2.25.37 Inventaris van het archief van het Landbouwschap (1948) 1954-2000 (2005)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Geschiedenis en ontwikkeling

De Stichting voor de Landbouw (1945-1954) kan worden gezien als voorloper van het Landbouwschap. Deze stichting werd opgericht door de (heropgerichte) boerenstandsorganisaties Koninklijke Nederlandse Boeren en Tuindersbond, KNLC Koninklijk Nederlands Landbouw Comité, NCLB Nederlandse Christelijke Landarbeidersbond, NKLB Nederlandse Katholieke Landarbeidersbond en ANLB Algemene Nederlandse Landarbeidersbond. Het primaire doel was samenwerking om te komen tot “het bevorderen van goede sociale toestanden tussen bedrijfsgenoten onderling en het geven van advies en medewerking aan de uitvoering van maatregelen van overheidswege gelegen op het gebied van landbouw”.
De bedrijfschappen uit de oorlog leenden zich goed als bruikbaar beleidsinstrument in het naoorlogse Nederlandse klimaat van wederopbouw en harmonie. In 1950 bood de wetgever met de Wet op de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) een Nederlandse blauwdruk voor het bedrijfsleven, werkgevers en werknemers, om zaken voor eigen rekening te organiseren. Op 16 februari 1954 is het Landbouwschap bij Koninklijk Besluit officieel ingesteld met een centrale taak in Den Haag voor algemene belangenbehartiging in de land- en tuinbouw en verordenende bevoegdheden om verplichte heffingen op te leggen voor algemene op de sector betrekking hebbende maatregelen. De voordelen van een bestuurlijk en financieel onafhankelijk Landbouwschap waren bij de oprichting intern onomstreden. De genomen besluiten in het bestuur van het Landbouwschap waren voor alle betrokkenen bindend. Individuele belangenbehartiging, onderwijs en voorlichting bleven zoals voorheen het werkterrein van de centrale landbouworganisaties.
Door het voorspoedige herstel van de (voedsel)productie in de land- en tuinbouw speelde al snel een goede toegang tot de Nederlandse afzetmarkten (export) een belangrijke rol in de gemeenschappelijke belangenbehartiging. De emancipatie van de werknemer kreeg ook vorm onder meer door een door de consument betaalde loonsverhoging. Tevens nam het Landbouwschap zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van wetten voor de gehele landbouwsector - het zogenaamde ‘medebewind’ - en autonome regelgeving op tal van terreinen.
De economische groei in Nederland en de rest van de wereld (1954 - 1963) was paradoxaal genoeg de oorzaak van nieuwe problemen in de landbouw. Door de nationale inkomensgroei nam de vraag naar niet-agrarische producten sterk toe en dit zette een verandering in gang van de agrarische productiestructuur, daarnaast was er een sterke stijging van de prijs van arbeid. De periode 1963 - 1968 was er een van taakheroriëntering. De jaren zestig kenmerkten zich door publieke onrust en protesten tegen de gevestigde orde, een aardverschuiving in de politieke cultuur en versnelde deconfessionalisering. Denk in dit verband aan de Boerenpartij, haar verzet tegen het Landbouwschap dat leidde tot de ontruiming van een boerenerf in Hollandscheveld in 1963, en de crisis die dat veroorzaakte binnen het Landbouwschap. In deze periode stond het Landbouwschap ook voor een verandering van het Nederlandse prijs- en marktbeleid, dat door de komst van de EEG een communautaire aangelegenheid werd met nieuwe overlegstructuren in Brussel.
Het Landbouwschap liep aan tegen de grenzen van de groei (1968 -1974). Onvolkomenheden in de markt (overschotten en interventies via gemeenschappelijk landbouwbeleid) en milieuproblematiek gaven hier de toon aan. De Club van Rome bracht in 1972 een kritisch rapport uit ‘Grenzen aan de groei’, in 1973 was er voor het eerst wereldwijd een oliecrisis.
De jaren 1974 tot 1984 waren de hoogtijdagen van de collectieve belangenbehartiging. De sector stond in het teken van een toenemende intensivering en specialisatie. Vooral de onstuimige groei van de tuinbouw werd gezien als een voorbeeld van innovatie in Nederland. In deze periode kwamen voor het eerst bij de vakbeweging twijfels over het nut van de PBO. In de landbouw was tevens sprake van een toename in het aantal loonconflicten. De afbakening tussen het Landbouwschap en de productschappen voor de verschillende sectoren was duidelijk, er was sprake van een herenakkoord, waarbij de productschappen zich toelegden op de teelt, handel en verwerking van agrarische producten en het Landbouwschap dit primair deed voor de agrarische productie. Aan het eind van deze periode waren echter de eerste tekenen van scheuren te bespeuren in de collectieve belangenbehartiging. Dit kwam onder meer door verscherping van sociale en sectorale tegenstellingen.
De laatste periode van 1984 - 1995 vond plaats tegen de achtergrond van de kabinetten Lubbers (1984-1994), die prioriteit gaven aan het terugdringen van het financieringstekort, het doorvoeren van omvangrijke bezuinigingen op de collectieve uitgaven en het accent op meer marktwerking in de overheidsgereguleerde sectoren. In deze tijd verschoof de EG-landbouwsteun langzaam van prijs- naar inkomenssteun. Het EG-landbouwbeleid moest zich in deze periode ook aanpassen aan de kritiek van de andere wereldmogendheden (tijdens de General Agreement on Tariffs and Trades (GATT)-onderhandelingen, later bekend als World Trade Organisation (WTO). Al deze ontwikkelingen zorgden ervoor dat de Nederlandse landbouw zich in plaats van bulkproductie meer ging toeleggen op kwalitatief hoogwaardige producten met een hoge toegevoegde waarde. Dit ging gepaard met de vorming van flexibele en voor de consument transparante verticale ketenorganisaties. Daarnaast moest de landbouwsector meer rekening houden met maatschappelijke ontwikkelingen op sociaal-economisch gebied (belang voor het platteland) en met betrekking tot milieubeleid.
Zo transformeerde de agrarische sector binnen enkele jaren van een betrekkelijke gesloten homogeen blok met groeiperspectieven tot een heterogeen gezelschap van land- en tuinbouwers dat tegen de grenzen van de groei aanliep. Agrariërs werden meer dan ooit geconfronteerd met de noodzaak tot meer samenwerking en schaalvergroting met andere schakels van productie-, afzet- en verwerkingsketen en bovendien groeide door de marktwerking (liberalisering) de verscheidenheid en dus ook de tegenstellingen tussen agrarische ondernemers (individualisering) en de sectoren. De kritiek vanuit de sectoren op van bovenaf en collectief opgelegde voorzieningen en regelingen groeide.
In 1992 wijzigde de regering de Wet op de bedrijfsorganisatie met het overbrengen van zoveel mogelijk verantwoordelijkheid van de overheid naar de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO). De SER nam de controle op de verordenende bevoegdheden over. De productschappen dienden in toenemende mate rekening te houden met EU-regelgeving en kregen via medebewind een groter aandeel in de uitvoering van Europees beleid toebedeeld. Aan de andere kant botsten vaker autonome verordeningen van het Landbouwschap met het gemeenschapsrecht. Verder bleef de PBO (als instrument van marktordening) in de jaren negentig onderwerp van discussie in de Tweede Kamer. Voor het Landbouwschap betekende het neo-liberalisme en deze politieke heroriëntatie op de PBO dat zijn takenpakket fundamenteel onder druk kwam te staan. De belangrijkste taak van het Landbouwschap was algemene belangenbehartiging en juist die kwam in toenemende mate onder grote maatschappelijke en politieke kritiek te staan. Het milieu- en mestprobleem werd voor het Landbouwschap een existentievraagstuk, terwijl de legitimiteit van het Landbouwschap als representatief onderhandelaar (met de overheid) en uitvoerder van het milieuprobleem niet onomstreden was. Met de tegengestelde belangen in eigen gelederen en de oprichting van autonome vakorganisaties van agrariërs (zoals de Nederlandse Vakverbond van Varkenshouders en de Nederlandse Akkerbouw Vakbond) kon het Landbouwschap niet goed uit de voeten. Het mestprobleem bleek uiteindelijk voor het Landbouwschap te groot en het Landbouwschap zag definitief af van verdere inspanningen. Dit falen was illustratief voor de crisis van het Landbouwschap als regelgever en als publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.
In 1995 werd de sector geteisterd door grote tegenslag (zoals overstromingen, dreigende dijkdoorbraken, evacuatie van vee, bruinrot, slechte prijzen, moeizame cao-onderhandelingen). Zoals aangegeven stond binnen het Landbouwschap de collectieve belangenbehartiging onder druk. Bovendien werd de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) Nederland in 1995 opgericht, bedoeld als samenwerking van de boerenstandsorganisaties op het gebied van belangenbehartiging en werkgeverschap. Dit speelde de nieuwe minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij J.J. van Aartsen van de VVD in de kaart, want hij had een nieuwe landbouwpolitiek voor ogen en wilde daarvoor de macht van het Landbouwschap inperken. Een herschikking van de institutionele verhoudingen in de landbouw (vooral gericht op een uitgekleed takenpakket van het Landbouwschap) was onvermijdelijk en dit leidde uiteindelijk tot het verzoek van de voedingsbonden (naar aanleiding van het na bijna 1 jaar vergeefs onderhandelen over een cao) in de bestuursvergadering op 6 december 1995 tot opheffing van het Landbouwschap. Op 6 maart 1996 presenteerde het secretariaat van het Landbouwschap het plan tot afbouw van het Landbouwschap.

2. Drie fasen van afbouw

De eerste fase van afbouw van het Landbouwschap omvatte de beëindiging van samenwerkingstaken en de opheffing van adviescommissies. Gewestelijke secretariaten zijn in deze fase eveneens opgeheven; tot 1 januari 1997 hebben nog vier regiokantoren gefunctioneerd. Hoofdafdelingen en afdelingen zijn in verband met de uitoefening van publiekrechtelijke taken vooralsnog in stand gehouden. In dit verband is vooral de Afdeling Paardenhouderij te noemen.
In de tweede fase heeft een verdere afbouw van samenwerkingstaken uit de eerste fase plaatsgevonden. Deze fase is in belangrijke mate gericht geweest op de overdracht van taken aan productschappen. Daarnaast is een aantal adviescommissies en werkgroepen opgeheven, waaronder de Commissie Gewasbescherming, de Commissie voor Mineralenemissie en de Werkgroep Biologische Landbouw.
De derde fase van afbouw beslaat de periode die loopt van 1 januari 1998 tot 1 juli 1999. Op laatstgenoemde datum, conform de planning van het bestuur van het Landbouwschap, moest de formele opheffing van het Landbouwschap een feit zijn. Het Landbouwschap werd per 28 september 2000 bij Koninklijk besluit van 17 oktober 2000 (S. 411) opgeheven.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het archief is gevormd in de periode 1948-2000. Vanaf 1993 werkte het Landbouwschap met een digitaal archief systeem. Een stuk van de correspondentie uit de periode 1994-1997 is verloren gegaan daar de schijven met dataopslag onbruikbaar zijn geworden.

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.