Vijf huizen even buiten de bebouwde kom van Eindhoven, aan de rijksweg naar Valkenswaard. De ouders van de daar wonende gezinnen hadden op eigen initiatief achter de huizen een schuilkelder gebouwd die, als de gevaren zouden toenemen, schuilplaats zou moeten bieden aan circa 40 personen.
De situatie deed zich voor op 18 september 1944, de dag die later in de geschiedenis zou gaan als de bevrijdingsdag van Eindhoven. Op die dag ging het hele gezelschap, met inbegrip van mijn oma, die door de Duitsers uit haar woning was gezet, richting schuilkelder. Daar aangekomen bleek deze bezet te zijn door een zestal zeer jonge Duitse soldaten, die naar het scheen het contact met hun eenheid waren kwijtgeraakt. Op verzoek van mijn buurman, die enige woorden Duits sprak, toonden zij zich zeer bereid het veld te ruimen!
Vervolgens nam het gezelschap plaats in de schuilplaats. Het had nog wel enige voeten in de aarde voordat iedereen een plaatsje had gevonden, maar dat lukte uiteindelijk. Een jong stel werd tegen de middag toch maar in een van de huizen gestuurd om te zorgen dat er wat te eten zou zijn. Het was erg moeilijk de dag door te komen.
Rond 16.00u ontstond er rumoer. Wat bleek? Over de rijksweg naderden de Engelsen, die snel oprukten om contact te kunnen maken met de Amerikanen die de dag daarvoor ten noorden van Eindhoven waren geland. Niemand was meer te houden. De schuilplaats liep leeg.
Mijn oudere broer, die later nog drie jaar zou dienen in het toenmalige Nederlands-Indië, zei tegen mij: ‘In de bossen even verderop zaten soldaten, dus daar zullen nog wel geweren zijn.’ Als argeloze tienjarige ben ik achter hem aangelopen.
Nog maar net het bos in stuitten wij op een Duitse soldaat die zich daar verborgen had. Op de vraag van mijn broer, die in Algemeen Beschaafd Brabants moet hebben geklonken, waar zijn geweer was, antwoordde hij: ‘Weiter’. Mijn broer wist daar blijkbaar raad mee, vervolgde zijn weg en liet mij achter bij de ‘gevangene’.
De soldaat sprak mij aan waarbij ik me alleen het woord ‘hunger’ herinner. Daarop heb ik waarschijnlijk zo enthousiast gereageerd dat hij een worst uit zijn broek toverde en mij daarvan een deel gaf. Smakelijk daarvan genietend werd ik vervolgens bij de hand genomen en zijn we samen naar de grote weg gelopen. Hij zal gedacht hebben dat ze hem in mijn bijzijn niet direct kwaad zouden doen.
Mijn vader, die ons inmiddels miste, zag ons aankomen en zag wit van schrik. Op zijn vraag waar mijn broer gebleven was, vertelde ik hem wat die aan het doen was. Even later verscheen mijn broer met aan zijn schouders een heus geweer, dat al gauw in beslag werd genomen door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, die in die tijd uit het niets tevoorschijn kwamen.
Vandaag de dag zeg ik nog wel eens als oorlogsherinneringen worden opgehaald: ‘Ik heb destijds nog een krijgsgevangene gemaakt’.