Verantwoording van de bewerking
Uitgezonderd het tekeningenarchief zijn de archieven geselecteerd volgens de lijst van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden van het ministerie van Defensie van 11 juni 1987, kenmerk MMA/Ar-19731. Daarnaast is geselecteerd op grond van de machtiging voor incidentele vernietiging van de algemene rijksarchivaris van 13 december 1985, nr. CD/RAI/85/427/S. Omdat enkele brievenboeken en een grootboek sterk aangetast waren door schimmel zijn ze teruggestuurd naar de beheerder, die ze heeft laten vernietigen.
Oorspronkelijk was het de bedoeling om het archiefgedeelte van na 1940 tijdelijk bij het CAD te bewaren. Rekening houdend met de wettelijk gestelde overdrachtstermijn van 50 jaar en de overgang in 1940 van het Loodswezen van het ministerie van Defensie naar het ministerie van Waterstaat werd de cesuur in de inventaris op 22 juni 1940 gesteld. Moeilijk scheidbare stukken die over de cesuur heenlopen, zijn meestal in het archiefblok van na 1940 geplaatst. Na de bewerking sprak het ARA alsnog zijn bereidheid uit het gehele archief in depot te aanvaarden.
De begindatum van de oudste archieven, die van de inspecteurs van het Noorder en het Zuider Departement, valt samen met de aanstelling van de inspecteurs per 1 maart 1814. Einddatum van het recentste archief, dat van de directeur-generaal, werd op 1979 gesteld vanwege de overgang van het Loodswezen per 1 januari 1980 van het ministerie van Defensie naar het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Wat betreft de scheiding in 1830 van de archieven van de inspecteurs van het Noorder en het Zuider departement met het archief van de inspecteur-generaal is rekening gehouden met het tijdstip van de feitelijke overname van de werkzaamheden door de inspecteur-generaal. In het vroegere Noorder Departement aanvaardde Twent pas op 13 september 1830 het 'opzicht', in het Zuider Departement continueerde hij dit reeds op 1 april 1830.
Het 'verwante' archief van de Stoomvaartdienst, waarover de inspecteur-generaal het 'opzicht' had, werd als zelfstandig archief in de inventaris opgenomen, evenals de archieven van een aantal commissies.
De archiefvermenging die onwillekeurig ontstond vanwege de dubbelfunctie van de inspecteur(-generaal) kon niet worden teruggedraaid, mede omdat op de stukken in veel gevallen niet werd aangegeven krachtens welke functie gecorrespondeerd werd. De uitoefening van de bureaufunctie is globaal te traceren via de hoofdstukken organisatie en personeel, de diensthoofdfunctie via het hoofdstuk taakuitvoering.
De archiefschema's van de archieven zijn gebaseerd op het onderscheid tussen enerzijds stukken die betrekking hebben op een van de diensttakken in de (onderscheiden) districten, zoals de loodsdienst, de dienst van de betonning, bebakening of de verlichting en anderzijds stukken die op meerdere diensttakken, meerdere districten of zelfs op de gehele dienst van het Loodswezen betrekking hebben. In het eerste geval zijn de stukken bij de desbetreffende diensttak en district, in het laatste geval hoger in de archiefschema's ingedeeld.
Van het CAD werd ongeveer 135 meter archief bewerkt, voornamelijk van de periode 1840-1979. Van het Algemeen Rijksarchief ontving CAS/ITW ongeveer 55 meter, hoofdzakelijk van de periode 1800-1931. Van de totale 190 meter archief is 72,5 meter bewaard gebleven (38%) waarvan 40,5 meter van vóór 22 juni 1940 en 32 meter van de periode daarna. Bepaalde inventarisnummers zijn vanwege privacy-overwegingen tijdelijk van raadpleging uitgesloten.
De tekeningen kwamen van het ARA, het CAD en de afdeling Maritieme Historie van de Marinestaf. De bewerking van het 'tekeningenarchief' bestond uit de selectie en beschrijving van de tekeningen van het Loodswezen aan de hand van de bewerkingslijst van het Algemeen Rijksarchief. De meeste tekeningen ontstonden niet zelfstandig, maar bijvoorbeeld als deel van een bestek, en zijn vroeg of laat van het oorspronkelijke archief afgescheiden. De afwezigheid of beperktheid van aanduidingen op de (bestek)tekeningen maakte de verwijzing naar het 'hoofdarchief' praktisch onmogelijk en bemoeilijkte de beschrijving van het type tekening. Na uitvoerige vergelijking kon dit vaak alsnog worden vastgesteld. Uiteindelijk was het echter niet anders mogelijk dan de tekeningen deels naar scheepstype deels op scheepsfunctie in te delen. Verder is de indeling analoog aan de volgorde waarin de verschillende soorten schepen in gebruik waren.
Van een aantal scheepstypen is een complete set tekeningen bewaard: de rinkelaar (nr. 6, voorl. nr. 51), de kotter (nr. 7, voorl. nr. 122), de schoener (nr. 150, voorl. nr. 17), het stoomloodsvaartuig (nr. 38, voorl.nr. 74), de botter (nr. 22, voorl. nr. 53) en het motorloodsvaartuig (nr. 57, voorl. nr. 204).
Aanvullende informatie betreffende het Loodswezen is te vinden via de lijst van geraadpleegde literatuur. Van de zes loodsdistricten zijn reeds inventarissen verschenen: van het 1e en 2e district CAS-inventaris 35, van het 3e district/district IJmond CAS-inventaris 108, van het 4e en 5e district een officieuze CAS-inventaris en van het 6e district de inventaris van M. Zaaijer.