Een dubbele reis

Utrecht

Herinneringen aan twee verschillende kinderreizen naar Duitsland Korte tijd geleden ontdekte ze het Open Archief op internet. Dat was naar eigen zeggen een verademing, maar tegelijkertijd raakte ze volledig in de war. Dat de mogelijkheid bestond om als kind van een NSB’er je verhaal in de openbaarheid te vertellen! Ze reageerde op een oproep waarin gevraagd werd naar herinneringen aan kinderreizen naar Duitsland en Oostenrijk. Uiteindelijk besloot ze een interview te geven. Door het vertellen van haar verhaal is een last van haar schouders gevallen.

Story Archive

Dit interview is gemaakt door Ceciel Huitema

Mevrouw – die graag anoniem wil blijven – werd in 1933 in een arbeidersgezin in Utrecht geboren. Haar vader was stoffeerder en werkte tijdens de crisisjaren met onderbrekingen bij twee werkgevers. In de perioden dat hij geen werk had moest hij stempelen bij de gemeentelijke arbeidsbeurs. ‘Dat was heel denigrerend en vernederend. Hij moest elke dag komen, anders waren ze bang dat je elders een baantje had.’ Ook haar grootvader was werkloos, hij werkte daarom mee aan verschillende werkverschaffingsprojecten, waaronder het uitgraven van de Beerekuil. Als kind merkte ze niet bewust de armoede in het gezin. ‘Wat ik daar van merkte waren de verhalen, bijvoorbeeld van mijn grootmoeder. Als ze gebak zaten te eten of iets en er werd gebeld, dan schoot mijn grootmoeder op en greep ’t en zette het in de kast. “Daar hebben ze niks mee te maken”. Dus de angst die er in zat voor de controle op je uitkering, of je geen vlees at, of je geen lekkere dingen had en zo. Dat herinner ik me van die tijd.’ Na de Duitse inval van 10 mei 1940 werd haar moeder lid van de Nationaal Socialistische Beweging. Ook zette ze haar man, zonder dat hij het wist, op de ledenlijst. Bij haar thuiskomst ontstond hierover ruzie en na drie weken heeft haar vader zichzelf afgemeld. Mevrouw weet niet precies wat hiervan de reden was – want hij accepteerde wel dat zijn vrouw actief lid was binnen de Beweging – maar waarschijnlijk wilde hij zich nergens mee bemoeien. De reden dat haar moeder zich bij de NSB meldde was, volgens mevrouw, de hoop op een verbeterde economische situatie. ‘Ik ben naar Justitie geweest in Den Haag en daar heb ik gelezen – en dat herinner ik me ook nog dat ze zei: - “Als je dit niet doet ben je een dief van je eigen portemonnee”. Ze hadden niet veel vertrouwen in de overheid, dit leek een mooie organisatie en ze gingen voor de ménsen. En dat heeft haar aangetrokken.’ Toen haar moeder lid was geworden, werd vanuit de NSB al snel een beroep op haar gedaan om deel te nemen aan verschillende activiteiten. Haar moeder, een kordate en sociaal voelende vrouw, collecteerde vervolgens voor Winterhulp en deelde kleding uit aan gezinnen die dat nodig hadden. ‘Dit waren altijd dezelfde geruite jurkjes die ik weigerde aan te trekken. Dan wist iedereen dat het van de bedeling kwam.’ Haar moeder kreeg ook de verzegelde collectebussen die zij mocht openen om het geld te tellen. ‘Dat vond ze een eer. Want ze zei tegen mij: – ik herinner me nog wel dat we geld zaten te tellen – “Ze hebben vertrouwen in mij”.’ Haar moeder was trots op haar functie en het werk dat ze deed. ‘Mijn vader was werkloos geweest en er was weinig respect voor werkloze mensen.’ Haar werkzaamheden gaven haar een gevoel van aanzien. Toen de NSB reizen voor zwakke en arme kinderen organiseerde om ze te laten aansterken, gaf haar moeder graag het voorbeeld door haar eigen dochter op te geven voor een reis naar Duitsland. ‘Zij dacht: als ik, als voorbeeld, mijn dochter stuur dan komen die andere mensen ook wel die het zo hard nodig hebben. Want in mijn idee had ik het nou niet zo hard nodig.’

De reis naar Treuchtlingen, 1942

Vol enthousiasme vertelde haar moeder haar dat ze op reis mocht naar Duitsland. ‘Het werd gebracht als een soort vakantie, wat ik ook aannam.’ Mevrouw begrijpt achteraf niet dat haar moeder haar naar Duitsland stuurde, zonder te weten waar haar dochter terecht zou komen. ‘Haar vertrouwen was waarschijnlijk heel groot.’ Ze kan zich ook de ruzies tussen haar ouders nog wel herinneren over deze reis. Haar vader was van mening dat je een kind in deze tijd niet naar Duitsland kon sturen. Haar moeder had echter het laatste woord. Op de avond van vertrek verzamelden vele kinderen zich met hun ouders op het station van Utrecht. ‘Wat ik me herinner is dat er heel arme kinderen meegingen waarvan ik vond dat ze stonken en dat ze niet schoon waren. Echt arme kinderen.’ Van de reis zelf kan ze zich herinneren dat ze geen eigen zitplaats had en ze met haar bagage lang in het gangpad van de trein moest staan. De kinderen stonden en hingen tegen elkaar aan om te slapen. ’s Nachts werd de trein beschoten en moesten alle kinderen de trein verlaten. Nadat de kinderen uiteindelijk aankwamen in Treuchtlingen, een klein dorpje in Beieren, werden ze overgeladen op een vrachtwagen. ‘Ik denk dat dat maar een gedeelte van de groep was hoor, die daar afgezet werd. En dan zat je achter op de vrachtwagen, zo op een rijtje, en dan stond daar een groep vrouwen, en die kozen je dan gewoon uit. De grote jongens werden als eerste uitgekozen, ik denk omdat die goed konden werken of zo. Ik verschool me achter een jongen (…) en toen die weggeroepen werd, zag iemand mij en ze kwam helemaal naar mij toe. Mij wou ze hebben. Ik ben echt uitgekozen.’ Ze kwam terecht bij een weduwnaar en zijn twee volwassen kinderen, een zoon en een dochter. Een tweede zoon was pastoor en woonde een dorp verderop. Het ging daar in het gezin heel anders aan toe dan dat ze thuis gewend was. Na de lange reis kreeg ze van tante Mathilde, de dochter des huizes, gelegenheid om zich op te frissen. ‘De eerste dag stopte ze me in de douche. En ze liet me alleen en ik wist helemaal niet wat het was voor een ding. Ik zat zo te kijken en denk: o, dat is een kraan. Ik draaide aan de kraan, het spoot alle kanten op, alles was nat. Toen begreep ze ’t en heeft ze me geholpen.’ Ook aan tafel was het wennen, er werd gedekt met meerdere borden en veel bestek. ‘Daar lag wat en daar lag wat en ik zat maar te kijken en te kijken. (…) Iedereen begon zo maar een beetje. (…) Ik greep maar wat. (…) Ik vond het allemaal even vreemd en nieuw en leuk.’ Wat mevrouw opviel waren de beschaafde discussies tussen tante Mathilde en haar broer Josef. ‘Kijk, als er bij ons thuis herrie was, was het echte ruzie. Dit noem ik achteraf een discussie. Het was echt heel beleefd. Hij was het niet eens met haar keuze, daar ging het om. En hij probeerde haar te overtuigen. Zij zei alle goede dingen en hij zei alle vervelende dingen’. De discussies gingen volgens mevrouw waarschijnlijk over haar politieke overtuiging, over haar sympathie voor de NSDAP van Hitler. Door het meisje in huis te halen, maakte ze openlijk kenbaar waar ze voor stond, aldus mevrouw. Het gezin werd toch wel enigszins aangekeken op het feit dat ze een Nederlands meisje in huis hadden. Mevrouw kan zich echter geen enkele vorm van politieke of sociale indoctrinatie herinneren. Ook achteraf herkent ze niets van zoiets dergelijks. Het gastgezin was erg lief voor haar. Tante Mathilde concentreerde zich volledig op het nieuwe meisje in huis. Ze kreeg de aandacht die ze thuis niet kreeg. Mathilde zong liedjes met haar. ‘Ik kwam terug met een hele bende kinderliedjes, ik weet ze nog’. Duits leren ging haar heel gemakkelijk af. ‘Omdat ze zo aardig was. Ze legde alles uit en wees alles aan en dan gebruikte ze het [woord] weer. Het was gewoon een heel lief mens.’ Ook Großvati had aandacht voor haar. ‘Ze hadden een huis met een garage, zo’n inrijgarage onder het huis, en dat had hij als werkplaats, hij was schilder. (…) Ze hadden een soort Vliegende Hollander (…) met vier wielen, je kon er op zitten (…) Dat hadden ze me geleerd, dan reed ik met dat ding en dan ging dat natuurlijk te vlug en dan ving hij mij beneden op.’ In die zes weken dat mevrouw in Beieren verbleef, had ze geen contact met andere kinderen, geen Nederlandse en ook geen Duitse. Ook was er geen sprake van correspondentie met haar ouders in Nederland. Haar enige contact buiten het gastgezin waren de bezoeken op zondag aan de in Sommersdorf wonende zoon. ‘Op zondag liepen we door het bos. Een heel end lopen, de berg af en dan kwamen we bij zijn huis in Sommersdorf, dat was een dorpje vlakbij, daar gingen we dan koffie drinken en zelfgemaakt gebak eten. Ik kreeg limonade. Dat was heel bijzonder, dat kende ik niet. En mocht ik op de schommel zitten’ (Zie foto). Mevrouw bewaart heel goede herinneringen aan dit verblijf in Beieren. ‘Dat is de mooiste herinnering ooit. En nog, klokgelui – want dan hoorde je de klok luiden op zondagmorgen – en de bergen en de watervalletjes… Ja, dat heeft me door heel veel dingen heen gesleept, dat ik dacht: dat is mooi en daar hou ik me aan vast.’

Voor een tweede keer naar Beieren, 1943

Door haar plezierige ervaringen in Duitsland ging mevrouw het jaar daarop ook weer met een kinderreis van de NSB mee. In tegenstelling tot de eerste keer, was haar reis in 1943 teleurstellend. ‘Dat was helemaal niet leuk. In de trein was het niet leuk, dat was veel erger, het duurde heel lang, er was een jongen die viel me lastig, die zat altijd maar aan mijn lijf. Ik heb mijn nood geklaagd bij anderen, nou dat hielp dan wel, maar die jongen zat ook in het dorp waar ik toen naar toe ging (…) en die bleef me lastig vallen.’ Ze kwam in het dorpje Diespeck am Eich terecht bij een weduwe in een heel oude boerderij. ‘Ze was niet aardig, en toen ik mijn nood had geklaagd over die jongen, toen wou ze van alles weten, wat hij deed en hoe en waar. En dat was heel onprettig. Dat was helemaal niet leuk. Ik was bij haar dus ook niet veilig voor mijn gevoel.’ Had ze in Treuchtlingen nog alle aandacht gekregen van haar gastgezin, in Diespeck am Eich voelde ze zich erg eenzaam. Ze herinnert zich de heel grote, rommelige tuin, met veel onkruid en brandnetels. ‘En achter die tuin ontdekte ik een man, die was daar aan het werk en die sprak me aan, maar die verstond ik helemaal niet. Met handen en voeten vertelde hij dat hij ook een meisje had met blonde haren, net als ik en dat was net zo oud als ik. Dat was ons gesprek. Achteraf denk ik dat hij een krijgsgevangene is geweest, die werden daar ook tewerk gesteld, uit Polen.’ Toen ze die mevrouw vertelde van die man, mocht ze niet meer in de tuin komen. ‘Dat was heel jammer’. Dat heeft ze wel gemist want hij was belangstellend. Los van de nare herinneringen heeft ze ook één goede herinneringen aan haar tweede reis naar Beieren overgehouden. ‘Ik was ganzenhoedster daar, ik ging er met een stokje op uit en een rijtje ganzen. En aan de voet van de berg was een watertje, dat liep daar gewoon tot je enkels, daar liep ik dan op mijn blote voeten, moest ik op de ganzen passen. Dat was wel leuk. En thuis gekomen moest ik dan uit de brandnetels de topjes plukken en die werden dan fijngesneden, dat ging door hardgekookte eendeneieren heen gemengd. Dat was voor de jonge ganzen. Dat was mijn werkje.’ Het zien van ganzen maakt mevrouw nog steeds blij. ‘Nog steeds ben ik helemaal gelukkig als de ganzen overvliegen. Dan ren ik naar buiten om ze te zien en te horen.’ Verder moest ze ook voor haar gastvrouw boodschappen doen, waaronder bij de bakker in het dorp. Hij zag blijkbaar dat ze niet gelukkig was en troostte haar, trok haar tegen zich aan en aaide haar over de bol. ‘Dat was heel bijzonder. Daar was niks geks bij, heel lief.’ Deze herinnering aan die bakker, met zijn blauw-wit gestreepte bakkerssloof en de geur van meel om zich heen, schoot haar een aantal jaren geleden weer te binnen. Op vakantie in Frankrijk stapte ze een bakkerij binnen met eenzelfde stoep als de bakkerij in Diespeck am Eich en snoof ze dezelfde geur op als toen.

De gevolgen

Door de activiteiten en het lidmaatschap van haar moeder functioneerde het gezin tijdens de oorlog eigenlijk alleen nog maar binnen de sociale kaders van de NSB. Mevrouw had geen vriendinnetjes en vriendjes op school. Ze herinnert zich nog de pesterij van een jongen waarmee ze altijd samen naar school liep. Hij heeft eens in haar gezicht geplast. ‘En dan liep hij lachend weg. Er was iets maar ik kon er de vinger ook niet op leggen. Ik dacht dat ze mij niet mochten.’ Ze kwam nooit bij mensen thuis, behalve bij het buurmeisje aan de overkant, maar haar ouders waren dan ook lid van de partij. ‘Op school ging het mis. Ik zat bij juffrouw L., dat weet je dan nog. Ze was zo gemeen, die sloot met uit. Als ik mijn vinger op stak, zag ze het niet, moest ik plassen dan zag ze het ook niet. Met handwerken mocht iedereen al met wol werken en ik zat nog met katoen te prutsen, allemaal van die kleine dingetjes. Als ik iets wist en ik stak mijn vinger op, dan reageerde ze daar niet op. (…). Bovendien was ik ook nog eens linkshandig. In de vierde klas had ik meneer v.d. B. en dié is de enige op school geweest die gewoon vriendelijk was voor mij. In de vijfde klas werd de school gesloten. Ik heb de vijfde klas dus niet meegemaakt.’ Vanwege de hongerwinter en de schaarste aan van alles. Na de bezetting werd haar moeder geïnterneerd. Dankzij kordaat optreden van haar vader en oma konden ze in hun huis blijven wonen (lees hierover meer in haar andere verhaal op het Open Archief). Over haar familiegeschiedenis en haar reizen naar Duitsland heeft ze heel lang gezwegen. Thuis was er geen mogelijkheid om haar verhaal te doen. ‘Ja, mijn moeder was zo’n mens, die ging prat op wat zij allemaal had meegemaakt. Eigenlijk, kreeg ik weinig ruimte om te vertellen. Ze wist toch wel waar ik geweest was. En met mijn vader kon je niet praten, dat was een stille man.’ Later durfde ze het niet meer te vertellen. Lange tijd kon ze door een blokkade geen Duits meer verstaan en spreken. Ze kon niet uitleggen waarom ze een heleboel Duitse liedjes kende want ze was bang dat ze moest uitleggen dat ze tijdens de oorlog in Duitsland was geweest. Ze was bang om afgewezen te worden. Op de radio hoorde ze eens dat er een item zou komen over kinderen van NSB’ers. Omdat ze er thuis niet naar durfde te luisteren – uit angst dat haar man en kinderen zouden denken dat er iets mee te maken zou hebben – ging ze in de auto rondrijden om naar de radio te kunnen luisteren. ‘Zo’n geheim is heel fnuikend eigenlijk. Je voelt je altijd beperkt, je kunt nooit spontaan zijn, je moet altijd opletten met wat je zegt. Er zijn altijd mensen die geintjes maken (…) NSB’er en dan moet je mee lachen want anders denken ze dat …, dat denk je allemaal hè. Het gaat heel ver.’ Heel lang wilde ze geen contact met lotgenoten omdat ze niks met het onderwerp te maken wilde hebben. Toen ze uiteindelijk een jaar of twintig geleden toch bij Werkgroep Herkenning terechtkwam, leerde omgaan met haar ‘geheim’. Inmiddels zijn haar man en kinderen ook op de hoogte en kan zelfs iedereen haar verhalen lezen.