Tweede Wereldoorlog: (Dwang) Arbeid

Bent u op zoek naar informatie over dwangarbeid (Arbeitseinsatz)? Gebruik dan deze zoekhulp.

Alles uitklappen

De term arbeidsinzet in deze zoekhulp wordt gebruikt voor personen die gedwongen werden om in de Tweede Wereldoorlog voor de Duitsers te werken, niet voor degenen die vrijwillig voor de Duitsers werkten. In het Nationaal Archief zijn archieven met stukken over de arbeidsinzet te vinden. Meestal zijn dit beleidsstukken met het accent op maatregelen en verordeningen die de Duitse bezetter uitvaardigde.
De registratie van dwangarbeiders werd tijdens de Duitse bezetting uitgevoerd door de gewestelijke arbeidsbureaus in Nederland. De archieven van deze bureaus zijn, indien bewaard gebleven, doorgaans overgebracht naar een gemeente-, een regionaal of provinciaal archief. Informatie over een individuele dwangarbeider is dus mogelijk op te vragen bij het desbetreffende lokale archief.
Dwangarbeiders moesten zich tijdens de oorlog verplicht aansluiten bij een Duits ziekenfonds, de zogeheten Krankenkasse. In het oorlogsarchief van het Nederlandse Rode Kruis, bevinden zich (helaas incompleet bewaard gebleven) documenten met betrekking tot deze Krankenkasse, waarin dus mogelijk persoonlijke gegevens van individuele arbeiders zijn te vinden. Er zijn maar van enkele honderden personen (summiere) gegevens in deze stukken terug te vinden. Gezien de honderdduizenden personen die dwangarbeid verrichten is de kans klein dat u informatie vindt over de door u gezochte persoon. 

Door de toenemende behoefte van de Duitse oorlogseconomie aan arbeidskrachten benoemde Hitler eind maart 1942 Fritz Sauckel tot `Generalbevollmächtigter für den Arbeitseinsatz’. Hij moest ervoor zorgen dat het arbeiderstekort in Duitsland zou worden opgelost. Sauckel wees F. Schmidt als zijn vertegenwoordiger in Nederland aan: vanaf begin april 1942 ressorteerde alles wat met de arbeidsinzet van Nederlandse arbeiders te maken had onder Schmidts ‘Generalkommissariat zur besonderen Verwendung’. Hierdoor kreeg Schmidt een ambivalente positie. Als vertegenwoordiger van Sauckel moest hij ernaar streven om zoveel mogelijk Nederlandse arbeiders naar Duitsland te sturen. Schmidt was echter ook de naaste politieke adviseur van Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart. Deze laatste wilde de rust in bezet Nederland zo min mogelijk verstoren.

In de periode zomer 1940 tot lente 1942 waren het hoofdzakelijk Nederlandse werklozen die gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken. Aanvankelijk probeerde de Duitse bezetter met propaganda en wervingsacties personeel te werven voor arbeid in Duitsland en Nederland. Wat  Nederlandse werklozen betrof, wilde de bezetter aansluiten bij de praktijk die tot de herfst van 1939 bestond. Toen moest werk in Duitsland door werklozen uit de grensstreek aanvaard worden anders verloren ze steun of werkloosheidsuitkering. Het College van Secretarissen-Generaal steunde de bezetter hierin. Na de capitulatie begon het aantal werklozen namelijk snel te stijgen. Werklozen stonden niet bepaald te springen om in Duitsland te gaan werken. Daarom liet A.L. Scholtens, de secretaris-generaal van het departement van Sociale Zaken, in een circulaire van 25 juni 1940 aan gemeentebesturen weten dat arbeid in Duitsland weer als passend werk gezien werd. Dit hield in dat een werkloze die arbeid in Duitsland weigerde, voortaan geen steun of uitkering meer zou krijgen.

Eind februari 1941 verscheen er een verordening van Seyss-Inquart (nummer 42/41), waarbij Nederlanders door de gewestelijke arbeidsbureaus verplicht konden worden binnen het bezette Nederlandse gebied voor een bepaalde tijd op een hun aangewezen plaats diensten te verrichten.

Na de capitulatie waren alle Nederlandse militairen door Hitler uit krijgsgevangenschap ontslagen. De bezetter was in 1942 echter bang dat deze vrijgelaten Nederlandse krijgsgevangenen bij een geallieerde aanval de geallieerden zouden steunen. Om dit te voorkomen wilde de Wehrmachtbefehlhaber in Nederland, F.C. Christiansen, de Nederlandse beroepsonderofficieren (de beroepsofficieren waren al op 15 mei 1942 opnieuw krijgsgevangen genomen) weer terugvoeren in krijgsgevangenschap. Heinrich Himmler ging hiermee akkoord. Hij ging zelfs verder: met goedkeuring van Hitler gaf hij in februari 1943 de order dat alle 300.000 ex-krijgsgevangenen dienden te worden opgepakt. Bijkomend voordeel voor de Duitsers was dat deze krijgsgevangenen voor de arbeidsinzet konden worden ingezet. De ex-militairen, die in de Nederlandse bewapeningsindustrie werkten, zouden na aanmelding vrijgesteld worden. Anderen zou men bij de bouw van de Atlantikwall in Nederland tewerkstellen. Voor de Arbeitseinsatz bleef dan, zo schatte men, 200.000 man over. Donderdag 29 april 1943 werd de tekst van de proclamatie aan alle dagbladen doorgegeven. Het was de bedoeling dat hij in de avondbladen zou worden opgenomen. De tekst was zo dreigend mogelijk geformuleerd en gaf de indruk dat de bezetter op zeer korte termijn Nederland met één slag wilde beroven van 300.000 jonge mannen. In de steden verspreidde dit bericht zich met bliksemsnelheid. Door het hele land kwam het tot grote spontane stakingen. Deze april/meistakingen zijn door de Duitsers met terreur in enkele dagen neergeslagen.

Tussen 7 mei en medio 1943 werden de ex-militairen per regiment of ander groot onderdeel via de pers opgeroepen zich te komen aanmelden in Amersfoort en later ook in Assen. De reserve-officieren waren in juni aan de beurt. Uiteindelijk zijn er ‘slechts’ ca. 11.000 militairen in een krijgsgevangenkamp beland en niet de 200.000 waar Himmler en Christiansen op rekenden. Het beleid van Fiebig, die zoveel mogelijk mannen wilde behouden voor de oorlogsindustrie in Nederland en de slappe controle door de Wehrmacht, waren schuldig aan dit fiasco. Maar ook het op grote schaal geven van vrijstellingen en het verstrekken van valse ‘Ausweise’ door Nederlandse instanties heeft een belangrijke rol gespeeld.

De tweede groep die na de april/meistakingen door de Duitse bezetter werd aangepakt, waren de studenten. Zij moesten tussen 10 en 13 april 1943 een schriftelijke loyaliteitsverklaring aan de bezetter afleggen. Deze actie is op een mislukking voor de Duitsers uitgelopen. In de tweede helft van april 1943 werden ruim 9000 studenten als groep op intimiderende wijze door Rauter opgeroepen. Hierop meldden zich alsnog 3800 van de 9000 studenten. De 3800 studenten werden naar concentratiekamp Erika te Ommen vervoerd. Van daaruit werden ruim 2900 van hen naar Duitsland getransporteerd. De anderen werden om uiteenlopende redenen in vrijheid gesteld.

Op 7 mei 1943 werd bekendgemaakt dat alle mannen van 18-35 jaar verplicht werden zich te melden bij de arbeidsbureaus. Vrijstelling voor arbeidsinzet zou verleend worden aan mijnwerkers, aan personen die in de landbouw of in bedrijven voor de levensmiddelenvoorziening werkten, en aan alle arbeiders in industriële bedrijven die voor de Duitse oorlogsinspanning van belang waren. Iedereen probeerde zoveel mogelijk deze begrippen op te rekken. Het Reichskommissariat besloot daarop dat het aantal vrijstellingen moest worden ingeperkt. Bepaald werd dat alle mannen, geboren in 1922, 1923 en 1924, vóór 15 augustus naar Duitsland moesten worden gezonden. Vrijstelling zou slechts worden verleend voor de mijnwerkers en voor andere arbeiders die door hun scholing volstrekt onmisbaar waren. Mede door toedoen van de Zentralauftragstelle en de Rüstungsinspektion werden er veel meer vrijstellingen afgegeven dan Seyss-Inquarts bedoeld had.  Deze acties leverden eveneens niet op wat ervan verwacht was.

De administratieve arbeidsinzet via de gewestelijke arbeidsbureaus leverde nauwelijks meer iets op. Daarom greep de Duitse bezetter naar twee nieuwe middelen:

  • Het uitvoeren van grote razzia’s met behulp van militairen van de Wehrmacht.
  • Het uitoefenen van pressie door te dreigen dat een ieder die wegbleef, bij ontdekking zou worden doodgeschoten. Ook werd gedreigd dat, wanneer niet voldoende arbeidskrachten kwamen opdagen, een aantal burgers uit de betreffende gemeente, dat reeds als gijzelaar was opgepakt, zou worden gefusilleerd. Deze methoden zijn afzonderlijk en in combinatie door de bezetter toegepast. De Duitsers hadden in deze periode niet alleen mensen nodig ter vervanging van Duitse arbeidskrachten, maar ook voor het graven van stellingen, waardoor de geallieerde opmars moest worden tegengegaan. De Duitsers gingen over tot straatrazzia’s. Stadswijken of dorpen werden afgezet waarna huis na huis huiszoekingen werden gedaan.

De laatste officiële actie waarbij de Fachberater werd ingeschakeld vond plaats in januari 1945, de zogenaamde Liese-aktion, in het westen van het land. Alle mannen van 17 tot 40 jaar moesten zich melden voor deportatie naar Duitsland. Deze Liese-aktion mislukte.

Naast het Nationaal Archief zijn er meer instellingen in Nederland en daarbuiten die informatie over dwangarbeid hebben. Voor een overzicht van Nederlandse organisaties kunt u terecht op de website www.oorlogsgetroffenen.nl. Daarnaast beheert het Duitse ITS Arolsen ook archieven over  vervolging, dwangarbeid en Holocaust.

Literatuur

• L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, wetenschappelijke editie (Den Haag 1983-1988), vooral de delen 5–8 en 10B. De informatie in deze zoekhulp is voor een belangrijk deel hierop gebaseerd net als op de inleiding van P. Midden in het archief Rijksarbeidsbureau in oorlogstijd (2.15.20).

• B.A. Sijes, De arbeidsinzet, de gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland 1940-1945 (Amsterdam 1990)

Autobiografische werken van ex-dwangarbeiders, te vinden in de Koninklijke Bibliotheek. 

Zie voor meer literatuur, adressen en informatie ook de website documentatiegroep 40-45.

Het documentatiecentrum Dwangarbeid Nederland in de Tweede Wereldoorlog is ondergebracht bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), Herengracht 380, 1016 CJ Amsterdam.