Mijn ouders spraken beiden Japans en hadden in Japan gewoond. Mijn vader trad op als tolk bij de capitulatie van Nederlands Indië in april 1942. Mijn moeder kon zich bij de Japanse bewakers van het kamp redelijk verstaanbaar maken.
Wij overleefde de oorlogsjaren redelijk ongeschonden en zonder de trauma’s die, zoals ik later begreep, zoveel anderen hebben achtervolgd. Het waren rotjaren geweest, maar de blik was op de toekomst gericht. Mijn vader en moeder waren zelfs aanwezig bij een diner dat begin jaren vijftig werd gegeven ter ere van de Japanse kroonprins, die in Nederland op bezoek was.
Van de kampjaren zelf en de bevrijding herinner ik me eigenlijk heel weinig, wel van de verhalen van de tijd direct na de bevrijding. Het is misschien goed om nog eens te memoreren, dat op het moment van de capitulatie van Japan, na de tweede atoombom van Nagasaki, er niet een geallieerde soldaat in Indië was. De Amerikanen waren, op weg naar Japan, niet aan Nederlands-Indië voorbij gegaan. De eerste geallieerde militairen kwamen pas, mondjesmaat, in de loop van september, aan land.
Op de dag van de capitulatie riep de kampcommandant ons allemaal op appel, zoals we dat jaren gewend waren geweest. We waren op dat moment geloof ik met ongeveer 10.000 vrouwen en kinderen. Tot ieders vreugde deelde hij ons mede dat Japan had gecapituleerd en dat de oorlog voorbij was.
Maar hij vertelde ook, dat hij de opdracht had gekregen van het geallieerde opperbevel om alle vrouwen en kinderen van ons kamp vanaf dat moment niet meer te bewaken maar te beschermen tegen de opstandige en gevaarlijke lokale bevolking. Iedereen moest dus voorlopig in het kamp blijven, met de Japanse ‘beschermers’. Een moeilijk te bevatten mededeling. De buitenwereld was blijkbaar in die paar jaar grondig veranderd.
Maar mijn moeder, een eigenzinnige en eigenwijze vrouw, liet zich nu niet zomaar meer de wet voorschrijven. Ze moest en ze zou naar de stad om zelf te zien hoe de wereld eruit zag. Ze wilde vooral Chinese en Indische vrienden en bekenden opzoeken om te zien hoe die de oorlogsjaren hadden overleefd. Ze blufte zich door de poort langs de Japanse soldaten naar buiten, organiseerde een taxi en was voor de rest van de dag buiten het kamp. Wat ze op die dag heeft gezien en beleefd, dat weet ik niet.
Maar nu deed zich bij haar terugkomst bij het kamp een bizarre situatie voor. Toen ze ’s avonds weer bij de poort kwam en weer naar binnen wilde, liet de wacht haar niet door! Ze moesten immers het kamp bewaken. Zij heeft moeten praten als Brugman in haar beste Japans om weer binnen te mogen komen; immers haar drie kinderen waren daar nog.
Na drie jaren te zijn opgesloten onder erbarmelijke omstandigheden in dit overvolle interneringskamp, wachtend op de dag, dat we eruit konden, moest ze nu smeken en hemel en aarde bewegen om er weer in te mogen.
Het is allemaal goedgekozen en een half jaar later zijn we naar Nederland gerepatrieerd met het schip de ‘Boissevain’.