2.04.30 Inventaris van de archieven van de Opperhoutvesterij, 1814-1856

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Zoekhulpen bij dit archief

Bijlagen

I. De indeling van het Rijk in jachtdistrikten volgens Souverein Besluit van 23 juli 1814, no. 51

  • GELDERLAND
    1. Het voormalig kwartier van de Betuwe, het Rijk van Nijmegen en Maas en Waal.
    2. Het Graafschap Zutphen.
  • NOORD-HOLLAND
    1. Van de grens tussen Zuid en Noord Holland langs de Noordzee met inbegrip van de eilanden, tot Schardam aan de Zuiderzee buiten de Beemster en Schermer om, langs de Zaan tot aan het IJ; voorts langs het IJ tot Haarlemmermeer tot de voornoemde grens.
    2. Langs de Zaan ten oosten van de Schermer en Beemster tot Schardam en van daar, langs de Zuiderzee met inbegrip van het eiland Marken en het IJ tot aan de Zaan; voorts van Halfweg langs het IJ tot Diemerdam, langs de Diem, de Weespervaart, het Gein, de Hoolendrecht, de Amstel en de Drecht tot aan de Haarlemmermeer en verder tot Halfweg.
    3. Van de grens van het tweede distrikt tot de grensen met Utrecht en Zuid-Holland.
  • ZUID-HOLLAND
    1. Van de grens met Noord-Holland langs de Noordzee tot aan de Rijn; langs de Rijn met inbegrip van Leiden tot de grens met Utrecht en Noord-Holland.
    2. Van de Rijn langs de zee tot Hoek van Holland, langs de Maas tot aan de Vijf sluizen, langs de Poldervaart en de Schie tot aan de Doenkade, Zegwaard, Benthuizen, Hazerswoude tot Boskoop, langs de Gouwe tot aan de Rijn, langs Leiden tot aan zee.
    3. Langs de Maas van de Vijf sluizen, de Merwede en de Lek tot de grens met Utrecht; langs de Rijn tot aan de Gouwe.
    4. Van zee langs de Maas met inbegrip van het eiland Rozenburg en de Merwede tot Dordrecht, langs het Hollands Diep tot aan zee, met Overflakkee.
    5. Langs de Lek tot aan de grens met Gelderland; verder tot de Waal, langs Gorinchem, het land van Altena tot de grens met Brabant, buiten Dordrecht om, langs de Merwede tot aan de Lek.
  • ZEELAND
    1. Schouwen en Duiveland, Tholen, Wolphaarsdijk en Zuid Beveland.
    2. Walcheren en Staats Vlaanderen.
  • UTRECHT
    1. Het voormalig kwartier van Utrecht.
    2. Het voormalig kwartier van Amersfoort.
  • FRIESLAND
    1. Oostergo.
    2. Westergo.
    3. Zevenwolde.
  • OVERIJSSEL
    1. Het voormalig kwartier van Salland.
    2. Het voormalig kwartier van Twenthe.
    3. Het voormalig kwartier van Vollenhoven, het hoofdschoutambt van Hasselt en het drostambt van IJsselmuiden.
  • GRONINGEN
    1. Wedde en Westerwolde, Groningen, Gorecht en Oldambt.
    2. Westerkwartier.
    3. Hursingo en Fivelingo.
  • BRABANT
    1. De kantons Bergen op Zoom, Breda, Ginneken, Oosterhout, Oudenbosch, Rozendaal en Zevenbergen.
    2. De kantons 's-Hertogenbosch, Boxtel, Heusden, Oisterwijk, Oss, Tilburg en Waalwijk.
    3. De kantons Asten, Eindhoven, Gemert, Helmont, Hilvarenbeek, Oirschot en st. Oedenrode.
    4. De kantons Boxmeer, Grave en Ravestein.
  • DRENTHE
    • De gehele provincie.

II. Instructie voor de hoofdopzieners der jagt in de noordelijke provincien, volgens K.B. 2 Juli 1818 nr.207

    Art. 1

  • De hoofdopzieners zullen staan onder de onmiddelijke bevelen van onzen Opperhoutvester.

    Art. 2

  • Zij zijn verplicht toe te zien:
    1. dat de reglementen of orders op het stuk der Jagt en Visscherij in alle de distrikten op eenen gelijken voet en met de meeste naauwkeurigheid worden nagekomen.
    2. dat de Opzieners der Jagt naar behoren zich van alle hunne verpligtingen kwijten.

    Art. 3

  • Zij zullen zich ten dien einde moeten reguleren naar de volgende bepalingen; wordende ook daartoe de opzieners der Jagt, mede onder hunne orders gesteld, welke orders echter niet zullen kunnen inlopen tegen die welke door de Houtvesters aan dezelve mogten zijn gegeven.

    Art. 4

  • Zij zullen in alle voorkomende zaken zoo veel mogelijk met de houtvesters de concert te werk gaan; met uitzondering van de uitvoering der orders, welke zij onmiddelijk van den Opperhoutvester zullen ontvangen, waarvan zij echter naar gelang van zaken aan de houtvesters kennis zullen geven.

    Art. 5

  • Zij zullen door Onzen Opperhoutvester in alle de Jagtdistrikten, tot het doen van inspectien, het nemen van informatien of tot andere einden kunnen worden gezonden en buitendien bepaaldelijk in een hoofdarrondissement worden gestationeerd.

    Art. 6

  • Het eerste zal bevatten de Provincien Noordbraband met het 5e distrikt in de Provincie Limburg, het 1e distrikt der Provincie Gelderland en de Provincie Zeeland. Het tweede, - de 2e en 4e Jagtdistrikten der Provincie Gelderland, de Provincien Friesland, Overijssel, Groningen en Drenthe. Het derde, - het 3e Jagtdistrikt der Provincie Gelderland, benevens de Provincien Holland en Utrecht.

    Art. 7

  • Zij zullen telken drie maanden, alle de distrikten in hun arrondissement moeten rondreizen en bij die gelegenheid de Journalen der Opzieners nagaan en viseren, alsmede door het nemen van informatien zich verzekeren, hoedanig het gedrag der Opzieners zij. Bij het bekomen van klagten, daarop dadelijk het nodige onderzoek doen en naar bevinding van zaken aan Onzen Opperhoutvester eene der correctien voordragen, vastgesteld bij art. 9 der instructie voor de Opzieners der Jagt, gearresteerd bij ons besluit van den 25e julij 1814 no. 19. Zij zullen bevoegd zijn de Opzieners te suspenderen, mits daarvan dadelijk gemotiveerd der Houtvesters kennisgevende; zullende zij wijders gehouden zijn, daarop de approbatie van Onzen Opperhoutvester te vragen.

    Art. 8

  • Bij de algemeene ronde in het derde en vierde kwartaal, zullen zij speciaal achtgeven en door de Opzieners doen onderzoeken, of alle afgepaalde landen behoorlijk zijn geregistreerd en de afpalingen in behoorlijke orde zijn.

    Art. 9

  • Zij zullen zorg dragen eene volledige kennis te hebben van den staat van het Jagtveld en der Visscherijen, en Onzen Opperhoutvester, telkens rapport doen indien de conservatie van een van beide eenige buitengenome voorzieningen mogt schijnen te vorderen.

    Art. 10

  • Zij zullen ook bijzonder acht geven en onderzoek doen op het schadelijk gedierte en met concurrentie der Houtvesters, doelmatige middelen beramen en den landbouw daarvan hoelangs hoemeer te bevrijden.

    Art. 11

  • Bij het vernemen van klagten, het zij over het gedrag der opzieners, het zij over te overvloedig wild, het zij over veelvuldige stroperijen, of welke redenen ook tot algemeen misnoegen aanleiding zouden kunnen geven, zullen de hoofdopzieners zich bij de plaatselijke autoriteiten vervoegen, en naar gelang der zaak met dezelve of met de Houtvesters middelen van redres concerteren en aan Onzen Opperhoutvester daarvan rapport doen.

    Art. 12

  • Zij zullen zorgdragen eene grondige kennis te bekomen van de soorten der Vischtuigen, welke volgens plaatslijke gewoonten mogen worden gebruikt en binnen zes maanden na hunne aanstelling eene volledige beschrijving van alle dezelve, nevens hunne Consideratien aan Onzen Opperhoutvester aanbieden.

    Art. 13

  • In zoodanige plaatzen en uithoeken, waar het gewone toezicht der Opzieners niet voldoende is, van gedurige stroperijen tegen te gaan, zullen zij gehouden zijn derzelver operatien, voornamelijk ook des nachts, perzoonlijk te besturen; zullende zij tot dat einde zoo veele opzieners, als zij zullen nodig oordeelen, het zij uit hetzelfde of uit andere distrikten bij den anderen kunnen verzamelen.

    Art. 14

  • Zij zullen mede een naauwkeurig toezicht houden op het gedrag der buitengewone en particuliere opzieners, door Onzen Opperhoutvester gecommissioneerd en de intrekking van derzelver Commissien voordragen, wanneer dezelve door pligtverzuim of geheele in activiteit de administratie tot oneer verstreken.

    Art. 15

  • Behalven de generale ronde bij art. 7 vermeld, zullen zij aanhoudend??? het hun aangewezen arrondissement doorkruisen, om zich van de onafgebroken surveillance der opzieners te verzekeren.

    Art. 16

  • Zij zullen de opzieners zooveel mogelijk opleiden om hunne functien, met nauwgezetheid iever en bescheidenheid waar te nemen, en voor zoo verre dezelve het Jagtwezen en het werk der Visscherijen met volledig mogten verstaan, hen de nodige onderrigtingen geven.

    Art. 17

  • Wanneer zij ontwaar worden, dat in twee of meer aan elkanderen grenzende distrikten eene ongelijke behandeling mogt plaats hebben, zullen zij met de Houtvesters van deeze distrikten Concerteren, ten einde de noodige overeenstemming worde daargesteld.

    Art. 18

  • Zij zullen bij hunne rondes ook alle informatien inwinnen, omtrend perzoonen, aan, welke geene permissien zouden behoren verleend te worden.

    Art. 19

  • Zij zullen gehouden zijn, op het verzoek der Houtvesters hen van Onderrigting en Consideratien te dienen.

    Art. 20

  • Indien door hen zelven eenige overtredingen mogten worden ontdekt, zullen zij zich gedragen naar art. 4 der wet van 11 julij 1814.

    Art. 21

  • Zij zullen van alle hunne verrigtingen een verbaal houden, en s'maandelijks een generaal rapport aan Onzen Opperhoutvester inzenden, onverminderd de verpligting om van alle extraordinaire of spoed behoevende zaken dadelijk verslag te doen.

    Art. 22

  • Zij zullen voor traktement, reis en verblijfkosten genieten ieder eene somma van fl. 2.000,-- in het jaar, zonder iets meer onder welke benaming ook, in rekening te mogen brengen, dan veer en tolgelden.

    Art. 23

  • Ten aanzien der briefporten zullen zij eene gelijke vrijheid als de Houtvesters genieten.

    Art. 24

  • Zij zullen het vermogen hebben, de Costuum voor de Houtvesters vastgesteld te dragen, met uitzondering van de epauletten.

    Art. 25

  • Zij zullen in handen van den Gouverneur de Provincie, waarin hunne vaste woonplaats gelegen is, den eed op deeze instructie afleggen.