Bericht van een SS-er, Het verhaal van mijn neef gereconstrueerd

Nu de kranten bol staan van het proces tegen de: ‘laatst levende Nederlandse SS-er, Heinrich Boere’ en op de radio de klanken van de ‘SIG-runen’ met een knetterend scherpe ‘S’ worden uitgesproken kan ik het niet nalaten ook een andere SS-er te laten zien.

Abraham van Beek

Op 4 Juli 2009 vaar ik met een vriend richting Noordzee en tegen het eind van de middag liggen we in de sluis van IJmuiden. Het is warm, over bakboord kijk ik naar de Kanaaldijk. Daar, ergens in het verlengde van de Schoutenstraat, Evertsenstraat en Marktplein, aan de overkant van de Lange Nieuwstraat, ligt de Rivierenbuurt. In de jaren '30 van de vorige eeuw lagen daar de 'Verspreide Woningen'. Op nr. 44 "De Kikvorsch" woonden mijn tante Jaantje en oom Aart. In de duinen speelden hun 5 kinderen. De 2 oudsten, Jan en Bram, zouden een paar jaar later sneuvelen aan het Oostfront tijdens het Russische winteroffensief van 1944.

Oom Aart diende tussen 1915 en 1918 bij het 3e regiment huzaren en was sinds 1924 veldwachter in Velsen. Hij wilde graag brigadier worden, maar zakte vijf keer voor zijn examen. Zijn leidinggevende, de “Districtscommissaris der Rijksveldwacht” velt een hard oordeel over zijn capaciteiten en acht hem wegens zijn “zeer middelmatige algemene ontwikkeling”, zoals hij die in een beoordeling letterlijk omschrijft, niet geschikt voor bevordering tot brigadier. Met deze beoordeling zaait hij bij oom Aart het zaad van de rancune. Op deze warme middag in Juli herinnert daar echter niets meer aan. De 'Verspreide Woningen' zijn al lang afgebroken, de zon brandt in de sluiskolk, brommers knetteren, vissers vissen, jongens zwemmen, schippers bunkeren.

De Duitse bezetting betekent een promotiekans voor Aart. Op 5 Oktober 1940 meldt hij zich als lid bij de NSB. Hij is er van overtuigd dat zijn promotie wordt tegengehouden door zijn leidinggevende en schrijft op 24 september 1941 een beschuldigende brief over hem aan Seyss-Inquart. Die brief heeft succes en op 1 juli 1942 wordt hij op last van de Duitsers, door de pas benoemde NSB-burgemeester van Velsen, A.G. Groeneveldt, bevorderd tot brigadier van politie. Oom Aart is het Nationaal Socialisme met hart en ziel toegedaan en hij brengt een deel daarvan over op zijn jonge kinderen.

Op 14 Februari 1941 roept Anton Mussert de bevolking op om zich te melden bij de Waffen-SS. Bram, de tweede zoon uit het gezin van Oom Aart en tante Jaantje, is daarvoor te jong, maar op 6 maart 1941 meldt hij zich aan als lid van de Jeugdstorm. Hij is 16 jaar en zijn vader moet de aanvraag ondertekenen. Nadat de Duitsers op 22 juni van datzelfde jaar Rusland binnen zijn gevallen behoort Bram tot degenen die zich vrijwel direct als vrijwilliger melden bij de Waffen-SS. Is het avontuur waardoor hij wordt gelokt, is het de opvoeding door zijn vader of is het de belofte uit de wervingscampagne van de NSB; “bij een tweejarig contract een goed betaalde functie bij de politie en bij een vierjarig contract een ‘flinke’ boerderij”? Een wenkend perspectief dat verkregen kan worden door te vechten tegen de ‘pest’ die bolsjewisme heet en die ‘een bedreiging vormt voor godsdienst, huwelijk en gezin’ zoals het in de NSB-folders staat.

Hoe het ook zij, Bram belandt via het opleidingscentrum bij de ‘3e SS-Freiwilligen Standarte Nord-West’. Na zijn opleiding vertrekt hij naar het Oostfront en vecht maandenlang in de omsingeling van Leningrad. Hij wordt bevorderd en krijgt de ‘Ostmedaille’, de onderscheiding die de militairen zelf de ‘diepvriesorde’ noemen. Tante Jaantje maakt zich ongerust en hunkert naar bericht: ‘k Heb vanmorgen (zondag half 12) weer aan de radio gezeten om de stemmen te beluisteren die spreken tot hun familie van uit het Oostfront. ‘k Had zoo stille hoop ook jouw stem eens te hooren, doch helaas nog niet’. In het najaar van 1942 raakt Bram gewond en wordt verpleegd in een hospitaal in Koerland. Vandaar schrijft hij een briefje aan zijn 10-jarige nichtje Adriana. Hij spreekt haar aan met de naam die ze onderling gebruiken, ‘Aas’;

“Mitau, 13 Dec. 1942. Lieve Aas, Hoe gaat het met je? Met mij gaat het goed. Ik vind het geweldig aardig van je dat jij, mijn kleine nicht, mij niet bent vergeten. Je schrijft mij dat je in Thüringen bent geweest met Bep. Het was daar zeker wel heel mooi. Nu, ik heb het hier heel goed, hier zijn vele kleine zustertjes die goed voor je neef zorgen dus je hoeft je niet bezorgt te maken voor mij (dat zal je zo en zo niet doen niet waar). Hoe is het met je op school, je hebt zeker al vacantie. Zeg Aas, Sinterklaas is hier ook in het lazaret geweest, ja werkelijk, we kregen allemaal wat van hem een paar koekjes, reep chocolade een rolletje drop en een paar cigaretten. Nu, roken doe ik niet dus die heb ik weer weggegeven maar het was toch leuk. Met de Kerstdagen zal het hier ook wel een groot feest worden, reken maar. Daar Schrijf ik je later weer eens over, dag! Vrolijke Kerstdagen en een gelukkig Nieuwjaar. Dag!! Aas! Dag. Bram, Het briefje over de kerstdagen komt er nooit en in 1943 komt Bram met verlof naar huis. In 2007 herinnert zijn neef, die in 1943 8 jaar, is zich daarover het volgende: “Bram was met verlof en kwam bij ons op bezoek in het uniform van de SS. Wij als jongeren keken erg tegen hem op en vonden het jammer als hij weer weg ging”. Als Bram vertrekt zal niemand hem ooit nog terugzien. Bram vertrekt naar Joegoslavië om ingezet te worden tegen de partizanen van Tito, maar vlak voor Kerst 1943 wordt hij overgeplaatst naar de regio Leningrad. De tocht daarnaar toe is ijzig koud, het vriest 40 graden en de ski’s die de Duitsers krijgen worden opgestookt in de veldovens. Op 14 Januari 1944 begint het Russische winteroffensief en vechten de Duitsers achteruit. De dagrapporten die ik heb gelezen staan bol met termen als: „Einbruchsraum, rückwärtiges Stützpunktsystem, eingebrochen, durchgebrochen, eingeschlossen, abgeschnitten“. Er is te midden van die heksenketel nog één blij moment voor Bram; op 16 Januari ontvangt hij nog het kerstpakket dat zijn zuster al in November naar Joegoslavië had gestuurd. Op 19 Januari schrijft hij daarover nog een brief naar huis, hij is zo blij met zijn pakket dat hij de hele avond gezongen heeft. Dan wordt het stil rond Bram. Op 2 Februari 1944 sneuvelt hij en op de brief die Oom Aart en tante Jaantje daarover ontvangen staat dat hij gevallen is door een ‘Kopfschuss’, maar dat wordt vaak gezegd om iets gruwelijkers niet te hoeven schrijven. Zijn nichtje ‘Aas’ schrijft mij in 2007: ‘Ik weet nog wel dat ik zelf heel verdrietig was toen we gehoord hadden dat Bram gesneuveld was. Als klein meisje was Bram een soort held voor mij en het was een knappe jongen om te zien.’

In Nederland zijn ook andere reacties. In het lijfblad van de WA wordt een brief afgedrukt die de ouders van een gesneuvelde Nederlandse vrijwilliger ontvangen: ‘Wij feliciteren je hartelijk naar aanleiding van het sneuvelen van je fascistische zoon. Gelukkig dat deze ellendige landverrader kapot is. Hij is beroerd weggekomen, maar niet beroerd genoeg. Hij had moeten blijven leven om na de oorlog aan een paal te worden opgehangen.’ Als na de oorlog zijn ouders worden gearresteerd zal zijn vader zeggen: “Wel had ik een zoon Abraham genaamd die in juni 1941 als vrijwilliger in dienst trad bij het Finse leger. Na den oorlog tussen Rusland en Duitsland, althans na het uitbreken van deze oorlog, ging mijn zoon in Duitsen Dienst en wel bij de Waffen-SS Standarte Nord-West”. Aart liegt, de ‘SS-Stammkarte’ van Bram laat daarover geen twijfel bestaan. Probeert Aart met zijn leugen zijn zoon postuum te beschermen of misschien zichzelf? Tante Jaantje omschrijft het anders. Op 21 mei 1945 wordt zij voor de eerste maal verhoord door de Politieke Recherche, afdeling Haarlem: ‘Een medeoorzaak dat ik lid der N.S.B. ben geworden is wel, dat ik dit heb gedaan voor de toekomst van mijn kinderen. Ik heb evenwel zeer veel verdriet van de geheele N.S.B. gehad, want mijn oudste zoon is geronseld bij het vliegercorps en als vermist opgegeven, terwijl mijn tweede zoon zonder mijn toestemming vrijwillig dienst heeft genomen bij de S.S. en gesneuveld is. Voor een van mijn zoons ontvingen wij extra levensmiddelen. Ook heb ik éénmaal extra kolen ontvangen’. De rechercheur die haar verhoort tekent dan in haar dossier aan: ‘Daar verdachte in een alleen achteraf staand huis heeft gewoond en de menschen in haar naaste omgeving haar niet goed kenden, zijn geen verklaringen van buren door mij opgenomen. Verdachte maakte op mij een ziekelijke en gebrekkige indruk’.

Als tante Jaantje wordt vrijgelaten verhuist zij naar Utrecht en in 1950 probeert zij via het Rode Kruis te achterhalen wat er van haar twee zoons aan het Oostfront geworden is. Hoe vaak zal zij verlangend naar de brievenbus zijn gelopen om te zien of er post was? In die jaren logeert een neefje van 13 jaar bij haar. Deze kijkt in 2007 terug op die tijd en schrijft mij daarover: “Oom Aart had bijeenkorven en liet ze mij zien. Hij was altijd aardig en tante Jaantje ook al kwam zij een beetje tobberig op mij over. Ik besefte dat nog niet zozeer, maar nu begrijp ik dat des te meer, het verdriet om haar beide zonen en schoonzoon.” Bram zou nu 89 zijn, een leeftijdgenoot van Heinrich Boere. Ik hoor het mijn moeder nog zeggen: ‘Bram was een lief knulletje’.