Inleiding

Verantwoording

Literatuur

Dankwoord

 

 
Homepage Introductie Raadplegen van de database Achtergrondinformatie E-mail
 
 

Inleiding

Emancipatie van de slaven

De eerste tekenen van verandering in de positie van de slaven in Suriname deden zich voor in de periode van het Engels Bestuur (1804-1814). Terwijl in Nederland op dat moment de slavernij nog nauwelijks ter discussie stond, was er in Engeland al aan het eind van de 18e eeuw een beweging van abolitionisten op gang gekomen. Deze Engelse anti-slavernijbeweging behaalde in 1808 een belangrijk succes, toen het parlement instemde met een verbod op de slavenhandel in het hele Engelse koloniale rijk, waaronder Suriname. Ook na 1814, toen Suriname na een vrede tussen Frankrijk en Engeland, weer in Nederlandse handen was gekomen werd dit verbod door koning Willem I gecontinueerd. De Engelsen hadden dit verbod laten opnemen in de overdracht van Suriname. Hierbij speelden voor de Engelsen niet alleen ideële motieven een rol; de angst voor oneerlijke concurrentie was minstens zo belangrijk.


Gezicht op de reede van Paramaribo, circa 1860

naar boven

In 1818, vier jaar na de overdracht van Suriname, werd in Paramaribo een gemengd Engels–Nederlands gerechtshof gevestigd, met als speciale taak de smokkel van slaven tegen te gaan. In de 27 jaar dat dit hof zou bestaan zou het echter slechts éénmaal tot actie overgaan. (Afrikaanse) slaven die in 1818 al binnen het Amerikaans continent aanwezig waren vielen niet onder de beperkingen, waardoor de aanvoer van slaven in Suriname mogelijk bleef. Door de grote behoefte aan arbeidskrachten op de plantages was het koloniaal bestuur er aanvankelijk weinig aan gelegen om aan deze aanvoer een eind te maken. Pas in 1826 kwam er een eind aan deze toevoer toen gouverneur De Veer een betere registratie van de slaven door de plantagehouders afdwong. Het hoge sterftecijfer onder de slaven leidde echter tot een tekort aan arbeidskrachten. Hierop veranderde het beleid van de Nederlandse regering. Het welzijn van de slaaf nam nu een centrale positie in. Betere leef- en werkomstandigheden voor de slaven konden de voortplanting verbeteren en het sterftecijfer doen afnemen. Deze beleidspunten werden vastgelegd in het regeringsreglement van 1828. Een aantal beleidspunten ondervond grote kritiek bij de plantagehouders. Vooral het verbod om slaven zonder toestemming te verplaatsen naar andere plantages stuitte op hun bezwaar, daar dit economische schade kon berokkenen. De regering zwichtte al snel onder deze druk, en in het regeringsreglement van 1832 was er veel meer vrijheid van handelen voor de slavenhouder.

naar boven

Toen in 1833 de emancipatie in alle Engelse koloniën (waaronder het aan Suriname gelegen Brits Guyana) plaatsvond, ontstond bij de Surinaamse planters angst voor slavenopstanden. De Nederlandse overheid zond hierop 200 manschappen naar Suriname. Het koloniaal bestuur had onmiddellijk na de Engelse emancipatie contact tussen Nickerie en Berbice verboden. Op de rivier Corrantijn werd bovendien een schip gestationeerd om het vluchten van slaven te voorkomen. Na de emancipatie bleven de Engelsen er bij de Nederlandse autoriteiten sterk op aandringen om over te gaan op emancipatie. Naast een interne druk van de Engelse abolitionisten was opnieuw de angst voor oneerlijke concurrentie bij de Engelsen groot. Engelse leden van het gemengde gerechtshof bemoeiden zich nadrukkelijk met de positie van de slaven. Deze bemoeienis riep uiteraard weerstand op bij de Nederlandse planters, waarop de Engelsen in 1845 het gerechtshof verlieten. Uit vrees dat een wijziging in de statusquo zou leiden tot onlusten had de Nederlandse regering na de Engelse emancipatie geen nieuwe regels voor betere behandeling van de slaven doorgevoerd.

naar boven

De Franse emancipatie in 1848 maakte Minister van Koloniën J.C. Rijk duidelijk dat een Nederlandse emancipatie onafwendbaar was. Door de Franse vrijverklaring was het gevaar van weglopende slaven en slavenopstanden opnieuw toegenomen. In emancipatie zag Rijk de enige mogelijkheid om Suriname als landbouwkolonie te behouden. Toen slavenopstanden echter uitbleven werd Rijks initiatief tot emancipatie weer terzijde geschoven. Door een tweetal ontwikkelingen kreeg de emancipatie meer prioriteit. De overheidsfinanciën waren door de toegenomen inkomsten uit Oost-Indië sterk verbeterd, hetgeen een schadeloosstelling van de slaveneigenaren vergemakkelijkte. Tegelijkertijd nam in Nederland de beweging van abolitionisten grotere vormen aan. Publicaties over de slavernij, zoals in 1852 ‘Uncle Tom’s Cabin’ maakte indruk bij het grote publiek. In verschillende steden werden afdelingen opgericht van de ‘Maatschappij van de bevordering van de afschaffing van de slavernij’. In 1853 leidde dit tot de vorming van een Staatscommissie die tot opdracht kreeg een plan voor de vrijmaking van alle slaven te ontwerpen. Toch zou het nog 10 jaar duren voordat de emancipatie een feit was. In deze periode zouden diverse wetsvoorstellen met betrekking tot de emancipatie worden ingediend. De nieuwe status van de vrijverklaarden, en de aanvoer van nieuwe migranten (contractarbeiders) vormden steeds een struikelblok bij het overleg. Uiteindelijk kwam men tot overeenstemming. Op 8 augustus 1862 werd afgekondigd dat op 1 juli 1863 de slavernij in de Nederlandse kolonies in West-Indië zou worden afgeschaft.

 

naar boven

 

 
     
 
| home | introductie | raadplegen database | achtergrondinformatie |
| over deze site | colofon | sitemap | e-mail |

---------- historische database suriname ----------