De dubbele bodem

Vlaardingen

In 1996, ik was toen 53 jaar, werd door mijn vader de muur van zwijgen doorbroken. Zijn relaas bracht enige duidelijkheid. In ieder geval was ik dus niet gek en bleek mijn gevoel dat er iets niet klopte terecht.

Het is mooi weer. Op de boerderij is het prettig. Er lopen kippen rond. Kom je te dichtbij dan schieten ze kakelend weg. Het is leuk om hun verborgen nesten op te zoeken. Aan de boer vertellen waar er een zit. Ook is er een grote zwarte boerenschuur. Met een schuin dak en aan een kant open. Er staan geheimzinnige apparaten in. Ook een rijtuig, erg stoffig en kapot. Op de binnenplaats ligt een mestvaalt. Hij stinkt. De beerput naast het huis stinkt nog meer. Er is geen kraan in de keuken. Voor water moet je langs een houten schot naar buiten.

Buiten staat de pomp. Een zwarte met een gebogen zwengel. Op muizenjacht. Een jongen jaagt ze in een hoop bieten. Met een grote vork spit hij de hoop open. Slaat ze met een stok dood. Ze piepen. De beer komt. Mannen rijden een open kar naar een schuur. De beer is reusachtig, probeert er uit te klimmen. Ze slaan hem, gilt veel harder dan de biggen.

Als ik later aan mijn moeder vraag waar dat was van die boerderij krijg ik nauwelijks antwoord. Nog later wordt de boerderij in Drenthe gesitueerd. Kennelijk een niet zo welkom gespreksonderwerp. Ik vraag niet meer.

In Vlaardingen wonen we bij opa en oma. We slapen op zolder. Mijn broer en ik in de bedstee. Mijn moeder in een met jute en behang afgeschoten kamertje. Het is soms koud. Het glaasje water bevriest. Er staat ook een bureau. Geheimzinnig met laatjes. Spulletjes van oom Pim zitten er nog in. In de winter is het koud. Het vriest. Het sneeuwt. De melkboer komt met een arrenslee. Zijn paard staat op scherp. Ik loop op klompen. Wilde jongetjes breken wel eens een klomp. Opa moppert flink als hij er een blikken stripje op hamert. Later krijg ik schoenen. Van die hoge met veters. Ik wil er graag metalen teen –en hielstukken onder. Ik herinner me dat dat zo stoer klonk. Dat klikken op de straat. Moeder wil er niet van horen. Ze krijgt nieuwe tanden. Haar mummelmond ziet er gek uit. Na het middageten leest opa voor uit de Bijbel. Daarna schuift hij zijn bord opzij. Legt zijn hoofd op zijn armen en doet een dutje. Soms slaap ik al voor het bijbellezen. Een natte washand en een snauwend verwijt houden me wakker. Als ik iets wil, staat mijn wil buiten de deur met een stok erbij.

Ik ga naar kleuterschool. Het is een eind lopen. Ik ben bij de kapper geweest. Stilzitten anders knipt hij een stuk uit je oor. De zon schijnt het is feest. De oranje sjerp moet om. Hij zit me niet prettig. We gaan ook naar de lichtdokter. Brilletje op en bloot in het schelle hete licht. Op zijn bureau liggen aan elkaar gesmolten rijksdaalders. Ik mag ze niet hebben. We gaan verhuizen naar Den Haag. Andere kinderen hebben een vader. Die van mij is ziek. Heel ziek. Ik kan me niets van hem herinneren. Ook zo’n niet zo welkom gespreksonderwerp. Ik vraag niet meer.

In Den Haag verschijnt tante Ans. Zo maar uit het niets. Ze woont in ons huis. Ze naait. Mijn broer moet haar niet. Maar die is ook lastig. Ik niet. Ik vind het al gauw goed. Ook als ze te dichtbij komt. Het komt niet in me op er iets van te zeggen. Grote mensen mogen kennelijk alles. Op straat voel ik me beter thuis. Spelen, ravotten, ruziemaken, erop slaan. Niet bang aangelegd. Mijn broer is dat wel. Hij krijgt makkelijk ruzie. Rent meestal scheldend weg. Ik niet. Ik ga erop af en bevecht mijn positie. Daar wel, thuis niet.

Je vader komt thuis. Het enthousiasme van moeder sleept me mee. Stralende zonnige dag. Zon door de bladeren. Groot station, hoge overkapping, veel mensen. Opgewonden en het voelt raar. Je vader komt thuis, maar ik voel me niet blij. Een bleke magere man met een hoed op. Nooit gezien. Thuis verandert er veel. Mijn broer komt op mijn kamer te slapen. Tante Ans krijgt een eigen kamer. Vader wil een zaak beginnen. Er komen machines in huis. Een zaagmachine, een grote boormachine, een soorthandzaag op een tafel om recht te zagen, klemmen. Mijn broer slaapt slecht. Vaak springt hij pratend uit zijn bed. Onverstaanbaar. Mompelend zoekt hij achter de gordijnen. Kijkt onder het bed. Kruipt er weer in. Het is raar. Ik praat er maar niet over. Ineens is vader weer weg. Weer ziek geworden zegt moeder. Jullie schuld. Jullie maken ook altijd ruzie. De machines verdwijnen weer. Het duurt lang voordat hij weer terug komt. Weer is hij een vreemde. Weer veranderen. Tante Ans weer naar haar eigen kamer. Mijn broer weer bij mij. Er komen mensen over de vloer. Onbekenden, die doen of ze je allang kennen. Het voelt niet goed. Vader en moeder praten uren met ze. Vader krijgt een baan. Iets met papier en rekenen. Hij kan er met twee trams naar toe. Verffabriek. Vader komt met iets heel bijzonders thuis. Een projector om plaatjes te vertonen. Gordijnen dicht apparaat aan en kijken en luisteren. Het gaat over andere landen. Grote bergen steenkool en ingewikkelde grote fabrieken. Meneer en mevrouw Pauli komen op bezoek. Hoogbezoek. Stofzuigen, ramen zemen, poetsen. Mijn broer en ik goed gewassen. Zondagse kleren aan. Naar de kapper, schoenen extra gepoetst. Iedereen is opgelucht als ze weer weg zijn. Mijn moeder en tante Ans krijgen ruzie. Moeder rent schreeuwend achter haar aan. Deuren worden dicht gesmeten. Veel harder dan wij mogen. Vader staat erbij. Doet niks, ziet er bedrukt uit. Ik ga maar naar buiten. Bij mijn vriendjes op straat is het veel leuker. Bij hen thuis voel ik me niet op mijn gemak. Liever buiten.

Tante Ans verdwijnt. Waarom, ik weet het niet en vraag ook maar niks. Het is wel rustig zo, ook dat gefrunnik is voorbij. Zo nu en dan komen die vreemde mannen weer op bezoek. Ze praten uren soms behoorlijk hard en lacherig. Ik ben blij als ze weer weggaan. Vader en moeder wassen zelf af en doen dan de keukendeur dicht. Je kan niks horen, ik vraag maar niks. Bij de slager recht tegenover ons huis wordt niks gekocht. “ Rooms”. Met de jongste zoon op straat spelen mag wel.

We verhuizen. Naar een nieuw huis aan de rand van de stad. Een flat, er nog bijna niemand in het blok. In dat zelfde jaar haalt vader zijn rijbewijs. We gaan in Paasvakantie naar Oom en Tante in Frankrijk. Ze wonen in een prachtig huis aan de Seine. Oom werkt bij de Nato in Fontainebleau. We bezoeken Parijs, het graf van Napoleon, het graf van de onbekende soldaat en beklimmen de Eiffeltoren. Weer terug in Samois sur Seine lopen mijn vader en ik wat rond. Hij ziet een oude bedelaar. Vervolgens loopt hij een zaak in en koopt een fles wijn. Gaat naar de clochard en geeft met een breed gebaar en spreekt de fraaie Franse zin: “Voci, un vin pour vous”. Later vraag ik hem waarom hij dat deed. Hij antwoordde: “Daar had ik nou zin in”. De hele situatie kwam mij absurd voor. Ik vroeg niet verder.

Op school gaat het zo matig dat mijn vader besluit tot het laten bijspijkeren van mijn achterstanden. Rekenen gaat niet geweldig, ik voel me meer betrokken op de vraag of het antwoord goed is dan op het juist toepassen van de rekenregels en de kennis van de tafels van vermenigvuldiging. Taal is een ramp, niet zozeer dat het mij aan semantische kennis ontbreekt, maar spelling is slecht. Dictees en opstellen ervaar ik als een straf. Ik moet naar een bijles juffrouw. Ook zo’n wat onduidelijke bezoekster, een onderwijzeres in ruste. Dat ze voor pensionering nog veel te jong was besefte ik pas veel later.

Op school gaat het steeds beroerder. Ik zit in een klas met 50 andere kinderen. Er gaat veel aan me voorbij. Waaraan ligt het nou? Ben ik nou zo dom? Vermoedelijk deug ik niet en is mijn onvermogen een soort straf van God. Die ziet immers alles. Ik ga naar een andere school. Een Montessorischool, van de hel naar de hemel.

In een gesprek met een schoolvriendje komt de vraag voorbij wat je vader in de oorlog heeft gedaan. Zijn vader heeft iets onduidelijks gedaan in het verzet. Ik weet het niet. Het vriendje heeft een oplossing: dan vraag je dat toch gewoon. Ja dat is zo, maar ik vraag het niet.

Midden jaren vijftig komt de oudste broer van mijn vader naar Nederland. Hij woont in Hollandia, Nieuw Guinea. De spanning bij vader, moeder, oma en vaders zuster is voelbaar. Er zwerven ook wat mompels rond over ooms karakter en handelwijze die niet zo positief zijn, afbreuk doen aan de image van jungle veroveraar die mijn broer en ik opbouwen. Hoewel mijn broer ook niet overmatig enthousiast was.

Oom is een grote zwaar gebouwde man, een stem als een klok, met een attitude als bon vivant. Jenever drinkend, stevig rokend en veel stoere verhalen over jagen en feesten. Vrijgezel, maar er waren toch ook wel wat opmerkingen over vroegere relaties. Erg duidelijk was het niet maar het leek erop dat hij eerder getrouwd geweest was en er was ook iets met een vriendin van vader en moeder, oma en tante Zus. Hoe het allemaal in elkaar stak wist ik niet. Inderdaad groot sterk, stoer, imponerend en los geld in zijn broekzak. Mijn broer en ik krijgen een dynamo en een voor –en achterlicht voor onze fietsen. Een cadeau in onze ogen van onschatbare waarde.

Mijn broer, argwanend, kribbig en met scherpe tong was heel makkelijk te provoceren. Oom had er kennelijk plezier in z’n oudste neef te stangen en de reactie van mijn broer bleef niet lang op zich wachten. Hij schreeuwde: “Vuile SS-er” en nam de benen. Deze explosie galmde nog dagenlang na. Toen ik enige tijd later met oma Trui alleen was en dit voorval ter sprake kwam vroeg ik haar: “Oma we hebben toch in Duitsland gezeten ?”. Ze reageerde met: “Ja kind, maar daar moet je maar niet meer over praten”. En dat deed ik ook niet en de herinnering zakt weg.

In de zestiger jaren krijgt mijn vader meer financiële armslag na promotie op de verffabriek. Hij gebruikt de verruimde mogelijkheden door zich steeds meer te omringen met fraaie antieke meubelen en voorwerpen. Zo verkrijgt hij een fraai schilderij van den Belgisch zeeofficier uit het midden van de negentiende eeuw. Deze onbekende man krijgt een prominente plaats in het huis. Het doet me denken aan soort etalagepop, reclame voor een nieuwe status. Hij overreed of misschien dwingt hij mijn moeder luxe kleding te dragen en koopt hij antieke juwelen voor haar. Mijn moeder buigt, maar het niet van harte. Haar pantoffels en een vestje zitten haar kennelijk prettiger als ze weer in een boek verdiept zit. Het kost soms veel moeite haar aandacht te trekken als ze leest en ze leest veel.

Ze krijgt last van allerlei kwaaltjes. Een ‘frosen schoulder’, pijnlijke benen, gewicht neemt sterk toe. De ene arts na de andere, fysiotherapie, alternatieve behandelingen, handopleggers, het helpt maar weinig. Uiteindelijk belandt ze in het ziekenhuis voor een schildklier operatie. Het grijpt haar zo aan dat haar geestelijke stabiliteit wankelt. Als ik mijn zorgen daarover aan mijn vader kenbaar maak, zegt hij dat hij er met haar over zal praten. Na het ziekenhuis is ze meer gesloten dan ooit.

Ze kopen, of beter, hij koopt, een tweede huis in Zeeland. Een merkwaardig situatie ontstaat als mijn grootouders aan moederszijde daar in het eerste begin op bezoek komen. In het dorpje woont een nicht van moeder, dochter van een zuster van haar vader. De nicht is getrouwd en ze runnen een hotel annex café en feestzaal. Opa vertelt aan zijn aangetrouwde neef dat zijn schoonzoon en dochter in het dorp een huis gekocht hebben en er misschien gaan wonen.

Mijn vader blijkt onaangenaam verrast, “Er was toch afgesproken dat jullie dat niet zouden vertellen”. Ik vroeg me af waarom niet, anders had hij toch ook geen moeite om anderen te verrassen met nieuwe aankopen. De geweldige aankoop moest toch ook aan zijn schoonouders geshowd worden. Op de een af andere manier maakte hij zich zorgen over de reactie van zijn aangetrouwde neef en nicht of de bezoekers van de stamtafel. Er was kennelijk weer iets waar niet over gesproken mocht worden. Dat deed ik dan ook niet.

Uiteindelijk gaan ze er toch wonen, laten een nieuw huis bouwen waar wij allen, kinderen en kleinkinderen van harte welkom zijn. Op een mooie nazomer middag eind jaren tachtig zijn we daar met z’n zessen. Mijn broer met zijn vrouw, mijn ouders en mijn vrouw en ik. Moeder is bezig in de keuken wij zitten in de woonkamer bij de open haard. Ze zon gaat onder en hangt als een oranje skippybal boven de bomen in de tuin.

Plotseling komt mijn broer met een herinnering en zegt tegen mij: “Weet je nog wel, toen, we zaten in een trein en plotseling kwam er een vliegtuig, er werd geschoten en wij moesten eruit en schuilen in een greppel naast de spoorlijn”. Mijn moeder springt als door een wesp gestoken de keuken uit en bitst dat dat een nare tijd was en dat ze het daarover nooit meer wilde hebben. Dat is ook gebeurd. Mijn vader scharrelde wat onzeker en bedremmeld rond en vroeg of we een borreltje wilden. Duidelijk was dat dit een onderwerp was waarover we niet moesten praten. Dat deden we dan ook niet, dat waren we zo gewend. We dronken een borreltje en klepten wat over het weer en andere onnozele zaken. Na afloop gingen weer ieder ons weegs en het duurde nog lang voordat het onderwerp weer op dook. Mijn moeder was toen al overleden.

In 1996 zijn mijn vrouw en ik bij vader op bezoek. Hij woont nog steeds in het kleine dorpje, het grote huis is verkocht en nu woont hij in een huisje in een nieuwbouw wijkje. Hij nodigt ons dan nogal eens uit om aan een haventje aan de Oosterschelde te gaan eten.

Onderweg naar hem toe komt tante Ans ter sprake. Ik was haar weer tegengekomen in therapiesessies die ik al geruime tijd volgde. Ik vroeg me hardop af waar die vrouw eigenlijk vandaan was gekomen. Hoe zij bij ons gezin, bij een in was komen wonen. Ik zou het mijn vader vragen. In het restaurantje kabbelde de middag rustig voorbij. Mijn vrouw vroeg op een gegeven moment naar de herkomst van ‘tante Ans’. De vraag over mijn vader. Hij reageerde als door een wesp gestoken met: “Inspecteur Vlijmscherp, dat moet je zien in het geheel van de tijd anders begrijp je er niets van. Ik zal het hem nog wel eens vertellen als hij oud genoeg is”. Ik begreep dat er weer een taboe onderwerp was aan geroerd en schakelde weer over op de gebruikelijke sociale muzak. Mijn vrouw zweeg geschrokken en vroeg niet door.

Op de terugweg kwam ze erop terug en vroeg me of ik gehoord had wat mijn vader gezegd had. Ik bleek het niet meer te weten. Ze herhaalde de woorden van mijn vader en toen drong de absurditeit ervan tot me door. Ik nam me voor hem te bellen en een afspraak te maken voor een gesprek onder vier ogen over dat onderwerp waar ik met mijn drieënvijftig jaar nog niet oud genoeg voor was. Mijn vader probeerde zijn opmerking af te doen als een min of meer betekenisloos grapje. Ik zei: “Je kan me wat, ik kom aanstaande zaterdag naar je toe”. Er kwamen nog wat tegenwerpingen en hij wilde dat mijn broer er ook bij was. De tegenwerpingen heb ik verder genegeerd en ik wilde met hem praten en alleen en ook zonder mijn broer erbij.

De eerst volgende zaterdag ben ik gegaan. Hij stelde zich breed en pontificaal op en vroeg me wat ik van hem wist. “En jongen wat weet jij van je vader”? Ik was vast van plan me niet te laten intimideren of op een zijspoor geschoven te worden.

Ik heb hem uitgelegd dat hij wat mij betreft beter tv-regisseur was geworden omdat het schuiven met decors en accenten hem op het lijf geschreven waren. Ik had geen vragen, hij moest maar beginnen waar hij wilde, want ik wist niet zoveel van hem. Deze zaterdag bleek de eerste schokkende bijeenkomst van een reeks van drie. Toen ik weer thuis kwam was het eerste dat ik tegen mijn vrouw kon zeggen “Ik was dus niet gek”. Mijn al tientallen jaren voortdurende gevoel dat er iets niet klopte, dat er iets was, dat de familie van mijn moeder afstand nam, juist was.

Helaas had ik me laten ontfutselen dat ik nog niets tegen mijn broer zou zeggen. Hij wilde dat zelf doen. Mijn vrouw wees me op het feit dat als vader eerst met mijn broer zou praten, mij de mogelijkheid werd ontnomen om te checken wat ik mij voor dat eerste gesprek al herinnerde van de treinreis na Dolle Dinsdag en het verblijf in Duitsland. Ik heb contact gezocht met mijn broer en we hebben zitten borrelen aan de Kaag. Hij bevestigde mijn eerste herinneringen, maar kon ook niet plaatsen waar ze vandaan kwamen. Het was een moeilijk contact, eerstens omdat ik mijn reeds lang gevestigde mening over het chagrijnige en opvliegende karakter van mijn broer moest heroverwegen en het steeds maar onderdrukken van de schreeuw naar duidelijkheid, naar waar ik het eigenlijk met hem over wilde hebben.

Mijn broer en zijn vrouw kregen het ongelooflijke verhaal later te horen. Ze waren razend.

We hebben met z’n vieren lang gepraat en allerlei brokstukken en vergeten incidenten kwamen weer boven. We konden de puzzelstukken zo in elkaar schuiven en elkaars ervaringen vergelijken en verifiëren. Een proces met veel woedde en verdriet.

De nachtmerries besprongen m’n broer weer. Een vreselijke tijd brak aan, ook hij moest zijn meningen heroverwegen en gedragingen onder ogen zien. Hij heeft zijn kinderen, evenals ik de mijne op de hoogte gebracht van het NSB verleden van onze vader en moeder.

Voor mijn broers jongste vielen ook allerlei incidenten op de plaats, zijn oudste die opa’s favoriete kleinkind was moest onder ogen zien dat de liefhebbende attente opa een heel onverwachte zwarte kant had. Het viel mij ook moeilijk om mijn kinderen van het verzwegen verleden op de hoogte te brengen. Nam ik ze hun opa af? Was ik bang voor hun misschien negatieve reactie om hun opa niet meer te willen zien? Zelfs na de twaalf jaren die sinds dien verlopen zijn, is het me niet duidelijk. Ik had er moeite mee en probeerde me eraan te ontrekken door uitstel van een gesprek erover. “Ik vertel je dat later wel”. Mijn tweede zoon prikte dwars door mijn vaagheid heen en merkte op: “Nu doe je hetzelfde als je vader”. Hij had gelijk. Ik ervaar soms ook wel hoezeer ik op hem lijk en de neiging heb om moeilijke gesprekken uit de weg te gaan. Meestal onder het formuleren van al dan niet uitgesproken situationele argumenten. “Ik voel me niet zo lekker”. “Het is al zo laat”. “Later als ik het zelf helder heb”.

Zeker wetend dat mijn broer het onderwerp niet graag besprak, stimuleerde hij mij toch om me uit te spreken en samen onze herinneringen door te praten. De beelden van het verblijf in Duitsland wist hij aan te vullen met details die ik niet wist of me nog niet herinnerd had. Voor de boerderij lag een ingegraven tank. De gevaarlijke beerput die nauwelijks afgedekt was. Een erin geworpen steen zonk maar heel langzaam weg, de stank ervan drong zich weer op. De mesthoop op de binnenplaats. De pomp op het erf, steenkoud raar smakend water. De keuken met zijn in de zon oplichtende dwarrelende stof. Het houten schot met het kleed ter afscheiding van de buitendeur en de keuken. De geheimzinnige kelder onder het huis, toegankelijk via een luik onder of naast het bed. Het zorgvuldig opgeslagen zaaigoed op een zolder. Het dekken van een zeug, veel geschreeuw, mannen die me wegduwen, de reusachtige beer die over de omheining probeerde te klimmen

Ook op zijn plaats viel de oranje sjerp waarmee ik uitgedost werd op Koninginnedag in 1947. Ik moest zo de straat op en ik voelde dat het niet klopte. M’n moeder had er kennelijk geen zin me zo op te dirken, maar oma’s wil was wet. In haar machteloosheid gaf ze grommend toe en ik voelde me erg onzeker. Het werd ook duidelijk waar tante Ans vandaan kwam. Mijn ouders hadden haar via de NSB leren kennen en de banden steeds meer aangehaald. Ze kreeg een positie waarin ze haar veelzijdige seksuele interesse zonder veel terughoudendheid kon bevredigen. De bron van uitgeschreeuwde razernij van mijn moeder en de beteuterde houding van mijn vader werd helder. De bezoeken van de heer en mevrouw Pauli, afgevaardigden van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten en de spanning die deze bezoeken in ons gezin opriepen.

Het incident met de oudste broer van mijn vader en mijn broer. M’n aarzeling om de vraag te stellen: “Vader wat heb jij in de oorlog gedaan”? De bezoekers waar ik zo onderhuids van griezelde, hun gemaakte belangstelling en het achteloos afdoen van mijn aanwezigheid. Leden van het “old-boy-netwerk”.

In de periode van werkeloosheid en armoede na zijn internering sanatorium “Lommerrijk” te Hilversum duikt het vroegere blokhoofd van de NSB weer op. Het old-boys-network is hecht. Deze NSB-er had ook dienst gedaan bij de Waffen SS en was na zijn ontslag aan de bak gekomen bij voormalige SS vriendjes. Aanvankelijk wilde hij mijn vader niet ter wille zijn. Hij wilde niet pleiten voor zijn voormalige rechterhand.

Op een gegeven moment gebeurde dat toch. Vader kreeg een baantje als facturist op een verffabriek in Den Haag. Een nest vol oud SS-ers en NSB-ers, een familiebedrijf van voormalige “Ost Elbischer Gütsbesitser”. Industriële grootgrondbezitters in Oost Pruisen, nu de Baltische staten en voor de Russen gevlucht. Vader verzwijgt zijn nog niet genezen TBC wordt zoveel mogelijk. Lange tijd gebruikt hij de lunchpauze om naar het TBC-consultatie bureau te gaan en daar behandeld te worden met de techniek van de pneumathorax. Waarbij lucht tussen long en longvlies wordt gespoten in de hoop dat de wondvlakken in de samengedrukte long aan elkaar groeien.

De achtergrond van zijn opmerkingen over de oorlog en de vraag of ik soms dacht dat Churchill niet tegen de muur gezet zou zijn als Duitsland de oorlog gewonnen had. Niet Hitler, maar Duitsland terwijl hij de brieven aan mijn moeder besloot met Heil Hitler.

Zijn ronduit discriminerende uitspraken over een Surinaamse stagiair en de in dat gesprek verweven opmerkingen over de verwachting, feit eigenlijk, dat mijn broer en ik Europa met het geweer in de hand zouden moeten verdedigen tegen de zwarte hordes.

De ontluisterende ontdekking over de verzwegen achtergrond van zijn pogingen om een tweede naam toe te voegen. Het argument om mijn broer en mij over de streep te trekken was onze relatie met oma. Een vrouw waar we beiden opgesteld waren en waar we heel vaak kwamen. Naamswijziging als een soort eerbetoon. Dat kon wel kloppen, maar de vervaging van zijn NSB achtergrond speelde ook een rol. Hij ervoer het Koninklijk Besluit als, een streep onder zijn verleden. Hij had zijn kiesrecht al terug, nu nog de koninklijke erkenning van zijn nieuwe bestaan en status.

Ook zijn speuren in de genealogie kwam in een ander daglicht te staan. Ik begreep nu waarom als zijn gegevens verdwenen waren en waarom hij überhaupt zo geïnteresseerd was zijn voorouders. Het was immers ook een NSB-hobby omdat te doen, vast te stellen waar het bloed vandaan kwam en in welke bodem het had gefloreerd.

Mijn vader heeft mijn afzijdige houding naar mijn broer natuurlijk ook ervaren en deed er weinig aan. Maar na het overlijden van mijn moeder in 1991 bracht bij mij zijn wens naar voren dat de sibbe bij elkaar moest blijven. Een woordgebruik dat me toen al de wenkbrauwen deed optrekken. Blut und Boden taal, waarom? Ik verbeelde me later dat ik geen zin had om in een soort discussie te verzeilen. Angst om toch te spreken over het verbodene, het gevaarlijke, het onbespreekbare, het verzwegene, ligt meer voor de hand.

Het verbod aan opa en oma van moederszijde om aan neef en nicht te vertellen dat hij het “hoefje”van H. had gekocht, had te maken met het NSB lidmaatschap van H.

Hij wilde eerst zorgvuldig peilen hoe e.e.a. zou kunnen vallen in een dorpje met nog geen achthonderd inwoners. De ene NSB-er die zaken deed met de andere NSB-er. Een figuur die in het “goed-fout” klimaat van de jaren zestig tot veel praatjes had kunnen leiden.

Er is niet zoveel fantasie voor nodig om in te zien dat opgroeien in de dergelijke situatie makkelijk zou kunnen leiden tot problemen later. Ik heb met mijn moeder nooit kunnen praten over de dingen die mij bezig hielden. Enerzijds speelde een geheimzinnig rookgordijn rond vragen die niet gesteld mochten worden. Anderzijds was ze onbereikbaar in een smeulende depressiviteit, die totaal onverwacht kon omslaan grauwende agressie. Ik had geen toegang en kreeg die ook niet, nooit. Het gevoel van niet welkom te zijn groeide met de jaren. Ik werd gevoed, gekleed, gehuisvest, ik groeide op. De belangrijkste sociale aanwijzingen waren: oppassen, niet opvallen, doe je best, de anderen deugen niet.

Geboren begin 1943, een ongewenst kind, opgroeiend in een verwarrende wereld, die bovendien een paar keer volledig op de kop werd gezet. Vader ziek, vader weg. Angstige moeder, vluchten, trein beschoten. Boerderij, moeder ziek (tyfus), moeder weg. Soldaten, transport terug. Niet naar huis, naar een kamp. Moeder weer ziek(tyfus), weer weg, broer ook weg. Naar opa en oma en weinig welkom. Naar ander huis, Ans weer terug. Gerotzooi van Ans. Vader terug, weer ziek en weg. Vader weer terug, spanningen thuis. Dat alles tussen januari 1943 en zomer 1947. Het resulteerde in een argwanend, teruggetrokken kind met soms laaiende uitbarstingen van woedde en vernielingen. Ik wilde weg. Samen met een vriendje fantaseerde ik over weglopen en maakten we een plan. We verzamelden geld. Ik borg het op in een stoelzitting. We zouden een vlot bouwen en overzee vertrekken. In de duinen zaagden we een boompje om, het begin van het ontsnappingsvlot. Het is er nooit van gekomen, mijn moeder vond het geld en het plan kwam uit. Erg veel pogingen om erachter te komen waarom ik weg wilde zijn nooit ondernomen. Voor mij bleef het ook vaag, dat waarom. Niet vaag was mijn vaste voornemen om over dat vage helemaal niks te zeggen. Een ander vertellen wat je dacht, veel te gevaarlijk, niet doen, mond dicht.

Op school ging het niet, dromerig, afwezig, verloren in de massale klassen. Ik wist zeker dat ik niet dom was, maar het ging niet. Bijbellessen deden me vermoeden dat ik niet deugde, dat dit mijn straf was. Waarom ik gestraft moest worden begreep ik niet, maar Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Ik zou wel iets onzegbaars hebben uitgehaald, ik deugde niet. De remedie voor mijn slechte schoolresultaten was: bijles. Als anderen rustig buiten speelden, moest ik op woensdagmiddag naar juffrouw H. Op de gracht voor haar huis werd geschaatst. Graag had ik mee gedaan, maar schaatsen was gevaarlijk. Dus verordonneerde vader dat er niet geschaatst werd. Ik voelde me een beetje een sukkel: lopend op het ijs met mijn “leren”schooltas en mijn “drollenvanger”. Baantje glijden ging prima op mijn hoge schoenen”. Als de groep baantje glijders groot werd, verdween ik maar.

Lange zwerftochten door de stad. Naar het strand, naar de bunkers, naar de afbraak waar een VI of VII was neergekomen. Soms met een groepje anderen, maar vaak alleen. Ook al was het vaak benauwend eng in de bunkers of onbekende buurten.

De straat is heel lang de plek geweest waar ik me het meest thuis voelde. Je kon gaan en komen waar en wanneer maar je wilde. Thuis voelde niet goed. Moeder afwezig verstopt in een boek. Vader aan het werk en als hij thuis was, was hij de richtbaak en je werd gericht. Wat ik dacht, voelde of wilde was onbelangrijk. Je mocht overal kijken, als het maar was in de richting die hij aangaf. Ik geloof dat ik thuis een heel braaf jongetje was, maar alleen thuis of beter misschien uit het zicht van machthebbende volwassenen. Ik werd groot en sterk en was een tijdlang de schrik van de buurt. Dwong met mijn fysieke overwicht anderen. Conflicten werden niet uitgepraat, als het me niet beviel sloeg ik erop.

Mijn excuus voor zo’n gewelddadige uitbarsting bestond vaak uit de overweging dat ik niet begonnen was, dat de ander de eerste klap, duw of schop gegeven had. Dat ik de agressie had kunnen vermijden door weg te gaan of mijn gevoelens te uiten kwam gewoon niet in me op. Als ik me voldoende geprovoceerd voelde ging het fout. Pas rond mijn twintigste kalmeerde de woedde en de onrust een beetje.

Op school bleef het slecht gaan. De Mulo was een ramp. Toch lukt het met veel doorzettings-vermogen en bijles de eindstreep te halen. Ik wilde perse niet in de handel. Een sector waar mijn ouders, met name m’n vader me graag had gezien. Ik al teveel gezien van de sjoemelkanten van de handel en wilde iets anders met mijn leven. Ik koos ervoor om het onderwijs in te gaan. Vandaag de dag is het me nog steeds niet helemaal duidelijk waarom ik die gekweld werd door dyslexie deze richting koos. Ook op de kweekschool ging het niet makkelijk.

De ontwikkelingen in de liefde waren ook nogal wisselend. Mijn vrouw kende ik al op de Mulo en het heeft lang geduurd voordat haar keuze vaststond. Ze kan haar aarzelingen nu helder aangeven. Er was iets met me, ze wist niet wat, maar het klopte niet. We ontwikkelden beide een scherp oordeel over de gang van zaken in de wereld en bevestigden elkaar daarin. Dat was de reden dat ze me niet echt aan de kant wilde schuiven. Dienstplicht was een soort emotioneel Siberië voor me. Tegelijkertijd aantrekkelijk door de kant en klare helderheid van wat ervan je verwacht werd. In het onderwijs koos ik voor de minst bedeelden. Kinderen die om welke reden dan ook het niet redden in de min of meer reguliere vormen van onderwijs. In mijn eerste baan kwam ik een gymnastiekleraar tegen waar ik een soort intuïtieve afkeer van had, vanaf het eerste moment dat ik hem ontmoette. Veel later ontdekte ik dat hij een “bruin”verleden had en vele jaren niet in het onderwijs mocht werken.

Ik stort me in het werk en kan me er slecht van losmaken. Grote ergernis over structuren die sommige kinderen regelrecht benadelen. Spanningen met collega’s over hun vermeende luiigheid waardoor ze kinderen die beslist hulp nodig hadden, laten zwemmen.

Eerste kind wordt geboren, een prachtige dochter. Ik krijg een naar ongeluk. Overigens te wijten aan teveel haast in het organiseren van een onderwijsactiviteit. Zit langdurig (8mnd) in het gips en ga onverantwoord snel weer aan het werk

Naast de revalidatie en het werk achter mijn (onze) grote hobby aan. Een boot bouwen, van staal en helemaal zelf. Het gezin breidt zich uit. Er komen nog drie jongens bij. We kopen een groot, maar sterk verwaarloosd huis. Botenbouw stop en 2 jaar lang een huis verbouwen.

Als het huis klaar is, weer verder met de boot. Als het schip te water gaat valt er een gat in mijn activiteiten. Ik besluit te gaan studeren. Op mijn veertigste had ik al veel in het onderwijs gedaan, onderwijzer, hoofd der school, leraar voorgezet onderwijs, adjunct directeur. Ik zou nog 25 jaar verder moeten en wilde niet als een chagrijnige, verbitterde onderwijsgevende eindigen. Nieuwe inspiratie, ik wilde het ook wel eens theoretisch weten, de praktijk kende ik al. De start van een jaren durend proces. Vlak voor mijn vijftigste bereik ik wat ik wilde bereiken. Mijn moeder overlijdt, plotseling, binnen een paar seconden. De klap is hard. Ook al was ik al jaren met haar uitgepraat, haar sterven raakt me dieper dan ik ooit gedacht had.

In het werk gaat het niet zo goed. Ik merk dat ik niet meer onbevangen en sterk in mijn schoenen sta als voorheen. Ik trek me een beetje terug in mijn directiekamer en vermijd steeds meer contact met leerlingen. Eigenlijk voel ik me niet veilig meer, maar ik beet liever op mijn tong dan dat met wie dan ook te bespreken.

Langzaam aan dringt tot me door wat ik heb laten gebeuren, wat ik gedaan heb. In mijn gezin min of meer onzichtbaar. Het werk, dat maatschappelijk zo belangrijke werk was mijn excuus. De studie was toch noodzakelijk, wie wil zich niet ontwikkelen? De boot was toch voor het hele gezin, we genoten er toch allemaal van? Nou ja niet allemaal, maar toch.

Op mijn vijftigste trekt mijn lichaam de remmen aan. Ik krijg trombose en een longembolie en zweef enige tijd op het randje. De trombose zou nog vaak terugkeren. Als ik de draad van het werk weer wil oppakken blijkt dat in het lopende fusieproces de poten onder mijn stoel uitgezaagd te zijn. Ik meld me ziek en ga in therapie. Een proces dat verscheidene jaren loopt. Ik werk wel, maar met horten stoten en niet met plezier. Ik voel me als onbruikbaar aan de stoeprand gezet. De woede groeit weer en hoe ik mijn best doe en probeer de onnozele adviezen van een nauwelijks geïnteresseerde therapeut op te volgen, ik krijg het niet onder controle. De bom barst als mijn vader met zijn geheim op de proppen komt. Daarnaast had ik het gevoel dat ik mijn werk regelrecht gepest werd in de hoop dat ik op zou stappen. Ik meld me ziek en neem me voor om geen enkele poging meer te doen om terug te keren. Afkeuring volgt. Contacten met Herkenning helpen me de chaos onder ogen te zien.

Mijn uiteindelijke conclusie is: ik heb onbewust heel hard voor de rotzooi uitgerend en ben toch ingehaald.  Ik ben nu bezig mijn leven weer op orde te krijgen. Vreugde te ervaren in wat er nu is en te accepteren dat mijn leven gegaan is zoals het gegaan is.