In Almelo wachten we af. Die avond, terwijl iedereen al in bed ligt, gaat het luchtalarm, dus naar de schuilkelder. We zijn met tien mensen, vader, moeder, de vier kinderen, de grootouders van vaders kant, de grootmoeder van moeders kant en een inwonende dienstbode. De schuilkelder is de voormalige kolenkelder van de CV.
Er wordt flink geschoten, maar om even na middernacht gaat de telefoon. Mijn vader was Wijkhoofd van de BB (Bescherming Bevolking) en had daarom nog telefoon. Hij kruipt uit de kelder en sluipt erheen. Het is de beste vriendin van mijn oudste zusje, die alleen maar gilt: ‘We zijn bevrijd, we zijn bevrijd!’ Zij woont aan de oostelijke kant van Almelo en daar zijn inderdaad de Canadezen al gearriveerd.
Terwijl mijn vader nog aan de telefoon zit slaat een granaatscherf door één van de ramen en boort zich in een schilderij. Hij vindt het veiliger om terug te gaan naar de schuilkelder. Op dat moment wordt het buurhuis geraakt en verdwijnt een complete erker.
Het schieten gaat door, maar kort na zes uur wordt het stil. Om zeven uur horen we een onbekend geluid. Mijn vader gaat voorzichtig naar boven en ja hoor, door de straat rijdt een Canadese tank, die voor ons huis stil houdt. Binnen de kortste keren staan we, in onze pyjama’s, op straat. Opa verdwijnt in de kelder en komt terug met een fles champagne, die hij al die jaren voor deze dag had bewaard. Ook de tankcommandant krijgt een bekertje vol.
Mijn moeder is inmiddels met mijn broer bezig de Nederlandse driekleur, met een grote oranje strik aan het balkon te bevestigen. Hij zal daar weken blijven hangen. De vlaggenstok is al veel eerder gepromoveerd tot brandhout.
De Canadese commandanten, een majoor en een kapitein nemen hun intrek in ons toch al overvolle huis en maken daarvan hun tijdelijke commandopost. Voordat ze verder kunnen gaan is er hulp vanuit de lucht nodig, maar die is niet direct beschikbaar.
De volgende dag, 6 april ben ik jarig. Ik word 8 jaar. Ik spreek geen woord Engels, maar weet binnen de kortste keren, dat het Engelse woord, voor verjaardag, ‘birthday’ is. Ik ga rond bij de militairen, zeg ‘birthday’, wijs op mijzelf en verzamel repen chocola en kauwgom. Ik toon ze vol trots aan mijn moeder, die het onmiddellijk in beslag neemt en over de komende dagen verdeelt. Anders zou ik zeker doodziek zijn geworden.
Omstreeks het middaguur komt de majoor naar mij toe. Hij heeft een bord, met daarop een aantal witte boterhammen, royaal belegd met aardbeienjam, die op elkaar zijn gestapeld en waarin een brandende kaars staat. Dit is de mooiste, - en in mijn herinnering -, de lekkerste verjaardagstaart, die ik ooit heb gehad.
Ondanks de luchtsteun moet er hard worden gevochten, voordat de troepen het kanaal kunnen oversteken. Er vallen gewonden en ook sneuvelt een enkele soldaat. Deze worden begraven op de Algemene Begraafplaats in Almelo. Mijn moeder adopteert een graf en heeft dat heel lang verzorgd. Toch heeft de familie op een gegeven moment besloten de stoffelijke resten terug te brengen naar Canada. De steen is blijven staan.
In juni 2009, 65 jaar na D-day, zijn mijn vrouw en ik naar Normandië gegaan. Wij hebben de stranden bezocht, onder andere Omaha Beach en Aramanche. Wij zijn in het indrukwekkende museum geweest in Caen. Wij hebben Britse begraafplaatsen bezocht en de imposante Amerikaanse dodenakker in Collinsville.
Dan realiseer je je eens te meer, dat daar duizenden, jonge, mannen hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. Een daad, waarvoor wij, ook na 65 jaar, niet dankbaar genoeg kunnen zijn.