2.13.62.04 Inventaris van het archief van de Raad van Defensie, 1908-1939; Commissie inzake Samenwerking van Land- en Zeemacht, 1903-1908

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Institutionele geschiedenis in hoofdlijn

Raad van Defensie 1908-1934(1939)
De Raad van Defensie werd ingesteld bij Koninklijk Besluit (KB) van 16 april 1908 nr. 79
Recueil Militair bevattende de wetten, besluiten en orders betreffende de Koninklijke Nederlandsche Landmacht (voortaan: RM) 1908 p. 490.
. Artikel 2 van het KB omschreef de taak van de Raad: behalve in geval van mobilisatie zou door de ministers van Oorlog en Marine aan de Raad advies gevraagd worden over a) alle belangrijke ontwerpen van wet die betrekking hadden of verband hielden met de beginselen waarnaar de verdediging of de weermiddelen van den Staat zouden moeten worden vastgesteld, b) ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur of Koninklijke Besluiten betreffende "belangrijke aangelegenheden" betrekking hebbend op de Defensie, en c) alle zaken waarover de genoemde ministers advies wenselijk zouden achten
Naar de letter van het besluit was de advisering over de zaken sub a en b dus voorgeschreven. In de Staatsalmanakken voor het Koninkrijk der Nederlanden voor de jaren vanaf 1909 vind men echter steevast de omschrijving, dat het advies van de Raad kan worden ingeroepen.
. In het midden bleef, wat "belangrijk" was. De taakomschrijving vertoont een grote verwantschap met die van het vroegere Comité van Defensie (1850-1868), waarin met enige fantasie een taakvoorganger van de Raad valt te zien
Voor het archief van het Comité van Defensie zie: Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, archief van het Comité van Defensie 1850-1868 en daarbij aangetroffen bescheiden, Den Haag 1990, nummer toegang 2.13.62.03.
. In artikel 17 van het instellingsbesluit werden voorzieningen getroffen over de openbaarheid van de Raadsadviezen en de beperkingen daarop.
De Raad zou drie afdelingen hebben:
  • de eerste afdeling, competent in algemene defensiezaken
  • de tweede afdeling, competent in Landmacht-aangelegenheden
  • de derde afdeling, competent in zeemacht-aangelegenheden.
Ook de leden van de Raad werden aangewezen, met bepaling van de afdeling waarin zij zitting zouden hebben:
  • de commandant van het veldleger: afdelingen 1 en 2;
  • de chef der Generale Staf, bij ontstentenis: de sous-chef; afdelingen 1 en 2;
  • de commandant van de stelling Amsterdam; afdelingen 1 en 2;
  • de commandanten van de stellingen Den Helder en Monden der Maas/Haringvliet; afdelingen 1 en 3;
  • de chef der Marinestaf, bij ontstentenis: de chef van het bureau Staf van het ministerie van Marine; afdelingen 1 en 3;
  • vier nader aan te wijzen niet-militaire leden; alle vier afdeling 1, en telkens twee nader aan te wijzen leden in afdelingen 2 en 3;
  • de directeur en commandant der Marine te Amsterdam; afdeling 3.
Optioneel, te bepalen door de minister van Oorlog, was de zitting in de afdelingen 1 en/of 2 van de inspecteurs der Wapens, onderdelen van Wapens of Dienstvakken ressorterend onder het ministerie van Oorlog. Voor de niet-militaire leden werd een vervangingsrooster voorgeschreven. De ministers zelve mochten deelnemen aan de vergaderingen van de eerste afdeling, de minister van Oorlog aan die van de tweede, en die van Marine aan die van de derde
Bij successieve latere KB's werden kleine aanpassingen aangebracht in deze samenstelling, merendeels samenhangend met reorganisaties in de Oorlogs- en Marine-organisatie. Bij KB van 1 september 1915 nr. 12 werd de plaats van de directeur en commandant der Marine te Amsterdam toegewezen aan een door de Kroon te benoemen actief of gepensioneerd vlag- of hoofdofficier der Marine. Bij KB van 1 november 1916 nr. 12 werd de benaming van de commandant van de stelling Monden van de Maas en Haringvliet gewijzigd in commandant van de stelling Monden van de Maas en Schelde. Bij KB van 30 december 1922 nr. 62 werd de commandant van de stelling Amsterdam in de Raad vervangen door de commandant van de vesting Holland, de commandant van de stelling Monden van de Maas en Schelde door de commandant der Marine te Middelburg, terwijl de inspecteurs van onderdelen van Wapens ressorterend onder het ministerie van Oorlog kwamen te vervallen. Tenslotte werd bij KB van 11 februari 1928 nr. 37 de sous-chef der Generale Staf vervangen door een door de minister aan te wijzen hoofdofficier der Generale Staf, en werd de commandant der Marine te Middelburg in de Raad opgevolgd door de ondercommandant der Marine te Vlissingen.
. Voor de vier niet-militaire leden werd een zittingsduur van acht jaar voorzien met een vervangingsrooster van één lid per twee jaar.
Bij uitoefening van hun recht namen de ministers stemgerechtigd deel en waren tevens belast met het voorzitterschap. Als beide aanwezig waren, werd het voorzitterschap gelegd bij de oudste in leeftijd. Was geen der ministers aanwezig, dan werd het voorzitterschap gelegd bij de militair met de hoogste rang en de oudste ancienniteit. Als secretarissen zouden worden toegevoegd twee subalterne officieren van Landmacht resp. Marine, aan te wijzen door de betrokken ministers, die beide dienst zouden doen bij de eerste afdeling, en afzonderlijk bij de tweede en derde afdeling.
De afdelingen van de Raad hadden het recht om zelfstandig te korresponderen met alle militaire en civiele autoriteiten en konden deze uitnodigen bij hun vergaderingen. Ook hadden de Raadsleden het recht op inzage van de archivalia van de beide ministeries, die handelden over onderwerpen waarover het advies van de Raad werd gevraagd. Kennisneming van archiefstukken van andere ministeries kon geschieden met goedvinden van de betrokken minister.
De vergaderingen van de Raad zouden verlopen volgens een door de Raad zelf te ontwerpen reglement van orde, dat de goedekuring van de beide ministers behoefde
Zie voor het reglement van orde: inv.nr. 1, omslag 1908/5.
.
Bij KB van 8 mei 1908 nr. 21 werden vervolgens tot niet-militaire leden benoemd:
  • J.D. Veegens, oud-minister van Landbouw, Nijverheid en Handel
  • P.C. 't Hooft, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en raadsheer in het gerechtshof te Arnhem
  • F.B. 'sJacob, oud-burgemeester van Rotterdam, en
  • F.J.H. Evers, R.K. pastoor.
Als eerste secretarissen werden aangesteld kap. der Generale Staf P. Huizer en ltz. 1e kl. R. van Leent
RM 1908 p. 496.
.
Bij de regelmatige vervanging van de vier niet-militaire leden werd een "elastische" interpretatie van het instellingsbesluit toegepast. Van de vier oorspronkelijke leden verdween Veegens in 1911, 't Hooft in 1921, 'sJacob in 1930, terwijl Evers, inmiddels monseigneur geworden, de hele levensduur van de Raad heeft volgemaakt. Ook later benoemde leden overschreden meer dan eens de voorgeschreven zittingsduur
Staatsalmanakken voor de jaren 1909-1940. Latere niet-militaire leden waren: W.F. van Leeuwen (1911-1915) commissaris der Koningin in Noord-Holland, H.P. Marchant (1915-1919) lid van de Tweede Kamer, H. Colijn (1923-1924) oud-minister van Oorlog, J. Limburg (1923-1940) lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland later lid van de Raad van State, W.L. baron de Vos van Steenwijk (1924-1930) lid van de Eerste Kamer, jhr. B.C. de Savornin Lohman (1930-1940) idem, P. Drooglever Fortuyn (1930-1939) burgemeester van Rotterdam en jhr. A.C.D. de Graeff (1939-1940) oud-Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. De in 1915 gecreëerde plaats voor een aktief of gepensioneerd vlag- of hoofdofficier der Marine werd van 1915 tot 1932 bezet door G.F. Tydeman, gepensioneerd vice-admiraal, en van 1932 tot 1940 door jhr. G.L. Schorer, vice-admiraal en naderhand gepensioneerd. Diens niet-vermelding in de Staatsalmanak voor 1934 is vermoedelijk een omissie.
.
De Raad heeft bestaan tot in de loop van 1940 en zal bij de algehele ontmanteling van de Nederlandse Defensie-organisatie tijdens de eerste bezettingsperiode ook officieel of officieus ontbonden zijn. Bij ontstentenis van het volledige archief van de Raad is duidelijkheid daarover nog niet te krijgen.
Aanvulling
Het hierna volgende gedeelte van deze paragraaf is letterlijk overgenomen uit de tekst, die het ministerie van Defensie in 1994 bij de overdracht van een supplement van het archief meeleverde.
Bij KB van 7 november 1918 werden F.B. 's Jacob en mr. H.P. Marchant opnieuw benoemd tot respectievelijk niet-militair lid van de derde en de tweede afdeling van de Raad
Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, gewoon verbaalarchief van het ministerie van Oorlog/Defensie, nummer toegang 2.13.01 (voortaan: Oorlog/Defensie), inv.nr. 4960, verbaal van 2-12-1918 nr. 64.
.
In 1918 werd overwogen de Raad van Defensie op te heffen. Volgens de minister van Oorlog droegen zowel de frequentie als de aard van de door de Raad aan minister van Oorlog uitgebrachte adviezen niet bij aan de vervulling van de oorspronkelijke taakstelling van de Raad, namelijk het bevorderen van de continuïteit in het behandelen van belangrijke zaken bij de departementen van Oorlog en Marine. Zo werd tijdens de mobilisatie 1914-1918 geen enkele maal om het advies van de Raad gevraagd
Het feit dat de raad vanaf 5 juli 1915, de datum van zijn benoeming, nog nooit bijeengeroepen was voor mr. H.P. Marchant op 16 december 1918 aanleiding om bij de Koningin zijn ontslag in te dienen. Zie Oorlog/Defensie inv.nr. 4962, verbaal van 21 januari 1919 nr. 127)
. Ook het feit dat voor belangrijke kwesties commissies in het leven werden geroepen droeg niet bij aan het bestaansrecht van de Raad
Bijvoorbeeld de Legercommissie, welke rond 1913 werd ingesteld. Oorlog/Defensie inv.nr. 4961 verbaal van 24 december 1918 nr. 139.
.
Bij brief van 10 januari 1919 vroeg de minister aan de Raad om zich uit te spreken over haar eigen voortbestaan. Op 5 februari 1919 werd een vergadering belegd waarin de zaak werd besproken. Het lid 's Jacobs concludeerde dat de regering, niet de Raad, moet beslissen over het al dan niet voortbestaan van de Raad. 't Hooft merkte op:
"De Raad doet geen nadeel en veroorzaakt geen kosten."
Wat hem betrof kon de Raad blijven bestaan.
Na deliberatie waren alle leden unaniem van oordeel dat de Raad diende te blijven bestaan. Men brengt een advies uit waarin werd uitgesproken dat
(...) " geen aanleiding bestaat de Raad van defensie op te heffen, doch dat er daarentegen alle reden is om dit instituut in stand te houden."
Bij de nota ging een overzicht van de door de Eerste en Tweede afdeling uitgebrachte adviezen
Inv.nr. 7.
.
Uitgebreide Eerste Afdeling ter advisering over het Rapport-Idenburg.
In 1933-1934 opereerde de commissie in zake bezuiniging op de militaire uitgaven en nopens de verdeling der vlootkosten over de Rijks- en de Indische begrotingen.
Deze Interdepartementale commissie was ingesteld 1 september 1933
Legerorders bevattende de wetten, besluiten, ministeriële beschikkingen, kennisgevingen en mededelingen van belang voor de Koninklijke Nederlandse Landmacht (voortaan: Legerorders) 1933, nr. 291.
bij gemeenschappelijke beschikking van de ministers van Koloniën en van Defensie. Zij had als opdracht
" a. eenen organisatie te ontwerpen van de weermacht in Nederland en in Nederlandsch-Indië, welke - met handhaving van hare tegenwoordige doelstelling - leiden kan tot aanzienlijke besparingen zoowel op de Rijksbegrooting als op die van Nederlandsch-Indië;
b. eene nieuwe regeling te ontwerpen voor de administratieve verdeeling der kosten van de maritieme weermiddelen tusschen de begrootingen van Nederland en Nederlandsch-Indië."
Naar de commissie werd ook wel gerefereerd als de commissie Idenburg. Dit naar haar voorzitter, A.W.F. Idenburg. De commissie werd maart 1934 ontbonden
Legerorders 1934, nr. 78.
.
Bij brief van 7 februari 1934 vroeg de minister van Defensie, mede namens zijn ambtgenoot van Koloniën, advies aan de voorzitter van de Eerste afdeling inzake de inhoud van het rapport van de commissie Idenburg
Inv.nr. 36.
. Hiertoe zou de Eerste afdeling van de raad worden uitgebreid met de Inspecteurs en hoofden van dienstvakken en de directeur en commandant der Marine te Amsterdam. Deze hadden normaliter zitting in respectievelijk de Tweede en Derde afdeling van de Raad.
Voorstellen van de commissie Idenburg werden voor een deel opgenomen in de wet tot verlaging van de staatsuitgaven
Wet van 29 november 1935, Staatsblad nr. 685.
.
Commissie inzake samenwerking van Land- en Zeemacht 1903-1908
De Commissie inzake samenwerking van Land- en Zeemacht werd ingesteld bij KB van 25 juni 1903 nr. 36
Kabinet der Koningin, inv.nr. 4978. Het was niet de eerste commissie met een dergelijke taak. Bij koninklijk Kabinetsrescript van 14 juli 1883 nr. 20 werd machtiging verleend voor de instelling door de ministers van Marine en Oorlog van een gezamenlijke "commissie tot regeling der samenwerking van Zee- en Landmacht bij 's Lands verdediging. De voorstellen daartoe waren ingediend door Marine bij schrijven van 16 juni Letter B nr. 57 en door Oorlog bij schrijven van 21 juni Kabinet Litt. W30, maar bij recript van 4 juli 1883 nr. 28 was beslissing aangehouden totdat aan 's Konings verlangens inzake de samenstelling der commissie was voldaan (ARA-II, Kabinet des Konings, inv.nrs. 2565 en 2566). En bij KB van 23 maart 1890 nr. 28 was opnieuw een soortgelijke commissie in het leven geroepen, ditmaal "tot het uitbrengen van advies omtrent de taak die de Zee- en Landmacht (..) in onderlinge samenwerking zullen te vervullen hebben bij de verdediging van het vaderland aan de zeezijde, op de binnenwateren en op de rivieren, in verband met de bij de wet van 18 april 1874 (Staatsblad no. 64) vastgestelde regeling en voltooiing van het vestingstelsel" (ARA-II, Kabinet des Konings, inv.nr. 2945). Althans een deel van de rapportage van deze commissies is te vinden in Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, archief van de Directie der Marine, Commandement Maritieme Middelen Willemsoord 1820-1958, nummer toegang 2.12.12, inv.nrs. 215 en 216.
. De Commissie werd belast met de behandeling van alle vraagstukken op defensiegebied, welke beide delen der krijgsmacht raakten en waarin door de ministers van Oorlog en Marine advies wenselijk werd geacht. Ook kon de Commissie op eigen initiatief zaken onder de aandacht van die ministers brengen. De Commissie was bevoegd om in korrespondentie te treden met alle autoriteiten onder de ministeries van Oorlog en Marine en deze autoriteiten in hun vergaderingen uit te nodigen. Inlichtingen van andere departementen konden worden verkregen door tussenkomst van die van Oorlog en/of Marine.
De Commissie zou bestaan uit
  • de chef van de Generale Staf
  • de chef van de Marinestaf
  • de Inspecteur der Artillerie
  • de Inspecteur der Genie, en
  • de commandant van de stelling Den Helder.
Aan de Commissie werden als secretarissen toegevoegd subalterne stafofficieren van de Landmacht en Marine.
De Commissie diende een huishoudelijk reglement te ontwerpen en ter goedkeuring aan de twee ministers voor te leggen.
De Commissie werd opgeheven bij KB van 22 mei 1908 nr. 73
Kabinet der Koningin inv.nr. 5419.
, omdat, zoals het opheffingsbesluit overwoog, door de instelling van de Raad van Defensie de Commissie overbodig was geworden. Daaruit kan worden opgemaakt, dat de Commissie eigentijds als een voorganger in een deel van de taken van de Raad werd beschouwd.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Na de overbrenging naar het Algemeen Rijksarchief, i.c. het hulpdepot te Schaarsbergen, zijn deze stukken onderdeel gaan uitmaken van het konglomeraat "Landmacht-archieven tot 1940", waarop te Schaarsbergen een summiere toegang werd vervaardigd. In de jaren 1979/1980 is het hele konglomeraat overgebracht naar het nieuwe Algemeen Rijksarchief te Den Haag.
Fragmenten van de archieven van de Raad van Defensie en de Commissie inzake Samenwerking van Land- en Zeemacht zijn door het ministerie van Defensie, i.c. de direkteur van het Krijgsgeschiedkundig Archief van de Koninklijke Landmacht, vermoedelijk bij proces-verbaal van 5 maart 1956, overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief, i.c. het hulpdepot daarvan te Schaarsbergen.
Het is niet eenvoudig om vast te stellen, wanneer het conglomeraat afkomstig van het de Marine-archieven, in Schaarsbergen terechtgekomen is; met zekerheid is dat gebeurd tussen 1951 en 1972.
In juni 1994 droeg het ministerie van Defensie een supplement op het archief van de Raad van Defensie over lopend over het tijdvak 1911-1936.