2.21.099 Inventaris van het archief van H.A. von Kinckel [levensjaren 1747-1821], (1751) 1773-1817

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Hendrik August von Kinckel
Men treft ook de schrijfwijzen aan: von Kinkel en van Kinckel.
) werd 14 Augustus 1747 te Heilbronn in Zuid-Duitschland geboren. Hij begaf zich reeds op jeugdigen leeftijd naar ons land en trad hier in dienst van de Admiraliteit in Zeeland (1764). Na verschillende promoties bij onze Marine gemaakt te hebben, onderbrak hij in 1778 voor eenigen tijd zijn Hollandschen dienst, om in Engeland onder Admiraal Keppel mede te strijden tegen de Franschen. In het volgende jaar werd hij benoemd tot kapitein-ter-zee op het Nederlandsche oorlogsschip de “Zuid-Beveland”. Als zoodanig moest hij tegen zijn zin deelnemen aan den Vierden Engelschen Oorlog. In 1782 volgde zijn benoeming tot adjudant-generaal bij het “Departement der Marine van zijn Hoogheid” en in 1787 kreeg hij den titel van admiraal. Hoewel nog niet geheel uit den actieven dienst ter zee getreden, vinden wij hem na het einde van den Vierden Engelschen Oorlog toch meestal op het land.
Von Kinckel ging zich toen vooral bezig houden met de binnenlandsche politiek der Vereenigde Nederlanden, waarin hij door zijn vriendschap met mannen als mr. L.P. v.d. Spiegel en mr. P.E. van de Perre reeds lang was ingewijd. In den toenmaals brandenden strijd tusschen Patriotten en Prinsgezinden koos hij onvoorwaardelijk partij voor een stadhouder, van wiens gezag en rechten hij een krachtig voorvechter werd. Uit dien tijd dagteekent zijn verbinding met Sir James Harris, den in 1784 hier benoemden Engelschen gezant. Gezamenlijk beraamden deze beiden allerlei plannen tot de organiseering van een krachtige stadhouderlijke partij. Hun streven was er vooral op gericht, de provincie Zeeland voor deze partij te bewaren, waarbij zij de meest gewaagde experimenten overwogen, zooals een losmaken van Zeeland van de Unie.
Von Kinckel speelde o.m. een rol bij de voorbereiding der reis van Prinses Wilhelmina naar Holland (1787) en bij de gebeurtenissen, die zich na de mislukking dezer reis afspeelden. In 1788 vinden wij hem op Het Loo aanwezig bij het sluiten van het verbond tusschen Engeland, Pruisen en onze Republiek.
In het volgende jaar werd hij benoemd tot Minister-plenipotentiaris bij de Opper- en Nederrijnsche kreitsen en den Keurvorst van Paltz-Beieren. Toen in 1792 de Eerste Coalitie-oorlog uitbrak, werd hij bovendien geäccrediteerd bij den Koning van Pruisen in het leger der gealliëerden, waar hij weder met Harris – inmiddels tot Lord Malmesbury verheven – samenwerkte. In deze functie beijverde hij zich ten zeerste, om van Pruisen steun te verkrijgen voor de door de Fransen bedreigde Republiek.
Bij de omwenteling van 1795 legde Von Kinckel al zijn bedieningen neer, omdat hij meende deze onder de nieuwe Franschgezinde regeering niet meer te kunnen vervullen. Hij begaf zich naar Engeland, waar de Koning hem een jaargeld toekende uit hoofde van de belangrijke diensten, door hem aan het Oranjehuis bewezen. Hij werd nu, zooals Prins Wilhelmina het uitdrukte
Zie het schrijven van de Prinses aan den Erfprins van 28 Mei 1797 in: H.T. Colenbrander, Gedenkstukken, II, blz. 947.
), “un demi-ministre du Roi d’Angleterre”, die allerlei diplomatieke zendingen verrichtte in het belang der gecoäliseerde mogendheden. Zoo vinden wij hem in 1799 met Sir Thomas Grenville broeder van den bekenden Lord Grenville, te Berlijn. Beide mannen waren daar werkzaam met het doel om den Koning van Pruisen over te halen, toe te treden tot een tweede coalitie tegen Frankrijk, en de Engelsch-Russische expeditie naar Noord-Holland voor te bereiden. Zij volgden van uit Oost-Friesland den loop dezer expeditie en tegen het einde er van begaven ze zich over Holland weder naar Engeland. Ook daarna bleef Von Kinckel werkzaam in het belang der gealliëerden tot den Vrede van Amiëns (1802). Van de hervatting van den oorlog in 1803 af tot den slag bij Leipzig in 1813 bevond hij zich in het sterk onder Franschen invloed staande Zuid-Duitschland, waar hij, vooral na 1805 omringd van spionnen, weinig meer voor de zaak der bondgenooten kon doen.
Na de omwenteling van 1813 begaf hij zich naar Den Haag en stelde zich ter beschikking van den Soevereinen Vorst. Deze benoemde hem in 1814 tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister bij de hoven van Beieren, Wurtemberg en Baden, welke functie hij bekleed heeft tot zijn dood (10 November 1821.
Abusievelijk wordt door J.K.J. de Jonge in zijn bovengenoemd opstel over Von Kinckel in Het Nederlandsch Rijksarchief, blz. 80, vermeld dat “Von Kinckel fut mis honorablement à la retraite à cause de son âge très avancé”. Dit is niet juist; Von Kinckel is tot zijn dood toe in dienst gebleven.
)
Von Kinckel heeft zich ongetwijfeld doen kennen als een man met een helder verstand en van een groote activiteit, welke hij in dienst heeft gesteld van het nieuwe vaderland, dat hij zich gekozen had, en van het Oranjehuis, waaraan hij zeer verknocht was. Jammer dat hij zich soms wat te veel liet leiden door zijn wel wat sterk uitgesproken Engelsche sympathieën.

Geschiedenis van het archiefbeheer

De papieren van Von Kinckel zijn na zijn dood ingezonden bij het Departement van Buitenlandsche Zaken, dat ze op 20 Juni 1854 heeft doen toekomen aan het Rijksarchief. Meer(dere) malen heeft daarna een gedeeltelijke inventarisatie plaats gehad n.l.:
  1. van de zeejournalen en de meeste papieren, op Von Kinckel’s functie bij de Admiraliteit betrekking hebbende door Dr. J. de Hullu in De Archieven der Admiraliteitscolleges, no. XVIII;
  2. van de stukken, betrekking hebbend op Von Kinckel’s gezantschap bij de beide Rijnkreitsen en den Keurvorst van Paltz-Beieren in den inventaris van het Legatie-archief der Eerste Afdeeling van het Rijksarchief (MS.);
  3. van de stukken, betrekking hebbende op Von Kinkel’s gezantschap bij de hoven van Beieren, Wurtemberg en Baden door J.C. Beth in den inventaris van de Archieven van het Departement van Buitenlandsche Zaken (Verslagen omtrent ’s Rijks Oude Archieven 1918, I, Bijlage VII, A, 1, no. 37 en B, VI, a, n.os 1, 2 en 3).

De verwerving van het archief

Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.