Job bleef op kantoor werken, hij meende, dat hij geen gevaar liep. Hij was toch ook binnen het verzet bezig, maar dat vertelde hij niet aan Moe. Pa werd overgeplaatst naar een andere stad, om daar van nut te zijn in om de radio’s repareren, die gebruikt werden in het leger. Maar Pa was wel eens meer lang van huis. Like moest haar poppenwieg zolang maar bij Ineke brengen, misschien had haar moeder nog wat aan die luiers. Daar was die wel blij mee. De poppenwieg werd zolang op zolder gezet. Daar speelde Ineke ook niet meer mee. Maar Moeder en Ineke huilden, toen ze afscheid kwam nemen. Dat verbaasde Like. “Maar ik kom wel weer terug, hoor.” zei ze. Like was in de veronderstelling, dat ze na een paar maanden wel terug zou zijn. Job bleef immers thuis. Moe zei nog, we gaan zolang naar Drenthe. Daar woont nog familie van mij. Tante Trui ging ook weg. Ze had een zoon verloren op zee. Hij was met een Marineschip omgekomen. Haar andere zoon bleef, net als Job, thuis wonen, omdat hij bij de posterijen werkte. Zij nam Truitje mee, en diens getrouwde zuster, die net een baby had gekregen. Haar man was naar het front gestuurd, en tante Trui wilde haar niet alleen in hun kleine huisje alleen laten, nu haar man er niet was. Zij wilden naar de familie van Tante Trui gaan. Jammer, nu konden Like en Truitje niet meer samen naar het meisjeskoor. Like kreeg op een dag in oktober allemaal kleren over elkaar aan. Moe kon maar een koffer dragen. Het kan in het Noorden wel erg koud zijn, had ze gezegd. Dus had Like twee hemdjes en twee broekjes aan, de lange broek erover, haar Meeuwkes uniform aan, het rokje had Moe in de koffer, twee paar sportkousen, en haar zwarte schoenen, ook van het uniform. De uniformen waren zelf aangeschaft, dus dat was eigendom van Like. Een dik jack er overheen en Like kon zich haast niet bewegen, ze voelde zich net een rolmops. Like moest ook een koffertje dragen met hemdjes broekjes en pyjama’s. Toen ze weg gingen was er niemand meer in huis. Moe gooide de sleutel door de brievenbus. Gea was verleden week weggegaan, Ton al gisteren, Job was naar kantoor en Pa was ook al weg. Moe had dat zo geregeld, want ze wilde geen huilpartijen! “Nou, dan gaan we maar,” zei Moe, “Hopelijk duurt het niet zo erg lang, zei ze hoopvol. Het zou drie jaren duren en ze kwamen nooit meer in hun eigen huis terug, maar dat wisten ze toen nog niet. Er was van Moe een vriendin op het station, met een schoolvriendje van Like vroeger, hij was een jaar ouder dan Like. Tante Ans noemde Like haar altijd. En nog een vriendin, Trees, die had een dochter, net zo oud als zus Gea, maar die had een dochtertje van twee jaar. Like had wel met haar gespeeld, als ze bij hen op visite kwam voor Moe met tante Trees mee, omdat haar moeder moest werken. Het zoontje van Tante Ans zou naar een jongenskostschool gaan. Met de vriendin en van Moe kwamen ze in een acht persoonscoupe. Eerst was de reis nog vrolijk, want tante Trees kwebbelde er lustig op los en tante Ans maakte altijd grappen. Ook nu weer: “ze sturen ons vast regelrecht naar Siberië, mens, wat heb je dat kind dik aangekleed” Moe probeerde nog naar tante Ans te seinen, dat ze er niet verder op door moest gaan. Like wist immers nog van niets. De reis was begonnen. Het werd al vroeg donker in de coupe. Een klein pitje brandde in de coupe, maar de rolgordijnen moesten dicht, er mocht geen kiertje licht doorheen komen. Opeens kwam het eentonig gezoem van vliegtuigen over de trein, Like was net in slaap gedommeld, ze kon niet naar buiten kijken of ze al bij Zwolle waren. Daar zouden zij en Moe toch moeten overstappen. Like schrok zo vreselijk, toen er op de trein geschoten werd, en ze er wakker van werd. Ze gilde het uit van angst. Moe kwam gauw naast haar zitten en legde haar arm om Like heen. “Stil maar”, zei ze. De trein stond stil. “Waar zijn we?” vroeg Like. “We zijn vlak bij de grens” zei Moe, “we gaan naar Duitsland.” Daar is het veiliger voor ons. Daarom werd er geschoten, bij de grens zijn ze bang voor vijanden, daarom vloog dat vliegtuig laag over.” Ze moesten allemaal uitstappen. Soldaten liepen langs de rails. Ze fluisterden, niemand mocht praten. Ze moesten langs de spoorbaan in het gras gaan zitten. Even later waren de vliegtuigen weer verdwenen. De soldaten kwamen weer langs. Iedereen moest vlug weer in de coupes stappen. Ze waren vlak bij Deventer. Nog drie maal moest de trein stoppen totdat ze de Duitse grens over waren. Het begon al een beetje licht te worden. Op het eerste grote station moest er een nieuwe locomotief voor de trein komen. Ze kregen in elke coupe een pakje brood en een beker slappe thee per persoon. Like brandde haar vingers omdat de thee over het bekertje ging. De trein bracht hen dieper Duitsland in. Eindelijk waren ze in Lüneburg aangekomen. Daar moesten ze uitstappen. Ze werden in groepen ingedeeld Moe met Like en Ans moesten naar Dahlenburg. Trees met dochter en kleinkind, kwam in een ander groepje. Tante Trui met Lotte, Truitje en de baby zaten in een andere groep, ze hadden elkaar helemaal niet gezien in de trein. Met een boemelspoortje ging het met heel veel vreemde mensen enkele kilometers door de Lüneburgerheide naar Dahlenburg. Tegen vijven kwamen ze aan op het station, dat 1km van het dorp verwijderd was. Daar stonden legertrucks klaar, waarmee ze naar het dorp werden gebracht. Ze kwamen bij een schoolgebouw, waar in een gymnastieklokaal tafels op schragen waren neergezet met banken ervoor. Ze kregen soep met een boterham en hoorden in welk lokaal ze moesten slapen. Die waren in drie klassen verdeeld, de midden standers, de arbeidersklasse en de Elite. Als ze hun namen hoorden noemen, moesten ze naar het lokaal, dat hen aangewezen werd. Moe kwam met Like in de middenstandersklas. Daar stonden stapelbedden De koffers moesten onder het bed. In de gang waren de wc’s en een wastafeltje. Op de bedden lagen molton dekens en stromatrassen. In jute zakken moest stro gedaan worden voor de kussens. Ze waren allemaal erg moe van de reis. Er waren 10 personen op een zaal. Iedereen zocht een bed, legde er twee koffers onder. De lampen moesten om 11 uur uit. Maar daar had men geen bezwaar tegen. Ze gingen meteen naar bed. De volgende morgen werd er Duits rond brood in plakken gesneden, neergezet op tafels in de zalen, met een pot thee en melk voor de kinderen. Veel boter was er niet, dus werden ze dun besmeerd en een klein likje jam erop. Like was het anders gewend geweest als ze van Kinderhulp bij mensen ondergebracht waren. Zij had gedacht, dat ze bij gezinnen ondergebracht zouden worden. Na het ontbijt werden alle kinderen verzameld om naar een ander schoolgebouw gebracht te worden. Daar waren Belgische vluchtelingen ondergebracht. Daar was een jeugdleidster beschikbaar, die de kinderen bezig moest houden. Ze begon met voorlezen en toen de kinderen ongedurig waren, ging ze liedjes met ze zingen. Daar vonden de kinderen niks aan. Ieder kind mocht een spelletje bedenken, maar met jongens en meisjes door elkaar kwam er geen leuk spel in gedachten. ‘s middags waren de kinderen vrij. De grote mensen hadden de zalen weer opgeruimd en geveegd in die tussentijd. Om 1 uur werd er een wasketel vol warm eten binnen gebracht. Deze keer koolraap met spek en aardappelpuree erdoorheen. Het was erg kledderig. In het dorp was een centrale keuken, waar voor beide gebouwen gekookt moest worden. Een Hollandse Marie kookte daar het eten. Ze had lekkere aardappels geschild, de koolraapjes goed gaar gekookt en het spek gebraden. Ze dacht dat het in drie partijen zou worden opgediend, het zag er smakelijk uit. Daar komt de führerin naar binnen, gooit alles door elkaar in grote wasketels, plenst er een emmer water door zodat het wel soep leek. “Zo kon er twee dagen van gegeten worden,” zei ze. Marie kon wel huilen, haar kostelijke maal, verknoeid. Geen wonder dat er bij de kinderen algauw dysenterie uitbrak. Like was een van de eerste slachtoffers. Ze moest ‘havermout inn wasser gekocht’ eten. Dat was havermout in water gekookt. De wijkzuster had dat gezegd, want als er iemand ziek was, ze dan gewaarschuwd moest worden. Like sliep in h het bovenbed en was nogal een woelwater, zodat. Moe al het stof van de stromatrassen in haar gezicht kreeg. Tot Moe haar verrassing, kwam ook Trees, met haar kleindochtertje Trudie bij hen in de groep. Ze was in een naburig dorp ondergebracht, maar had weten gedaan te krijgen, dat ze bij Moe en tante Ans mocht komen, omdat ze daar verder niemand gekend had. Haar dochter kon werk krijgen bij de Wehrmacht. En Like kon wel met Trudie optrekken, dacht ze. Maar daar stak Moe een stokje voor, Like is geen kleuteroppas, vond ze. Like vond het wel jammer, maar ze was zelf nog teveel kind, dat ze toch liever met de andere kinderen buiten op straat speelde. Moe zei tegen tante Trees, dat ze wel in de bedden van haar en Like kon slapen. Dan nam zij wel de twee bedden in het midden die naast elkaar stonden. Moe had van haar uniformrok de bretels afgehaald en de zoom eruit gehaald, want Like kreeg zulke lange benen. Van de mooie rode trui haalde ze de witte angora sterren af, dan zat die ook wat ruimer. Van de jongens had ze de kniekousen meegenomen, die paste Like nu goed en van truien, had Moe onderbroeken gemaakt, dat was lekker warm onder de rok, vond ze. Broer Ton kwam op bezoek. Like mocht blijven wachten op hem. De kinderen waren ingezet om aardappels te rooien en Like had ook mee moeten gaan, maar Moe vond dat Ton nu voorging. Dahlenburg was een agrarisch dorp, er was veel landbouw. Like wist nog, dat ze in Ochsenbach dat werk al niet zo leuk vond, dus was allang blij, dat ze niet mee hoefde. Ton vertelde, dat hij met vrachtwagens naar de Rode Kruis tenten moest rijden, maar Moe vermoedde, dat hij toch ook wel naar het front moest, en daar vond ze hem nog veel te jong voor. Het Rode Kruis was echter wel bij het front, maar dat vertelde Ton maar niet. Hij was gestationeerd bij Hannover, waar veel slachtoffers waren van. Bombardementen, door de Engelsen. Zelfs in Dahlenburg waren de ontploffingen wel te horen. Ton kon makkelijk in een dag naar Hannover rijden. Hij moest vanavond zijn makkers ophalen, die ook hun familie konden bezoeken, in de andere dorpjes in de buurt. Ze wandelden over landweggetjes even buiten Dahlenburg toen Ton dat allemaal vertelde. Hij kende Marie, de kokkin, die ook bij hen als kok gewerkt had, maar overgeplaatst was naar de vluchtelingen verblijven in Dahlenburg. Natuurlijk vroeg Moe, of ze ook aan het front gewerkt had, maar Ton gaf haar een seintje, schudde met zijn hoofd ‘nee’ achter Moe om. Marie vroeg Ton naar zijn kameraden, die ze ook goed gekend had, ze miste ze wel, maar ze was wel blij, nu in dit rustige dorp te zijn. Dat begreep Ton opperbest. Maar hij zou toch weer terug moeten. Jongens van 16 jaar waren allang geronseld voor de Wehrmacht. De meeste NSB jongens gingen zelfs al vrijwillig. Zij wilden strijden voor het recht van de Nederlandse samenleving, die hen geen kans op werk gunden. Vaak waren er ook jongens gedwongen om in de loopgraven te werken. Ton had het zich heel anders voorgesteld, dat ze bijvoorbeeld hadden mogen werken in hun zelf gekozen baan. Maar het was allemaal veel beter voorgesteld, dan de werkelijkheid was, dat kon Moe ook beamen. Zij had ook niet gedacht in een vluchtelingenkamp te moeten verblijven. Ton was niet de enige, die er ingetuind was. Tante Ans haar zoontje zou op een kostschool geplaatst worden. Ze had een brief gekregen van hem, dat ze daar een opleiding kregen voor het leger en als ze 16 jaar waren, moesten ze naar het front. De lessen waren hard met vechtsporten. Als je daar niet tegen kon, dan moest je zelf maar zien, hoe je daar doorheen kwam. Hij was nog maar 14 jaar, dus hoefde nog niet naar het front, wat een gelukje was. Joop wilde liever naar zijn Moeder in Dahlenburg. Kon ze hem niet komen halen? Dat wilde tante Ans meteen, maar ze mocht er niet heen. Ze probeerde het bij de führerin, bij de burgermeester en bij de Wijkzuster, iedereen probeerde haar te helpen en beloofden alles te doen om haar kind weer bij zich terug te krijgen, maar het zou wel even duren voor hij bij haar kon komen. Er was niet veel meer over van de altijd goedlachse tante Ans. Ze lag maar op haar bed en sprak geen woord meer en ze at en dronk haast niets. Ze werd zo mager als een lat, hoewel de anderen ook niet veel vet meer hadden. Er kwam weer een dag, dat de kinderen moesten helpen op het land. De bieten moesten gerooid worden. Dit keer moest Like er ook aan geloven. Ze was ook van plan om mee te gaan, maar ze werd die morgen wakker met een verschrikkelijke hoofdpijn en kon haar hoofd niet bewegen van de pijn. Natuurlijk geloofden de andere kinderen er niets van, maar Moe liet wijselijk de wijkzuster komen, die Like onmiddellijk in een apart kamertje liet brengen, gedragen door Marie, omdat ze te ziek was, om te lopen. Het was het kantoortje van de bovenmeester van de school, maar de school was in beslag genomen voor het onderbrengen van de vluchtelingen. Men had gedacht de mensen onder te kunnen brengen bij de dorpsbewoners, dus dat het maar een tijdelijke maatregel zou zijn, maar de bewoners waren er op tegen geweest en weigerden om mensen in huis te nemen. Na drie dagen was Like weer op zaal. Ze had hoge koorts gehad, maar die was nu wel over. Inmiddels hadden de vrouwen wel in de gaten, dat de stromatrassen ook andere bewoners herbergden. Het was een gekriebel en gekrab van jewelste. ’s Morgens werden de dekens achter het gymlokaal geklopt, dat het een lieve lust was. Ze hielpen elkaar er bij, omdat het alleen te zwaar was om goed uit te kloppen. Het werd al koud. Je kon merken dat de noordenwind over het land joeg, vaak met regen of storm gepaard. Langs de landwegen stonde veel boomgaarden. Veel van het fruit kwam door de wind op de weg terecht. Moe was er als de kippen bij. Ze leende een grote teil bij Marie in de keuken en ging met Like fruit organiseren. Like vroeg zich ongerust af of dit geen stelen was, maar Moe zei, dat wat op de weg lag voor de arme mensen was. Wat in de bermen lag, mocht geoogst worden. Dat was in de Bijbel al zo toen Ruth bij Boaz op het veld het overgebleven koren mocht meenemen. Ruth was toen ook een vreemdelinge, al hoorde ze dan bij Naomi, maar dat wist Boaz eerst niet. Toen hij dat hoorde, mocht ze op het land komen werken. Like kende dit verhaal wel van de zondagschool. Ze hadden de teil gauw vol, maar hadden een behoorlijk stuk terug te sjouwen. Dat was zwaar. Like hield het handvat van de teil aan de ene kant vast en Moe aan de andere kant. Ze liepen een stukje en zetten de zware teil weer neer. Ze aten elk een appel om even uit te rusten. Dat hielp, voor even. Zo tobben ze verder, niet van plan, om iets van hun oogst terug te gooien. De hele zaal wilde Moe ervan mee laten genieten. Ze waren er immers op elkaar aangewezen. Like voelde zich stiekem een klein beetje heilig door. Zij en Moe hadden dat gesjouw toch maar geklaard, vond ze, toen ze eindelijk de school binnenstapten. De kinderen van de andere kamers kwamen als vliegen op de stroop erop af en kaapten vlug een appel uit de teil, maar Moe joeg hen weg: “Jullie kunnen zelf op pad gaan,” zei ze hardvochtig. “Anders blijft er niets over voor onze eigen zaal.” Ze liepen zo goed en kwaad als het kon naar binnen, leder kon een appel nemen, de voorraad slonk snel. “Ho-ho” zei Moe, als ze een volgende appel wilde nemen, morgen weer een, dan hebben we voor een paar dagen genoeg. Maar toen ze gingen slapen, hoorde ze steeds iemand naar de teil sluipen, die ze bij de tafel had laten staan. Zuchtend stapte ze met veel lawaai uit bed, sleepte de teil onder haar bed. Dat je elkaar niet eens meer kon vertrouwen, vond ze wel heel erg. Als ze de appels voor zichzelf had willen houden kon ze het wel begrijpen, maar ze had toch gezegd, dat ze morgen weer zouden krijgen? De volgende morgen was de voorraad behoorlijk geslonken. Maar tante Trees zei brutaalweg, dat ze uit voorzorg wat appels wilde bewaren voor haar kleinkind, die het toch het hardste nodig had en dat zij dat als haar vriendin toch wel mocht doen. “Stiekem in de nacht?” vroeg Moe toen. “De anderen haalden er ook wat uit,” zei tante toen. Moe zei: “je had het toch moeten vragen!” Moe legde toen maar gauw wat appels in de koffer voor de volgende dagen. Het was eens, maar nooit weer, nam ze zich voor. Je moest wel hard zijn. De pret was gauw over. Als ze iemand ‘s avonds in bed hoorde knabbelen, kreeg ze haast de neiging, om te vragen of het lekker smaakte, maar ze hield wijselijk haar mond. Marie had nog een pan of twee kunnen "organiseren" en ze kookte er appelmoes van die kregen ze op zondag, als feestmaaltijd. Maar zuur dat het was. Er was immers geen suiker! Like vond de gekookte melk bij het zure brood niet lekker. Er kwam altijd een vel op. Maar ze snapte niet hoe de grote mensen de thee naar binnen kregen. Zij vond het gekookt water met een kleurtje, toen ze van Moe eens mocht proeven. De kinderen moesten nu ‘s morgens naar Kindergarten. Daar deden ze spelletjes, leerden de Duitse taal spreken en Duitse liedjes zingen. Soms kwam er wel eens een Hollands krantje voor de evacués met de groeten van Mussert, de NSB leider. Op een keer stond er in de brief, dat de kinderen niet verduitst moesten worden met die Duitse liedjes, ze moesten hun eigen taal niet vergeten. Dat hadden de kinderen goed onthouden, toen ze de ouderen er over hoorden praten. Toen de Kindergärtnerin, de jeugdleidster, weer een nieuw Duits liedje aan hen wilde leren, hielden de kinderen hun mond stijf dicht. De leidster haalde er de führerin erbij, die onmiddellijk Marie liet komen. Deze maakte zich erg kwaad en maakte er meteen een einde aan. "Willen jullie naar de kinderkampen gestuurd worden,” brieste ze, “Jullie hebben het hier nog goed getroffen hoor, er zijn kinderen in andere dorpen die niet eens naar buiten mogen, zonder hun Moeders en een jeugdleidster hebben ze al helemaal niet, die is aangesteld om met jullie leuke dingen te doen.” De kinderen zwegen bedremmeld, bang voor die boze Marie, die anders altijd een grapje voor hen had, als ze langs de centrale keuken kwamen en dan bedelden, wat er ‘s avonds voor eten was. ‘Mondsteeksel en buikvulling’ was dan steevast het antwoord. De kinderen moesten allemaal hun excuus aanbieden aan de Kindergärtnerin. De moeders waren ook boos op hun kroost, omdat ze bang waren voor minder prettige maatregelen. Tante Ans, die alweer beter was, vertelde hoe haar jongen in de Duitse kostschool behandeld werd. De kinderen schrokken hiervan. Nee, daar wilden ze liever niet terecht komen. Op een dag was Moe ziek. De wijkzuster constateerde difterie. Moe moest meteen naar het ziekenhuis in Lüneburg gebracht worden met een ambulance, want ze had hoge koorts. De zuster keek ook nog even in de keel van Like, want die lag immers naast Moe in bed. Like had ook al keelpijn, maar nog geen koorts. Ze stuurde Like ook mee, omdat die ontstoken amandelen had. Like was blij, dat ze niet alleen achter hoefde te blijven. Ze dacht, dat ze bij Moe in de ziekenzaal zou komen. Moe kwam echter in een tweepersoons kamer bij nog een difteriepatiënt. Like moest mee met een zuster. Moe was te ziek om te vragen, waar Like heen ging. Like kwam buiten, waar ze mocht kijken, achter welk raam Moe lag. Moe zwaaide vanuit haar bed naar haar. Wel drie hoog, telde Like. Like werd lopend een paar straten verder gebracht door de verpleegster. Het was vast niet ver weg, omdat ze lopen moesten, maar het leek Like een heel eind bij haar Moeder vandaan. Ze lette wel goed op hoe ze liepen. Ze moest toch weten, hoe ze Moe weer terug moest vinden. Like werd naar een noodhospitaal gebracht. Hier lagen de Nederlandse patiënten, die al aan de betere hand waren, maar nog niet weg mochten. Er heerste een ware difterie epidemie onder de kampbewoners van de Nederlandse evacués. Like werd ter observatie naar een zaal gebracht. Ze moest haar pyjama aandoen, die Moe voor haar had ingepakt in een tas. Er lag ook nog een jongetje op zaal, van een jaar of acht. Zijn hele hoofd zat in verband gewikkeld. Dat vond Like een eng gezicht. Alleen zijn gezichtje was vrij. Hij sliep veel. Like moest ook in bed blijven, om besmetting te voorkomen Wel mocht ze zelf naar de WC op de gang. Maar wassen moest ze zich op bed met een kom water. Elke dag werd drie keer haar keel ingesmeerd met jodium watten. Dat smaakte heel bitter. Ze spuugde het ook zo gauw mogelijk weer uit in de WC zodra de zuster weg was. De andere patiënten waren vrouwen. ‘s Avonds vertelden ze een verhaal voor het zieke jongetje. Er hing een sprookjesplaat aan de muur van vrouw Holle. Dat sprookje werd dan aan hem verteld, Like luisterde mee, want zij kende dat verhaal ook niet. Als het jochie sliep, kwamen de moppen aan de beurt, en niet van ‘Samen Moos’, maar … Oh ... ook slechte moppen, van vies doen, zoals Like het noemde. Ze vond het slechte mensen, die over zulke dingen spraken. Ze hoorde de moppen wel al begreep ze niet alles, maar stopte haar hoofd diep onder de dekens, alsof ze sliep. Ze praatten over die dingen, die de kapitein toen met Like had willen doen. De tranen sprongen Like dan in de ogen, omdat ze alles dan weer opnieuw beleefde. ‘s Nachts kreeg ze er nachtmerries van en lag dan te gillen in haar slaap. De dokter vroeg dan de volgende morgen waar ze zo van gedroomd had, maar Like hield haar mond stijf dicht. Ze keek wel uit, omdat erge aan die vreemde man te vertellen. “Weet je niet meer, waar je over droomt,” vroeg hij. Like schudde maar gauw van nee! De Dokter was uit België en hier aangesteld voor de evacués. Zo kon elke patiënt hem goed verstaan. De dames op de zaal merkten wel, dat Like zo stug tegen hen deed. Ze letten ‘s avonds op haar, en toen ze haar eens hoorde snikken, vroegen ze haar wat er was. Like durfde het niet te vertellen. “Vind je de sprookjes niet mooi?” vroegen ze haar. ”Jawel,” knikte Like aarzelend. “O, maar wat daarna komt, heb je dat dan gehoord?” “Ja,” knikte Like. “Dat is ook niet netjes van ons” vond er een. "We bedoelen er toch niets mee” weerlegde een ander. Maar voortaan bleven de vieze praatjes weg. Al wilden ze ook wel eens lachen en verzonnen dan allerlei gekke verhalen Ze hadden wel gezien dat Like haar handen vouwde en haar ogen dicht deed, zelfs een paar maal per dag. Ze begrepen, dat ze dan aan het bidden was. Dat deed ze voor en na het eten en ‘s avonds voor het slapen gaan en ‘s morgens voor het wassen. Moe had haar op het hart gedrukt, dat nooit te vergeten, waar ze ook was. En al waren het alleen de aangeleerde gebedjes, die ze zei; ze moest er niet aandenken, omdat één keer te vergeten. Ze voelde zich dan niet zo eenzaam. Tot haar ontsteltenis voelde ze zich opeens ziek. Ze had buikpijn en diarree. Ze moest op een bepaalde WC voor buikloop patiënten. De zuster merkte, dat ze ziek was, omdat ze bij het temperaturen koorts bleek te hebben. Op een dag hoorde Like van de dokter, dat haar tonsillen er eigenlijk uitgehaald moesten worden, maar dat ze niet konden doen, omdat ze niet sterk genoeg was en aardig ondervoedt in het hospitaal was aan gekomen. De rust had haar aardig goedgedaan en ze at nu weer goed. Dat kwam omdat Like het eten nu wel lekker vond, beter dan in het kamp. Ze had nu veertien dagen in het hospitaal gelegen en kon nu wel weer naar Dahlenburg terug. Haar Moeder was nog niet beter, maar die zou later terug komen. Toen de dokter weg was, kleedde Like zich aan. “Wat ga je doen” vroegen de dames haar. “Naar Moe toe” zei Like. Ze moest toch geld hebben voor de treinreis. Ze durfde best alleen. Ze was met Moe al een paar keer naar Lüneburg geweest met de trein om wat kleren voor Like te kopen, ze groeide overal uit. Ze had ook een mooi poesiealbum voor Ineke, haar vriendinnetje in Nederland mogen kopen. En papier en een potlood, om Ineke een keer een brief te mogen schrijven. Daarom wist Like wel de weg naar Dahlenburg. Maar naar het ziekenhuis waar Moe lag leek wat moeilijker. Ze wist wel, dat het een rechte weg was naar het ziekenhuis terug. Ze stapte het noodhospitaal uit en liep in de richting, die ze met de zuster uit het ziekenhuis had gelopen. Maar toch vroeg Like bij elke zijweg, hoe ze moest lopen naar “Dass Grosse Krankenhauss?” Wat leek Like die weg toch lang. Ze vergat, dat ze veertien dagen in bed had gelegen en daar best nog wel slap van kon zijn. Ze wist nog maar een ding, ze moest naar Moe toe! Toen ze dan eindelijk bij het ziekenhuis was aangeland, liep ze erom heen tot ze aan de achter kant het raamweer zag, waar Moe moest zijn Ze wist niet beter, dan maar te roepen: “Moehoe!” en na een tijdje ging het raam open en keek Moe uit het raam. “Kom boven,” riep Moe. “Ik weet de deur niet,” riep Like. “Er komt een zuster beneden om je te halen” riep Moe. Like liep om het ziekenhuis heen tot ze een deur vond. Ze liep naar binnen. Een zuster stond haar al op te wachten en bracht haar naar boven. “Hoe ben je hier gekomen?” vroeg Moe. Like vertelde, dat de dokter gezegd had, dat ze terug moest naar Dahlenburg en dat ze geld kwam halen voor de trein. “Kun je de weg wel vinden naar het station?'' vroeg Moe. “Ja hoor, overal staan borden met Bahnhof erop en anders vraag ik het wel, dat heb ik nu ook gedaan, maar ik moet mijn tas nog halen in het hospitaal” zei Like stoer. Ze was toch ook hier in haar eentje gekomen, al klopte haar hart wel een slagje sneller. Ze was eigenlijk te moe om nog verder te lopen, maar ze moest weer terug. Daar dacht ze verder niet over na. “Volg de borden maar liever, in plaats van te vragen” vond Moe, “en vraag de Führerin of ze naar het ziekenhuis belt om te zeggen dat je goed bent aangekomen.” Like liep de lange weg weer terug naar het hospitaal. Ze herkende de weg nu beter, die ze gelopen had met de zuster. Ze kwam op de zaal terug om haar pyjama in te pakken in haar tas. De dames riepen opgelucht: "Gelukkig, je bent weer terug! “Hu” zei Like, “ik was alleen naar mijn Moeder om geld te halen voor de trein!” Waar bemoeiden die mensen zich mee, dacht Like. Haar tas was toch nog hier, ze zocht haar tandenborstel en kam en tandpasta bij elkaar en propte alles bij de pyjama. Een zuster kwam haar halen. Ze moest bij de directrice komen. Like had die mevrouw nog nooit gezien. Ze kreeg, een standje, omdat ze zo maar was weggelopen. De tranen prikten Like achter de ogen. "Niet huilen” zou Moe zeggen, "niet laten zien, dat je bang bent.” Ze kneep haar lippen stijf op elkaar. Moesten ze ook niet zeggen, dat ze weg moest, dacht ze. Ze kreeg toch nog een bord met warm eten, omdat ze die om twaalf uur was misgelopen. Daar knapte Like wat van op. Ze vroeg de zuster, of ze nu weg mocht. Ze kreeg een lijstje mee hoe laat de trein ging en op welk perron ze moest zijn en of ze de weg naar het station wel kon vinden. “Ja, ja”, knikte Like. De zuster wees bij de deur nog even welke kant ze op moest gaan. Like keek scherp om zich heen of ze al wegwijzers zag staan. Ja, gelukkig, en opgelucht ging ze op pad. Het station lag midden in het centrum, wist ze nog. Door de drukte van het verkeer moest ze goed opletten met oversteken. Eindelijk kwam ze bij de winkelstraten die haar bekend voorkwamen. Toen ze bij een hoek aarzelde, of ze links of rechts moest, vroeg ze aan een mevrouw, de weg naar het station, die haar de goede richting wees. Aan het Loket kocht ze een kaartje, liep naar perron twee. Er stond gelukkig nog een trein klaar. Voor ze instapte, vroeg ze nog aan een man met een spoorwegpet op, of deze trein naar Dahlenburg ging. Dat was het geval, en al spoedig vertrok de trein. In Dahlenburg stapte ze uit. Ze herkende het station nog. Nu moest ze nog een kilometer of twee lopen voor ze bij het dorp zou uitkomen, wist ze nog. De weg ging door de weilanden en bouwlanden. Het was mooi weer en Like genoot van de mooie wandeling. Ze keek om zich heen. Opeens werd haar rust wreed verstoord. Er kwam een gevechtsvliegtuig aangesuisd, recht op haar af, leek het wel. Gelukkig zag ze een greppel langs de weg. Ze vloog erin. Ze beefde van schrik. Ze had wel geleerd, dat je in een greppelmoest gaan, zodra je een vliegtuig hoorde, maar deze kwam zo plotseling uit de lucht vallen, Like was er helemaal niet op bedacht. Twee, drie keer kwam er een vliegtuig overvliegen, vlak boven het weiland, Like wist niet of het steeds dezelfde was, ze durfde niet te kijken. Pas na een hele tijd, toen het lang stil was, durfde ze uit de greppel te kruipen. Ze liep vlug door. Ze zag de eerste boerderijen al opdoemen. En ja, daar liep ze gelukkig in het dorp. Even later zag ze de school. De deur stond open en tot haar verbazing kwamen er kinderen uit het lokaal, waar zij zijn moest. Er stond een meneer in de deur, die haar vroeg, wat ze in de school moest. Ik ben Hollander, zei Like maar gauw. De meneer wees haar een ander lokaal, waar ze zijn moest. Gelukkig, daar zag ze tante Ans en tante Trees met haar kleindochtertje. Hier stonden de bedden tenminste nog, Like was al bang, dat ze allemaal waren vertrokken. Tante Trees zei verrast, “Waar kom jij vandaan? Waar is je Moedeer?” Like vertelde, dat Moe nog in het ziekenhuis lag, maar a1 gauw naar het noodhospitaa1 zou worden overgebracht, waar ze zeker nog veertien dagen zou moeten blijven, voor ze terug kon komen. En dat zij daar veertien dagen had gelegen en vanmorgen weer terug moest. Tante Ans vroeg haar hoe ze hier gekomen was. Ze vertelde van haar wandeling door Lüneburg en van haar wandeling door het weiland, maar van haar angst om het vliegtuig vertelde ze maar niet. Ze kreeg een bovenbed aangewezen door Tante Trees, dan kon haar Moeder wel in het onderbed, als die uit het ziekenhuis kwam. Ze waren verhuisd, want in het andere lokaal werd weer school gehouden. Daar mochten ze niet komen en niet door de gangen lopen, als de kinderen van het dorp op school waren. “Vandaar die meneer in de gang" dacht Like. Wat onwennig schoof Like aan tafel voor het avondeten. Ze wachtte tot ze een bord voorgezet kreeg. Maar het eten zag er nog even onappetijtelijk uit, dus nam Like er niet veel van. Ze at met lange tanden. ‘s Avonds werden de kinderen om een uur of acht naar bed gestuurd, dus ging Like zich ook maar uitkleden om naar bed te gaan. Ze was best erg moe na die enerverende dag. Toen ze in bed klom, schrok Tante Trees, kind, wat heb jij een lange benen. Nu ze zo mager was, kwam dat nog beter uit, maar Like was er wel aan gewend, ze was bij de Meeuwkes al de bijnaam toegewezen van Struisvogel. Ze had toen niet geweten, wat dat voor een beest was, maar hij zal vast wellange poten hebben, had ze toen gedacht. Na een week kreeg Like weer zo’n vreselijke jeuk op haar hoofd. Maar ze was niet de enige . Trudie werd elke morgen met de stofkam bewerkt met haar hoofdje boven een krant en een hamer in haar handje om de beestjes die op de krant vielen dood te slaan. “Waar kwam die hamer vandaan?” vroeg Like zich af. Toen tante Trees aanbood, om Like ook te kammen, zag ze zoveel neten op haar haren, dat ze Like naar de kapper stuurde. Het geld schoot ze zo lang wel voor. Bij de kapper, vroeg Like bedeesd, of de kapper het zo kort als een jongenskopje wilde knippen. Toen de kapper haar haren kamde, begreep hij wel waarom, en vroeg Like of ze al bij de wijkzuster was geweest. De wijkzuster wreef haar hoofd in met petroleum, die beesten moesten dood. Nu was ze nooit erg zacht handig, dus deed Like haar hoofd erg pijn. Ze kreeg een kap op, zodat de petroleum goed zijn werk kon doen. Like deed haar hoofddoekje er omheen, zodat het niet zo erg te zien zou zijn. Ze voelde zich nu net een paria, al wist ze niet precies wat dat woord betekende. Op straat kreeg ze door de hevige wind erge hoofdpijn, dus toen ze binnenkwam, ging ze meteen naar bed. Ze voelde zich zo ziek, dat ze niemand antwoord gaf die tegen haar praatte. ‘s Avonds lag ze zo te woelen, wilde geen eten, alleen water. Tante Ans voelde haarpols. Like had koorts, dacht ze. De volgen¬de morgen leek iedereen een slechte nacht gehad te hebben. Like had zo liggen woelen en ijlen. En wat stonk het op de zaal. De wijkzuster werd geroepen, die onmiddellijk de kap van haar hoofd rukte. Like’s hoofd was vuurrood en op sommige plaatsen helemaal rauw. De zuster smeerde haar hoofd in met zinkzalf, wat de pijn verminderde. “Een beetje teveel olie gebruikt,” mompelde ze. “Waar is haar Moeder?” vroeg ze. “Nog in het ziekenhuis,” antwoordde tante Ans. “Ach so!” De wijkzuster pakte een nagelschaartje en knipte de nagels van haar handen zo kort, zodat die ook al begonnen te bloeden. Zo had Like ook nog haar handen in verband, nu had ze nog een week lang zwerende vingers. Gelukkig kwam Moe weer gauw terug, Ze had Like een briefje geschreven, dat ze zou komen, dus of ze het bed voor haar weer wilde k1aar maken. Toen Moe terug was, was het huis zogezegd te klein, zo ging Moe tekeer, toen ze van mevrouw van Noord hoorde, wat er allemaal met Like was gebeurd. Ze was erg geschrokken, dat Like zo ziek was geweest. Dat kind had beter in het hospitaal kunnen blijven, mopperde ze. “Wie laat een kind nou zo aan haar lot over, hadden jullie niet naar haar om kunnen kijken,” zei ze tegen tante Trees, die meteen haar weerwoord klaar had, dat Like toch al dertien jaarwas en toch wel tegen een stootje moest kunnen. Maar Moe zei: “Ze is pas ziek geweest en dan stuur jij haar naar die kenau van een wijkzuster. Stel, dat je ons eens nodig zou hebben voor je kleindochter, dan verwacht je toch ook, dat we ons best doen voor haar. Het bovenbed stond haar ook niet aan. Ze sleepte het met behulp van de enige man in de zaal naar een hoek van de zaal en liet de bedden naast elkaar staan. De meneer Winter, zo heette hij, was ziek en zodoende met vrouwen kinderen meegekomen naar Duitsland. Tegen Like zei Moe, dat ze toch moest leren om wat meer voor zichzelf op te komen. Ja, ja, dat kon Moe nou wel zeggen, maar Like durfde toch geen grote mond te geven tegen tante Trees. Trouwens, als ze ruzie had met de kinderen van de andere zaal, kreeg ze prompt op haar kop van meneer Winter. En dat waren toch ruziemakers, die andere kinderen. Bij hen op de zaal werd nooit ruzie gemaakt onder elkaar, de kinderen waren van heel jong tot Like’s leeftijd allemaal erg leuk met elkaar. Het werd wat kouder. Het was ook al november. Like had het koud in bed, ze moest haar vest maar over haar pyjama aanhouden, vond Moe. De volwassen dochter van meneer Winter werkte als kindermeisje in een huis van rijke mensen. Nu mocht haar vader, als Santa Claus bij dat gezin komen, voor de kleintjes. Like bedacht, dat ze met de kinderen van de rijkere zaal wel een kinderfeestje konden maken. Een volksdansje misschien? Dan vroeg ze een rok van haar moeder en een theedoek of zoiets over hun bloes. Dan waren ze boerinnen en konden de klompendans doen. Ja, maar klompen hadden ze niet, nou, dan doen we de zevensprong en nog andere volksdansjes, ze hadden toch allemaal bij de Meeuwkes wel volksdansen geleerd. De kinderen uit de andere zaal, die als de Arbeidersklas, werd bestempeld, hoorden van de plannen en wilden ook meedoen. Maar nu maakten ze weer ruzie over wie de dansen zou instuderen. Daar vragen we Gerda toch voor, die is jeugdleidster. .Er was een geschreeuw van jewelste en me¬neer Winter moest de vrede weer herstellen. Zo kwam er van een feestje niets terecht. De moeders hadden het toch al niet zien zitten, zo feestelijk vonden ze het niet hier. Marie uit de keuken had van de führerin toestemming om voor deze keer speculaasjes te mogen bakken. Zo hadden ze toch nog een verrassing met 5 december. De kinderen ontdekten al gauw, dat de schoolkinderen in het speelkwartier chocomel kregen en wat er over was, mochten de Hollandse kinderen voor 25 pfennig. Daar stonden ze dan al op te loeren, zodra ze de schoolbel hoorden. Ze gingen niet meer naar kindergarten of school. ‘s Morgens werden de kinderen bezig gehouden met meehelpen de dekens te kloppen, de zaal aanvegen, de borden wassen en de tafels en banken boenen. Er werd nog steeds op vlooien en luizen gejaagd. De oudere mensen voelden zich vies en armelijk in de weinige kleren die ze hadden kunnen meenemen. Het was ‘s nachts koud omdat er ‘s nachts toch enkele bo¬venramen open moesten en de verwarming uit was. Gelukkig had Like ‘s nachts geen problemen meer sinds ze van de lagere school afwas. Bovendien was er dan toch geen drinken meer voor de kinderen in de avond. Wel kreeg Moe het een keer op haar heupen en wilde ze Like eigenhandig eens helemaal goed met zeep schoonboenen . Dat moest echter bij het enige fonteintje in de gang, waar iedereen zich gewassen moest hebben voor 8 uur ‘s morgens, dus stond Moe om 7 uur klaar met zeep en washand. Like vond het niet leuk, maar Moe wilde weten of ze geen schurft had opgelopen, ze krabde zich zo en in de andere zaal, waar nogal veel kinderen sliepen uit grote gezinnen, was het een epidemie. Weliswaar had de wijkzuster er wel een remedie tegen, maar voor die drastische maatregelen was Moe een beetje achterdochtig, gezien de ervaringen van Like, toen die zo ziek was, na die petroleumkap. De meeste mensen sleepten water mee in schalen of emmers om zich achter de opgehangen lakens te kunnen aankleden. En natuurlijk kwamen een paar kinderen de gang op uit de andere zalen. Die vonden het raar, dat ze door haar moeder gewassen werd, maar Li¬ke gaf meteen te kennen, dat zij tenminste niet met schurft rondliep. Nee, maar wel met luis, was het weerwoord. Daar had Like niet van terug, die kinderen waren altijd zo bijdehand en belust op relletjes. Een keer in de week kregen ze warm water om zich te kunnen baden en de kleren daarna te wassen. Iedereen spande dan de lakens tussen de bedden en dan klonk er geplons en gepoets. Men kwam dan tevoorschijn met natte haren en schone kle¬ren en glimmende wangen. De dekens verdwenen dan van de lijn en werden er de natte kleren te drogen gehangen. De ramen werden dan wijd opengezet en iedereen vluchtte in jassen en sjaals naar buiten om de wasem en de kou te ontlopen. Moe ging met Like winkelen. Ze kocht een kralen kraagje om op een truitje te dragen en Like mocht er ook een kopen voor Ineke, haar vriendinnetje in Holland. ‘s Avonds schreef ze enthousiast een briefje erbij met potlood op dun vloeipapier, omdat ze geen papier kon kopen. Ze kregen een brief van Ineke haar moeder terug, dat ze de brief van Like niet hadden kunnen lezen, omdat de letters grotendeels waren uitgewist. Van tante Mijntje kreeg Moe een brief met een lofrede op Job. Zo vol zorgen, lief en behulpzaam. Hij had Oma een keer achterop de fiets meegenomen naar tante Jannie, die toen jarig was. Hij was uit hun huis gezet en het huis was in beslag genomen en nu logeerde hij bij Oma en tante Mijntje en oom Jozef. In het kamp was de oudste dochter van meneer en mevrouw Winter ook weer terug gekomen uit haar baantje. Ze had last van zware hoofdpijn en op een dag vertelde ze Like in tranen, dat haar mooie gekrulde haren eraf moesten, omdat ze ook onder de luis zat. Like kon er immers over mee praten, omdat die ook met een kap had moeten lopen. Ook al begreep Like niet helemaal, hoe erg dat voor een meisje van 17 jaar was, toch had ze medelijden, dat het haar ook moest overkomen. Allen haar pony had ze mogen behouden, die kwam onder haar hoofddoek uit om de schijn op te houden, dat ze wel haar had. Er waren ook nog twee zusjes bij hen op de zaai van 14 en 16 jaar. Hun moeder leefde niet meer en ze waren met een tante meegekomen. Eens hadden ze een gevaarlijk spelletje ontdekt. Je moest met een sleutel tussen een Bijbel vastknopen met een touwtje en dan moest je beiden met een vinger onder het oog van de sleutel je hand heel stil houden en dan kon je met de geesten van overleden mensen praten. Toen het jongste zusje dit hoorde, vroeg ze aan Like, of die de Bijbel van haar moeder wilde pakken en het met haar eens wilde proberen, ze wilde zo graag eens met haar moeder praten. Als de sleutel tussen je vingers bewoog, dan betekende dat: Ja! Like wilde wel eens weten of die sleutel echt bewoog en was er opgewonden over, toen het meisje naar haar moeder had gevraagd en ze de sleutel had voelen bewegen. Moe was erg boos geweest, toen ze ontdekte, waar ze mee bezig waren. In de Bijbel werd er juist zo tegen gewaarschuwd, omdat het met de duivel te maken had. Het was afgoderij. Like schrok er van, zij had gedacht, dat de Bijbel sprak, omdat die ervoor gebruikt moest worden. Ze dacht dat het een profetie was. De tante van de meisjes verbood het spel, omdat het meisje erdoor van streek was geraakt, omdat ze dacht, dat ze met haar moeder had gesproken. Een keer was ze met een jongen uit de deftige zaal in een serieus gesprek over kinderen krijgen. Ze waren er alleen. Hij tekende op het schoolbord een dikke buik en aan de onderkant een hoofdje, maar Like dacht juist, dat de baby uit de buik geknipt moest worden, omdat ze een keer op straat gehoord had, toen een buurvrouw een baby had gekregen en vertelde aan iemand op straat, dat ze in geknipt was en dertien hechtingen had. Ze hoorde dat toevallig, omdat ze met Ineke er in de buurt aan het knikkeren was. De jongen vond het niet eerlijk, dat je er nooit over mocht praten met elkaar. Wist Like er soms meer van? Zij was een meisje en zou later toch ook kinderen krijgen. Maar dan moest je met elkaar getrouwd zijn. Ze hoorden deur open gaan en veegden maar gauw de tekening uit. “Wat staan jullie te smoezen,” vroegen haar vriendinnetjes. “Nou, gewoon,” zei Like maar en verdween naar haar eigen zaal, want de moeder van de meisjes kwam ook binnen. Het werd Kerstmis en dat was in Duitsland altijd een groot feest met veel versieringen en lekker eten. De jongens zochten in het bos naar dennentakken. Daar werden de tafels mee versierd. Marie mocht soep koken, aardappels en groene kool. Nu eens geen slijmerige stampot, en zelfs een klein stukje varkensvlees. Heerlijk. De volgende morgen kregen ze een chocolaatje bij de koffie en de kinderen warme chocolade melk. Meneer de Winter las een heel spannend kerstverhaal, ze zongen bekende liedjes, en tante Trees las een klein verhaal voor. Met Nieuwjaar had Marie weer een verrassing. Ze had oliebollen gebakken want noedelmeel was daar heel geschikt voor. Tante Ans werd weer ziek. Ze had haar zoon nog steeds niet terug gekregen uit het jongenskamp. Ze wilde weer terug naar Holland, want hier leek het toch ook net een gevangenis, zei ze stiekem tegen Moe. Nu lag ze de hele dag weer op bed en zei geen woord meer. Trouwens, Like werd elke nacht wakker, omdat ze Moe dan hoorde huilen. Op een nacht stond mevrouw de Winter naast hun bed om Moe een beker water te geven. Maak je toch niet zo van streek, had ze gezegd. Like vroeg ook wel eens, wat er toch was, maar Moe wilde het niet zeggen. Like wilde Moe wel troosten, maar Moe draaide zich om en zei, dat Like moest gaan slapen. Na Nieuwjaar zei Moe tegen Like, dat ze weer terug naar Holland gingen. “Allemaal?” had Like gevraagd, maar niet iedereen durfde terug, omdat Duitsland de oorlog aan het verliezen was, werd er gezegd. “Maar we gaan niet terug naar huis, maar naar Drenthe, daar heb ik nog familie wonen. Misschien hebben die wel onderdak voor ons.” “Kan Pa ons dan wel weer vinden?”vroeg Like. Ze was bang dat ze de jongens en Gea dan ook niet meer zou zien. “Ik schrijf naar Oma,” zei Moe. Moe moest veel papieren invullen die ze nodig had om als spijtoptant weer naar Nederland te mogen. Ze konden nog niet meteen weg, het duurde erg lang voordat de papieren in orde waren. Daarom besloot Moe om met Like naar tante Trui, Lotte met de baby en Truitje te gaan. Ze waren in een dorp niet ver van Dahlenburg af, vlakbij Lüneburg. Daar moesten ze eerst naar toe met de trein. De dag voor ze op reis zouden gaan, werd Moe ziek. Ze kreeg belroos. Haar gezicht was helemaal opgezet en knalrood. Moe kreeg medicijnen voorgeschreven van de wijkzuster en Like moest ze gaan halen bij de apotheek. Er waren ook slaaptabletten bij. Die werkten pas toen ze alweer op moesten staan. Dus kwam Moe slaapdronken overeind. Mevrouw Noord ging ook mee, zij was al weer beter. Het was erg koud, en het had gevroren, de sneeuw was nog niet helemaal weg. De plassen waren bevroren. Ja, het was nog winter! Om 6 uur waren ze al op pad. Like had van Moe sokken over haar schoenen gekregen. Ze had het zelf ook gedaan en aan mevrouw Noord, tante Ans, zei Like tegen haar, moest er onbedaarlijk om lachen. Like en Tante Ans namen Moe elk aan een arm, want ze liep als een dronkeman. De weg leek erg lang door de weilanden buiten Dahlenburg. Like keek angstig naar de lucht, of er geen vliegtuig aan kwam. Stel je voor, dat ze nu ook nog in een greppel moesten kruipen. In de verte klonk het afweergeschut van Hannover, waar de bommenwerpers weer danig tekeer gingen. Brr, wat was dat angstig. Maar ze bereikten veilig om 7 uur het station. Daar wachten ze op de eerste trein, die om half acht zou vertrekken naar Lüneburg. Daar moesten ze overstappen. Op het station van het volgende dorp stond Lotte hen al op te wachten. Samen met Truitje die gelijk gezellig bij Like de arm inhaakte. Lotte hielp Moe, terwijl ze aan haar vroeg, of ze soms een sterke borrel tegen de kou had genomen. Moe had zo’n rood gezicht, zei ze. Tante Ans vertelde van de ziekte en de sterke slaappillen, en dat Moe echt als een dronkeman heen en weer zwierde, maar Moe protesteerde, dat ze door de kou anders weer aardig bijgekomen was. Tante Trui wachtte hen op in hun kamp met barakken. Ze had de baby op de arm, een iel mager scharminkeltje. Moe vertelde, dat zij weer terug ging naar Nederland. Er moest daar dan maar van komen, wat er gedreigd was, zo was het ook geen leven. Tante Trui had ook al een aanvraag ingediend, maar zou pas in februari of maart aan de beurt zijn. Tante Ans vertelde, dat zij niet eerder terugging voor dat ze haar zoon weer terug had. Ze had al bericht gekregen, dat hij bij haar kwam, maar dat het nog allemaal geregeld moest worden. Ze aten hun meegebrachte brood bij tante Trui, want die had natuurlijk ook geen gelegenheid om brood te kopen. Wel had ze warm water gekregen om een slap kopje thee te maken. Ze konden in hun dorp gemakkelijk aan koekjes komen, maar eten klaar maken ging niet. Zij hadden wel aardig goed te eten. Ze hoorde er van op dat Marie het eten moest laten keuren bij de kampführerin, die er dan een emmer water in gooide, want het Belgische kamp moest er ook van eten. Truitje en Like zaten samen te praten over alles wat zij beleefden. Om vijf uur gingen ze weer terug naar het stationnetje om de terugreis te aanvaarden. In Lüneburg probeerde Moe nog wat eten te bemachtigen, want het eten liepen ze nu mis in Dahlenburg. Daar zou tante Trees zich wel dankbaar over ontfermen, zei tante Ans schamper. Maar de zilveren Hollandse gulden deed wonderen, want Moe bemachtigde in de stationsrestauratie voor elk 2 broodjes met stinkkaas, dat is beschimmelde kaas, die erg stek smaakt maar erg gezond is door de zuren, die de kaas zo beschimmeld doet lijken. Gek genoeg was Like gek op die kaas en konden ze die in Dahlenburg wel te pakken krijgen, zonder etensbonnen. Om half 8 waren ze weer terug in Dahlenburg. Weer was het donker en Like speurde de lucht weer af naar vliegtuigen. Die komen zo vroeg niet, dacht Moe. Maar Like vertelde toen maar, waarom ze zo bang was, doordat vliegtuig dat toen zo vlak boven haar hoofd vloog zodat ze in een greppel moest springen. Moe hoorde er van op. Ze glibberden en gleden op het weidepad, want de sokken waren niet goed gedroogd en waren ook bevroren, nu ze in de vrieskou liepen. Terug in het kamp ging Moe meteen naar bed, want ze voelde zich nog steeds niet erg lekker, hoewel de pijnstillers wel goed hadden geholpen. Ze hoopte nu ook goed te kunnen slapen. Like sliep ook gauw. Ze werd altijd al zo gauw moe en ze at ook zo weinig, dat Moe zich daar erge zorg over maakte. Omdat ze misschien wel gauw weg zouden gaan, mocht Like het poëziealbum voor zichzelf gebruiken, dat ze in Lüneburg eigenlijk voor Ineke had gekocht. Ze heeft alle vriendinnetjes erin laten schrijven, zodat ze elkaar in Holland eens zouden kunnen schrijven. In Nederland konden ze wel eens een ander kopen voor Ineke, zei Moe. Erica schreef er ook een versje in, want plaatjes hadden ze niet, dus maakte ze er een tekening bij. Like had van haar geleerd, hoe ze van een oude zakdoek een popje konden vouwen. Daar waren ze wekenlang mee bezig geweest. Van alle oude lapjes knipten ze een eenvoudig rokje en klaar was het popje. Ze gaf het dan aan het kleinste meisje van het grote gezin. Zelf speelde ze niet meer met poppen, ze had het alleen leuk gevonden om er kleertjes voor te prutsen. Het werd een rage, iedereen wilde zo’n popje leren maken. Ze werden als mascotte gebruikt. De kampführerin vond het erg goed, dat de meisjes wat omhanden hadden. De kinderen vroegen meteen, of ze ook niet op de hitlerjugend club mochten komen. Ze waren toch in Holland bij de Jeugstorm geweest? Maar dat was niet zo’n goed idee . “Jullie kunnen nog niet voldoende Duits,” zei ze, en de meeste kinderen gaan toch weer terug? Dan kunnen ze daar weer op hun club. Dat was jammer, want de moeders waren hun kinderen best wel even graag kwijt. Nu moesten ze zichzelf op straat vermaken en daar kwam maar kattenkwaad van. Like liep met haar vriendinnetjes wel eens langs de bakkerij te schooien om een lekker geurend broodje. Of ze trokken de rabarberstelen uit de grond. Die ze rauw uitzogen, de zure smaak verdreef de dorst. En dan was er nog een fabriek, waar ze apfelmost maakten, dat leek op limonade, maar er zat wel alcohol in. Ze hadden het een keer mogen proeven, en nu probeerden ze iedere keer, of ze nog wat zouden krijgen. Moe verbood Like dat gebedel, dus moest er weer een nieuwe bezigheid worden gezocht. Maar toen kwam het bericht, dat er al enkele groepjes hun koffers konden pakken, omdat er een transport naar Holland ging.