Geschiedenis van de archiefvormer
Met ingang van 1 maart 1814 werd het bestuur van de wateren en bossen, bekend onder de naam van 31e houtvesterij opgeheven en baron van Heeckeren van de Cloese belast met het toezicht op de jacht en visserij. Bij de wet van 11 juli 1814 (S. 79) werd bepaald, dat het oppertoezicht aan een Opperhoutvester zou worden opgedragen; de verdere regeling van de uitoefening van de jacht en visserij werd geregeld in het Kon. Besl. van 23 juli 1814 no. 51.
De noordelijke provincies en Limburg werden verdeeld in 29 jachtdistricten (zie bijlage I) met aan het hoofd een houtvester; hij correspondeerde gevraagd en ongevraagd met de Opperhoutvester en naast de uitvoering van reglementen en orders in het algemeen, de bevoegdheid had om met personen, bekeurd voor jachtovertredingen transacties af te sluiten, die echter door de Opperhoutvester goedgekeurd dienden te worden.
Onder de bevelen van de houtvester stonden jachtopzieners benoemd door de Opperhoutvester, te onderscheiden in gewone of bezoldigde, buitengewone of onbezoldigde en particuliere opzieners. Laatstgenoemden waren in dienst van bezitters van jachtgerechtigde goederen. Hun benoeming moest door de Opperhoutvester worden goedgekeurd.
Bij Kon. Besl. van 2 juli 1818 no. 207 werden de jachtdistricten gebracht onder drie hoofdarrondissementen (zie bijlage II) met aan het hoofd een hoofdopziener of controleur van de opzieners. Zij zagen toe op de uitvoering van de reglementen betreffende de jacht en visserij, de toestand van het jachtgebied, het schadelijk gedierte. Zij traden hiertoe in overleg met de houtvesters, behalve bij orders die zij van de Opperhoutvester ontvingen.
Er werd een onderscheid gemaakt in publieke, de eigen, gehoorde en heerlijke jacht en de eendekooien, duiventillen en zwanendriften.
De publieke jacht strekte zich uit over gronden en bossen tot 's lands domeinen behorende en alle landerijen van particulieren, voor zover de eigenaars hun jachtrecht daarop niet ter Opperhoutvesterij hadden laten registreren. Bij Kon. Besl. van 5 aug. 1814 no. 23 werden de jachten van het Loo, Soestdijk, Borculo, Bredevoort, Lichtenvoorde, Honsholredijk (Naaldwijk) en de duinen in de provincie Zuid-Holland, voor de Koning gereserveerd.
Het particuliere jachtrecht mocht door de eigenaars van de desbetreffende terreinen zelf worden uitgeoefend of verhuurd. In het laatste geval moest de eigenaar registratie van zijn jachtrecht verzoeken voordat aan de huurder een akte "om in geregistreerde jacht te jagen" werd afgegeven. De heerlijke jachten, bij Kon. Besl. van 8 febr. 1815 no. 42 (staatsblad 1815 no. 11) hersteld, strekten zich uit over alle binnen de kring der heerlijkheid gelegen gronden. Voor uitoefening van dit recht diende men zich in alle opzichten te onderwerpen aan de jachtreglementen, in het bijzonder met betrekking tot de afpaling en de jaarlijkse registratie. De houders van eendekooien, duiventillen en zwanendriften moesten registratie verzoeken, die voor vijf jaar zou gelden.
Het Departement van de Opperhoutvesterij is tot 1842 een zelfstandig orgaan direkt ressorterend onder de Koning. De uitvoering van de wet, "houdende bepalingen op het stuk der Jacht en Visscherij" van 11 juli 1814 (S. 79) werd opgedragen aan de "Secretarissen van Staat voor de Binnenlandse Zaken en voor de Financien, de eerste President van het Hoog-Gerechtshof der Verenigde Nederlanden en de Opperhoutvester" "ieder voor zo veel hem aangaat".
Met ingang van 2 januari 1841 - zie K.B. 17 juli 1841 no. 31 - werd het oppertoezicht van de Opperhoutvesterij beschouwd te behoren tot de compententie van de 10e afdeling van het Departement van Binnenlandse Zaken; de voordrachten en rapporten van de Opperhoutvester aan de Koning dienden aan de Minister te worden gezonden, die ze geviseerd of voorzien van zijn consideraties aan de Koning zou aanbieden; alle zaken, waarop de Opperhoutvester niet krachtens de wet van 11 juli 1814 of bestaande Koninklijke verordeningen kon beschikken zouden door hem ter kennis van de Minister gebracht worden; het waarmerken van afschriften zou voortaan geschieden door de secretaris generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken. M.i.v. 1846 (K.B. 5 april 1849 no. 91) werd de 10e afdeling gewijzigd in 8e afdeling; met de naam "Opperhoutvesterij", vanaf 1 augustus 1848 8e afdeling "Jacht en Visserij" en bij beschikking van 5 april 1850 no. 91 hersteld in "Opperhoutvesterij". Per 1 april 1850 werd de Opperhoutvester baron Sloet ontslagen en de Minister van Binnenlandse Zaken benoemd tot Opperhoutvester.
Vanaf juli 1852 tot de overgang van de taak naar het Departement van Justitie verviel de titel "Opperhoutvester".
Bij K.B. van 17 december 1815 no. 6 werd de interne organisatie van het Departement geregeld, bestaande uit een algemene secretarie, een afdeling comptabiliteit en een afdeling algemene administratie en contentieuse zaken. Het personeel bestond onder anderen uit een secretaris, een advocaat-consulent en een commissaris voor de comptabiliteit.