Levensloop
James Marnix de Booy (ook bekend als J.M. de Booij) werd op 24 juni 1885 geboren te Kralingen (Z.H.). Zijn familie had al vele hoge marineofficieren voortgebracht, zoals bijvoorbeeld zijn vader die vice-admiraal was. Het was dan ook vanzelfsprekend dat James de Booy werd voorbereid op een militaire loopbaan. Na de lagere school ging hij naar het Instituut Wegerif in Nijmegen en nadat hij deze vooropleiding had afgerond werd hij als adelborst toegelaten tot het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. In 1904 voltooide hij zijn opleiding en werd hij bevorderd tot adelborst der eerste klasse. Hij diende daarna op verschillende schepen in Nederland-Indië en werd diverse malen bevorderd.
In 1919 beëindigde luitenant-ter-zee der eerste klasse De Booy zijn militaire loopbaan, omdat het bedrijfsleven gunstigere carrièreperspectieven bood. Hij trad in dienst van De Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM), waarvoor hij jarenlang in het buitenland zou werken. Hij werkte achtereenvolgens in Indië, Roemenië en Venezuela. In 1932 keerde hij terug naar Nederland waar hij werd aangesteld als algemeen procuratiehouder voor de BPM en een jaar later ook voor de Koninklijke Petroleum Maatschappij. Op 1 januari 1937 werd hij uiteindelijk benoemd tot directeur van de 'Koninklijke'.
Enige dagen na de Duitse inval wist De Booy met zijn gezin naar Engeland te ontkomen. Hij was er in geslaagd het hele archief van de 'Koninklijke' met zich mee te nemen. Logischerwijs ging hij aan de slag bij Shell en daarnaast werd hij al gauw vice-president van The Netherlands Shipping and Trading Committee. Onder de Nederlanders in Londen nam hij een vooraanstaande positie in. Niet alleen was hij betrokken bij de oprichting en inrichting van het Nederlandse overheidsapparaat, maar daarnaast behoorde hij ook tot één van de zes topmannen uit het bedrijfsleven die de regering in ballingschap in 1941 een aarzelend en ongeïnspireerd beleid verweten.
De Shipping and Trading Committee beheerde een groot gedeelte van de Nederlandse koopvaardijvloot en regelde - onder leiding van de Britten - de inschakeling hiervan ten gunste van de geallieerde oorlogsmachine. Als commissielid deed De Booy veel contacten op met de Britse autoriteiten en bleek hij als bemiddelaar tussen verschillende belangengroepen (regering, reders, vakbonden) zakelijk en slagvaardig. Mede hierdoor werd de partijloze De Booy op 31 mei 1944 opgenomen als minister van Scheepvaart en Visserij in het tweede kabinet-Gerbrandy. Als minister was hij daadkrachtig en zeer deskundig. Hij keerde dan ook terug in het derde kabinet-Gerbrandy, waar hij ook de Ministeries van Marine en (ad interim) Oorlog op zich nam. Ook werd De Booy - inmiddels liberaal - opgenomen in het overgangskabinet Schermerhorn-Drees als minister van Marine en (ad interim) Scheepvaart. Op 3 juli 1946 droeg hij zijn ministersportefeuille over.
Na zijn aftreden zat De Booy van 1947 tot 1948 in de United Nations Special Committee on the Balkans. Deze commissie had tot taak de problemen tussen Griekenland en zijn Noordelijke buurlanden op te lossen. Nadat hij deze werkzaamheden had afgerond werd hij op 1 december 1948 benoemd tot Hoofd van de Nederlandse Militaire Missie bij de Geallieerde Controleraad te Berlijn. Tegelijkertijd werd hij benoemd tot vice-admiraal van de Koninklijke Marine Reserve, zodat hij in rang op gelijke voet stond met de hoogste geallieerde militaire autoriteiten. Tweeëneenhalf jaar later, op 4 december 1951, werd hij de eerste Nederlandse ambassadeur van de Bondsrepubliek Duitsland. Hij vervulde deze functie tot aan zijn pensionering op 1 december 1952, waarna hij naar Groot-Brittannië emigreerde. De laatste negen jaar van zijn leven woonde James de Booy in Zwitserland (Lausanne), waar hij op 2 maart 1969 overleed.