw met inboorlingen voer langszij en de eerste inboorlingen kwamen aan boord. Later volgden er meer en er werden geschenken uitgewisseld. Op 22 en 23 januari gingen de Nederlanders aan land om levensmiddelen en vers water in te slaan, zodat ze uiteindelijk “omtrent 100 stucx varckens, 150 hoenders ende tamelijcke quantiteijt clappus, oubis ende andere ffruijten voor beijde scheepen becomen hebben”. Ze bezochten de koning en vereerden hem met een witte vlag “in teecken van vreede”. In het journaal wordt vermeld dat de rede waar de Zeehaan en Heemskerk ankerden, de naam Van Diemens rede kreeg, ter ere van gouverneur-generaal Anthonie van Diemen. De baai waar de koning woonde heette voortaan Maria-baai, naar Maria van Diemen, de vrouw van de gouverneur-generaal. In het scheepsjournaal is van deze baai een tekening afgebeeld. Naar Batavia Op 24 januari voeren ze verder en ontdekten de noordelijke eilanden van de Tonga Archipel. Via de Fiji Archipel, de Salomonseilanden, de noordkant van Nieuw-Guinea en de Molukken bereikten de Zeehaan en Heemskerk op 15 juni 1643 behouden Batavia. Tasman tekende als laatste in zijn journaal op: “Godt zij geloft ende gedanckt voor behouden reijse Amen”. |