4. Vlucht na Dolle Dinsdag

05-09-1945

Toen kwam Dolle Dinsdag

Dat was wel september 1944. Wij heel vroeg op. Een paar koffers waren reeds gepakt en wij naar het station. Er was zelfs een buurvrouw die ons met tranen in de ogen afzwaaide. Ik was toen ruim 9 jaar en mijn zus pas 7 jaar. Ook wij droegen wat mogelijk was al was het niet veel. Bij het station aangekomen stond het perron vol mensen in alle leeftijden.

De trein reed op klaarlichte! dag voorbij Zwolle en Meppel. In de buurt van Meppel werd gestopt vanwege luchtalarm. Tegen de avond kwamen wij in Westerbork aan. Wij werden ondergebracht in een barak met drie boven elkaar liggende kooien. Voor ons kinderen was dat spannend natuurlijk. Wij mochten echter niet op de bovenste kooi liggen. Filmbeelden die ik later heb gezien van documentaires over concentratiekampen geven een exact gelijkend beeld van het interieur waar wij werden ondergebracht.

Een paar dagen later konden we in ietwat betere houten huisjes wonen die als een ketting naast elkaar stonden. Deze werden schoon gemaakt omdat de vorige bewoners deze slechts korte tijd geleden, naar het schijnt plotseling, verlaten hadden. Ook kleren lagen er nog overal van de eerdere bewoners. Die hier hadden gewoond zijn met alle zekerheid joodse bewoners geweest die met grote spoed naar Dachau e.d. zijn afgevoerd om nooit meer terug te keren. Toen wist men waarschijnlijk niets van de gevolgen van de vorige bewoners van Westerbork anders was de reactie van onze ouders zonder meer anders geweest.

Een avond werd “opgeruimd” door leden van de jeugdstorm die daar ook waren. Er werd een groot vuur ontstoken waar alles wat men vond, kleren, boeken e.d. werd verbrand. Dit werd gedaan onder wilde kreten, gezang en hoera geroep.

Na zo’n dag buiten te hebben gespeeld moest er gewassen worden. Een vriendje en ik werden naar de verwarmingscentrale gestuurd met een emmer om warm water te halen. Dit kregen we van iemand die de centrale verzorgde. Ook hij had een Jodenster op zijn kleren en nu achteraf kan het zijn dat dit de laatste joodse gevangene in Westerbork was!

Duitsland

Na enige dagen, ik heb geen begrip meer van tijd, gingen we ’s avonds weer op de trein. Het werd een nachtreis. Mijn vader was eerder terug gegaan en nu waren wij maar met zijn drieën.  ’s Morgens vroeg kwamen we in Osterholz-Scharmbeck aan. Een plaatsje c:a 15 km ten N-O van Bremen. Daar werden we ondergebracht in het Schütsenhof. Een grote hal waar de plaatselijke schietvereniging hun feesten hield. Wij kregen een plaatsje ergens midden in de zaal en moesten op de grond zonder matrassen maar zien ons te behelpen. We werden voorzien van warm eten dat werd gekookt door een Duitse vrouwen hulporganisatie. De aardappels werden geschild door de Nederlandse vrouwen. Omdat een vriendje van mij en ik tamelijk goed uit de kluiten waren gewassen moesten wij pannen met eten rondbrengen.

De hygiënische toestanden waren van dien aart dat het niet lang duurde voordat tussen deze honderden mensen ziektes uitbraken. Er waren meerdere, speciaal kinderen, die difteritis kregen. Ook mijn zusje kreeg dit. De zieken werden ondergebracht in een schoolgebouw dat als ziekenhuis diende. Dit lag in het centrum van het plaatsje en naar schatting kregen een twintigtal kinderen verpleging van naar ik meen alleen Duitse verpleegsters. Het contact tussen Nederlandse kinderen en Duitse verpleegsters hield vanzelfsprekend veel te wensen over vanwege de taal. De broer van mijn vriendje werd zo ernstig ziek zodat hij voor de rest van zijn leven werd verlamd.

Tijdens onze tijd in het Schütsenhof werd Bremen in het midden van de nacht een paar maal zwaar gebombardeerd. We werden wakker van de geweldige explosies veroorzaakt door de bommen en het luchtdoelgeschut rond om ons heen. Op het dak van golf-platen hagelde het onophoudelijk van de vallende granaat scherven. Het was angstwekkend.

Na enige weken werden we overgeplaatst naar een ouder schoolgebouw in Osterholz. Hier lagen we met een twintigtal personen, van kinderen tot gepensioneerden toe, in een klasruimte gemeubileerd met banken en tafels en boven elkaar liggende bedden. Er waren op die manier meerdere klasruimtes in gebruik genomen. Het toilet en de wasruimte waren buitenshuis. Op de speelplaats voor de school was een schuilkelder waar we meerdere malen beschutting hebben gezocht.

Mijn moeder, die goed met een naaimachine overweg kon, ging op stap rondom in het plaatsje en bood hulp aan voor het vernieuwen en veranderen van kleding. Voor speciaal opgroeiende Duitse kinderen was dit ook aan schaarste onderhevig. Als tegenprestatie kreeg zij wat geld en wat etenswaren bijv. zelf gebakken brood, worst en gerookt spek. Dit laatste speciaal als ze bij een boer wat werk had gedaan.

Als ze met haar werkgevers goed persoonlijk contact had gekregen werden er ook gedachten uitgewisseld en die enigszins als politiek geroddel opgevat kon worden speciaal indien zij zich beklaagde. Als zoiets voorkwam werd het gauw aan een “politruck” doorgegeven en men kreeg hem op bezoek. Ook dit gebeurde mijn moeder en we kregen zo’n bezoek. De politruck was zelfs een Nederlander. Hij kwam de kamer in en hield een preek doorweven met dreigementen o.a. dat, als zij dat weer zou doen, dat haar kinderen van haar afgenomen konden worden en dat zij in de gevangenis terecht zou komen. Zo een scene werkte vanzelfsprekend negatief op moeders gezondheid.

Tijdens de kerst 1944 hadden, ondanks de schaarste voor de Duitsers zelf, de plaatselijke Duitse vrouwen voor ons kinderen een heel prettige kerst georganiseerd. Alle kregen we kleine presenten en een lekkere maaltijd bij het licht van kaarsen. Kerst hadden we zo nooit beleefd in het landje van Sint-Nicolaas.

Mijn moeder heeft nog geprobeerd om ons daar op school te krijgen maar dat lukte niet. Om ons jongens aan de gang te houden, zodat wij geen kattenkwaad zouden kunnen uithalen, stuurde men ons naar de bijeenkomsten van de Hitlerjugend. Hierbij werd tijdens zo’n bijeenkomst de rechterarm een paar maal schuin naar boven uitgestrekt!

De terugreis naar Nederland

Toen we enige weken in het nieuwe jaar 1945 waren gekomen stond tot onze vreugde op eens onze vader in de verblijf kamer. De militaire toestand werd, speciaal na het Ardennen offensief, heel erg onveilig voor ons vluchtelingen. Hij kwam om ons te halen om ons naar onze grootouders op het platte land in Nederland te brengen. Hij had het bij zijn superieuren gedaan gekregen om een grote oude Amerikaanse auto kompleet met chauffeur te organiseren. Deze werd gedreven door brandstof van kool- of houtgas dat van een gasgenerator achterop op de auto kwam. De hele kofferruimte was dus vol met hout en kool. Plaats voor koffers was er niet. Deze kwamen op de vloer voor de zitbank achter.

We vertrokken ‘s avonds om het risico van luchtaanvallen te vermijden. Ik zat op vaders schoot voorin. Mijn zuster zat bij mijn moeder achterin benevens de vrouw van een van de collega’s van vader. De schijnwerpers gaven heel weinig Blaauw ligt en daardoor was de snelheid dus zeer laag. Vaak moesten we er uit om met een zaklicht de richtingbordjes te lezen. Wij gingen meerder “Wegsperren” voorbij waar we naar een “Ausweiss” werden gevraagd.

Een situatie die gemakkelijk een enorme ramp veroorzaakt zou kunnen hebben deed zich ergens in de buurt van Oldenburg voor. We moesten een onbewaakte spoorwegovergang over. De chauffeur reed voorzichtig tot vlak voor het spoor en keek in beide richtingen. Hij verwachtte dat hij een licht op de locomotief zou kunnen zien maar zag niets aankomen. Dus hij reed door. Toen de wagen precies over de spoorweg was gekomen hoorde wij het geluid van een passerende trein achter ons ! We waren een doodsdans op het nippertje ontsprongen.

‘s Morgens heel vroeg kwamen wij bij mijn verschrikte grootouders op het platteland aan en vader ging later weer terug naar de grote stad. Wij zijn daar tot na de bevrijding gebleven.

Onze grootouders konden natuurlijk ons niet met dagelijkse voeding voorzien. Met de ervaring vanuit Duitsland bood ook hier mijn moeder haar diensten in de omgeving weer aan om kleding te herstellen. Hier waren meer boeren en er werd ook clandestien geslacht. Dit gaf de mogelijkheid een heleboel eten naar huis te brengen. Ook konden de boeren hun melk niet kwijt en daarom was die bijna gratis.

Ook konden wij daar naar de dorpsschool en het leven was voor ons kinderen min of meer normaal. Als we ’s avonds in bed lagen hoorden we de motoren van de enorme eskaders vliegtuigen die op grote hoogte over vlogen op weg naar Duitsland. De ramen rinkelden en bij helder weer zag men de zoeklichten langs de hemel spelen en hoorde het donderen van het afweergeschut.

Omdat we slechts zo’n 100 km van de grens woonden duurde het meestal niet lang voordat de vliegtuigen weer terug kwamen. Was het doel vlak over de grens dan waren ze heel snel terug. Tijdens een van deze “korte bezoeken” zag men duidelijk aan de horizon het oranje ligt van de branden en kon men de naam van de plaats raden.

Mijn grootvader en ik gingen vaak vissen. Een maaltje vis was een belangrijke bijdrage in de voeding. Bij zo een gelegenheid hoorden we vliegtuigen. Het bleken 3 jagers te zijn die boven ons hoofd met elkaar in gevecht waren. De kogels kwamen uiteindelijk op de aarde terecht en om hiervoor op een open weide beschutting te zoeken is onmogelijk. Uiteindelijk stortte een vliegtuig heel ver weg omlaag en het luchtgevegt was over en wij gingen door met vissen.