Verantwoording van de bewerking
Bij de datering der stukken is uitgegaan van de gedachte, dat de heren van Altena vóór de tweede helft der 13e eeuw niet de Paasstijl gevolgd hebben. Grond voor deze onderstelling leveren twee oorkonden, welke beide het jaartal 1230 dragen, en waarvan de inhoud slechts zin heeft, indien men aanneemt, dat zij korte tijd na elkaar zijn opgemaakt, hetgeen de mogelijkheid van het gebruik van de Paasstijl uitsluit
Inv.no. 1 en 2.
.
Uit latere oorkonden blijkt evenwel, dat omstreeks 1300 de Paasstijl gebezigd werd
Brom, loc. cit., no. 2938, 2945 en 2947.
. Hoelang dit zo gebleven is, laat zich slechts bij benadering vaststellen. Blijkens de acten van bekrachtiging voor de door Jacob, eerste graaf van Horne aan den lande van Altena en aan de stad Woudrichem verleende handvesten was in 1452 bij de heren van Altena de Paasstijl niet meer in gebruik
Inv.no. 14.
.
Rest nog de vraag, welke stijl zij dan wel bezigden. Hoewel ik geen afdoende bewijzen daarvoor heb gevonden, komt mij als het meest waarschijnlijk voor, dat de heren van Altena oorspronkelijk de Jaardagstijl gevolgd hebben, en in 1452 wederom tot die stijl waren teruggekeerd.
Ordening van het archief
Toen mij in het laatst van 1931 de bewerking van het archief der heren van Altena werd opgedragen, bevond zich de overgrote meer derheid van de tot dit archief behorende bescheiden in de verzameling Altena'se charters, welke tijdens het beheer van de Rijksarchivaris Bakhuizen van den Brink was aangelegd. Dank zij de dorsale aantekeningen, door een zestiende eeuwse hand op deze stukken gesteld, viel hun samenhang gemakkelijk te constateren. Alhoewel de meeste stukken van lettertekens waren voorzien, was daarbij van een systematische ordening niets te bespeuren, daar de nummering los van de aard en de inhoud der stukken bleek te staan, en vermoedelijk alleen berustte op de volgorde, waarin de stukken de persoon, die de lettertekens geplaatst had, door de vingers waren gegaan. Ik heb er dan ook verder geen aandacht aan besteed.
Bij de ordening van het archief is dit in vier hoofdafdelingen gesplitst. De eerste afdeling omvat de stukken, welke de betrekkingen der heren van Altena tot het leenheerlijke, zomede het landsheerlijk gezag raken, met dien verstande dat de leenbrieven, daterende van na het tijdstip, waarop de leenheerschappij over Altena definitief aan de graven van Holland was gekomen, Onder de persoonlijke stukken, die de derde afdeling vormen, zijn geplaatst. De beide overige afdelingen spreken voor zich zelve; alleen diant er op gewezen te worden, dat de leenregisters van Altena voorlopig in het archief der Leenkamer zijn gelaten.
Behalve de reeds genoemde bescheiden, werd in de Altena'se charterverzameling een aantal stukken aangetroffen van onzekere herkomst, benevens enige charters, die naderhand bij de collectie waren gevoegd zonder dat van enige samenhang met de overige stukken sprake kon zijn. Terwijl laatstgenoemde stukken afzonderlijk werden gehouden, zijn de eerstgenoemde bij het archief der heren van Altena gelaten, en in een aanhangsel tot de inventaris beschreven, evenels enkele stukken betrekking hebbende op het graafschap Horne en de heerlijkheid Ghoor, die vermoedelijk bij vergissing tussen de Altena'se charters waren geraakt.