‘’Mijn vader heeft nooit gevraagd of ik het gelezen had,’’ vertelt Monique die onlangs haar 72e verjaardag vierde. ‘’Het maakte zo’n indruk op mij, ik moest het eerst zelf verwerken. Hij was niet slecht, maar hij zat wel aan de verkeerde kant. Enerzijds was het schokkend om te lezen wat mijn ouders meegemaakt hadden. Anderzijds kon ik het niet begrijpen. Mijn vader is altijd achter zijn keuze, lid van de NSB, blijven staan. Terwijl hij wist wat de gevolgen daarvan waren geweest. ‘Je verlaat geen zinkend schip’, zei hij dan. ‘Wir haben es nicht gewußt’ zegt men vaak, maar hij wist donders goed wat er gebeurde.’’
‘Dat, wat je in dit schrift zult lezen is mij ingegeven door de groote plaats die jij in mijn hart inneemt en om jou zeer veel duidelijk te maken, wat je nu misschien wel onbewust als vreemd aanvoelt, maar wat je toch nog niet begrijpen kunt, omdat je gelukkig nog weinig beseft wat in je jonge leventje is geschied. De wetenschap, dat aan jou bijna alles onopgemerkt, althans onbewust, is voorbijgegaan en op dit oogenblik nog voorbij gaat, is voor ons een lichtpunt in dezen tijd.’
NSB-lid Monique Jansen ziet op 24 december 1938 in Amstelveen het levenslicht. Drie jaar eerder meldde haar vader zich vrij impulsief, maar vastberaden, aan als lid van de NSB. Na een toespraak van NSB-leider Anton Mussert in de Apollohal te Amsterdam was hij overtuigd. Ook haar Duitse moeder zette hij op de ledenlijst. ‘’Hij kwam thuis en zei doodleuk: ‘Nou, ik ben lid van de NSB geworden. Oh, ik heb jou ook maar lid gemaakt’. Mijn moeder was daar ontzettend kwaad om, terwijl ze eigenlijk nog niet eens wist wat het inhield,’’ herinnert Monique zich. En dat terwijl de politiek haar vader lange tijd onverschillig liet.
Na deze keuze zet haar vader zich fanatiek in voor de Beweging. Hij werkt mee aan het verspreiden van propagandamateriaal en tijdens de bezetting brengt hij met een busje voedselpakketten rond bij de arme NSB’ers. Na de oorlog worden haar ouders opgepakt en naar strafkampen afgevoerd. ‘’Ik wist dat het bij ons thuis niet goed zat. Maar aan mij als vierjarig meisje ging dat grotendeels voorbij,’’ vertelt Monique. ‘’Wat kun je je als kind herinneren?
‘Het was nooit mijn plan geweest Amstelveen te verlaten. Daar wij nooit iemand een strobreed in den weg hadden gelegd en we niet bevreesd waren voor ‘bijltjesdag’- dreigementen. Toch is het anders gelopen...’
Lid van Landwacht Nederland De Landwacht Nederland roept vader Jansen in 1943 op. (De landwacht is dan een organisatie die in 1943 werd opgericht om de zwarte handel te bestrijden, de politie te helpen bij ordebewaking en de bescherming van leden van de NSB met hun familie en andere goedwillende Nederlanders.) Hij is in eerste instantie niet van plan aan deze oproep gehoor te geven, omdat hij totaal geen vertrouwen heeft in de leiding van de Landwacht Nederland. Toch zwicht hij, tot zijn spijt, voor de argumenten van zijn vrouw om zich toch aan te melden als vrijwilliger. Zij meende dat hij in de ogen van zijn kameraden een lafbek zou zijn als hij de oproep negeerde. Omdat hij niet wist waar hij terecht zou komen, en een winter van kou en honger voorziet, stelt hij als voorwaarde voor zijn aanmelding dat Monique en haar moeder naar haar grootouders in Duisburg gaan. En zo geschiedde. Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, vertrekken Monique en haar moeder richting Duitsland. ‘’Maar mijn grootvader liet weten dat we niet naar hem toe konden komen,’’ vertelt ze. ‘’Het gebied werd zwaar gebombardeerd. Dat zou levensgevaarlijk zijn. Toen zijn we met de trein gezamenlijk met een heleboel lotgenoten in Eudeme, vlakbij Lüneborg in Noord-Duitsland, terechtgekomen in een Duitse school. Dat is ook het enige wat ik mij kan herinneren: mijn moeder was in één of ander kamp hoofd van de keuken. Ik zie haar nog staan. Achter het fornuis stond ze met een houten lepel in een grote wasketel aardappelen te koken. En we kregen oefeningen, als er vliegtuigen overvlogen moesten we met z’n allen onder de tafel gaan zitten…’’.
Zonder afscheid Vader Jansen krijgt nooit de kans om afscheid te nemen van zijn vrouw en dochter. Een tiental kilometer voor Westerbork, waar Monique en haar moeder op de trein werden gezet richting Duitsland, kreeg één van de auto’s een ongeluk en bleef hij als bewaking achter. Zijn vrouw en dochter zag hij niet meer, die vervolgden hun reis. Hij keert zonder gezin en zonder afscheid van ze te nemen terug naar Amstelveen. Hij schrijft: ‘Indien ik maar in de verste verte had kunnen vermoeden wat er na 5 mei 1945 zou gebeuren…’.
Een foute zet In die dagen komt de Landwacht Nederland direct onder het bevel van generaal Hanss Rauter, die ook het bevel heeft over de Waffen-SS. Zo wordt de Landwacht een verlengstuk van de Grüne Politzei. Jansen en zijn kameraden zijn in het begin nog in de veronderstelling dat het niet zo’n vaart zou lopen en terugtrekken praktisch onmogelijk is. Ze trokken langs verschillende plaatsen als Hilversum, Stroe en Amersfoort, waar ze onder andere als spoorwegbewaking ingezet worden. Hij spreekt in zijn dagboeken van een ‘wonder boven wonder dat we het er allen levend vanaf gebracht hebben’. Al gauw komen ze in een Amersfoorts concentratiekamp, waar ze als bewaking worden ingezet. Jansen en zijn kameraden weigeren in eerste instantie, maar laten zich toch overhalen.
‘Onze voorgevoelens bleken juist. Wie niet naar de SS over ging, werd ontwapend en vervolgens in het kamp opgesloten. Er was onvoldoende voedsel in het kamp. De mensen die er rond liepen waren totaal uitgemagerd en sloegen elkaar bijkans dood voor een korstje brood van ons.’
5 mei 1945 Op 5 mei 1945 komt de ommekeer. De NSB’ers worden in strafkampen gezet. Jansen komt zelf terecht in Harskamp in Elst, dat geleid wordt door Canadezen. Monique slaat het schrift hier willekeurig open en begint te lezen op gedempte toon: ‘Het was een, met veel prikkeldraad omgeven, stuk heide van ca. 400 bij 400 meter. Naast de kazernes gelegen. Zes vervallen paardenstallen, met gaten in de daken, boden ieder aan 600 man een twijfelachtig onderdak; met 200 mensen waren de stallen reeds vol geweest. In slechts enkele dagen werden 6000 mensen naar dit kamp vervoerd; grotendeels wapendragers: SS, Landstorm, Landwacht en Politie; Nederlanders en Duitsers doorheen. Wie het niet heeft meegemaakt kan de onbeschrijfelijke chaos niet voorstellen.’
Na enige tijd worden de Canadezen afgewisseld door Stoottroepers (Brabanders). Dan begint de ellende pas echt. Volgens Jansen i de tijd in het kamp één grote ellende. Dat is nog zacht uitgedrukt. De wantoestanden komen elke dag voor.
‘Trouwringen werden afgenomen. Wanneer ze niet zo van de vingers afkonden, werden ze er gewoon afgetrokken. Zodat de vingers ontveld en soms ontvleesd werden.’
De methoden die de tegenstanders van de Duitsers verafschuwden, passen zij nu zelf toe. Het gehele kamp vermagert zienderogen en de gevallen van hongerleden nemen overhand toe. Al die tijd heeft Jansen zijn hondje Waldi bij zich.
‘Hij was het enige levende wat ik van thuis bezat, het ging mij erg aan het hart hem te moeten missen. De honden moesten ingeleverd worden bij de Stoottroepen. Ik verkeerde toen, en ook nog enige maanden langer, in de veronderstelling dat jij en je moeder in Duitsland waren omgekomen.’
Weerzien gezin In de herfst krijgt Jansen verblijdend bericht: zijn vrouw en dochter leven nog. ‘Waardoor mijn zorgen ineens duizend keer lichter werden,’ schrijft hij. In april moet Jansen getuigen voor het tribunaal waar zijn vrouw als aangeklaagde voor moet komen. Die zondag erna komt Monique mee, dankzij een bezoekregeling. Monique en haar moeder gaan met de trein naar Den Helder. ‘’Toen kwam mijn vader daar aanlopen in heel vieze kleren, gaten in zijn broek en een raar petje op. Mijn enige reactie was: ‘Is dat kleine vieze mannetje mijn papa?’ Het was voor het eerst dat ik hem weer zag, na twee jaar tijd. We hadden hem al die tijd niet gezien of gesproken. Ik was zelf groter geworden en hij was in verhouding gekrompen. Dat was heel gek. Maar het zei me niks eigenlijk, toen. Ik moest heel erg aan het idee wennen dat hij mijn vader was, dit vieze kleine mannetje. ’’
Op vrije voeten Moeder Jansen komt na de uitspraak direct vrij. Na een half jaar in een school in Eudeme te zijn verbleven trekken Monique en haar moeder verder naar een andere school in Mechterse. ‘’Het was heel smerig,’’ weet Monique. ‘’Dat vertelde mijn moeder later. Eten was er niet en ze hadden ook geen bonnen om eten te kopen.’’ Niet veel later vertrekken ze weer naar Nederland. Daar wordt haar moeder opgepakt. In totaal verblijft Monique’s moeder in elf kampen. Monique krijgt op 7 augustus 1946 toestemming om het kamp in Ommen, waar ze dan verblijven, te verlaten. Ze komt in huis bij tante Jo, de zus van haar vader, in Amsterdam. ‘’Want mijn opa en oma wilde mij niet hebben.’’ Tante Jo zorgt voor haar tot haar moeder weer vrij komt. Ook Monique’s moeder komt dan bij tante Jo op zolder wonen. Monique: ‘’Ze kwam op vrijdagmiddag en ze moest en zou een baan vinden voor maandag. Door het hele kampleven is ze heel sterk geworden. Ze wilde niet afhankelijk zijn van tante Jo en voor haar eigen inkomen zorgen.’’ Dat lukte. Monique’s moeder vind een baan als hoofd huishouding van een kraamkliniek. Samen met haar dochter gaat ze boven de kliniek wonen.
Voor altijd veroordeeld Op 24 juli 1946 wordt vader Jansen overgeplaatst van de Harskamp naar Fort Erfprins in Den Helder. Zijn dagvaarding komt. Een belangrijk bewijsstuk is een velletje propagandasluitzegels, die gevonden zijn bij een huiszoeking.
‘Veertien dagen later kreeg ik van het tribunaal te horen dat ik nog bijna een geheel jaar op rijkskosten in een concentratiekamp mocht logeren en dat ik f1000 boete moest betalen. Zoo, nu wist ik waar ik aan toe was, tenminste dat dacht ik. Later zou ik ervaren dat de gemeenschap je na je invrijheidsstelling als een schuldig schaap behandeld en daardoor je straf (en waarvoor?!!) tot in het onbepaalde oneindig verlengd wordt. Zo werd mijn strijd voor een betere toekomst voor Volk en Vaderland beloond.’
Een ‘nieuw’ begin Op 6 november 1947 komt Jansen vrij. Het gezin heeft niks meer over van voor de oorlog: hun spullen waren geplunderd en hun huis verkocht. Ze komen terecht in anderhalve kamer, als inwonende bij iemand anders, aan de Van der Veerelaan nummer 67. Omdat Monique dan bijna geen herinneringen aan haar vader heeft, komt er voor haar ineens een vrij onbekende, maar dominante man in huis. ‘’Tot overmaat van ramp kwamen we terug in Amstelveen, dat was de enige plek waar we misschien een huis konden krijgen omdat we oud ingezetenen van Amstelveen waren,’’ legt Monique uit. Als er nieuwbouw komt, verhuist het gezin. ‘’We kwamen in dezelfde straat als waar we in de oorlog ook woonden terecht. Mijn moeder vond het verschrikkelijk. Ze werd met de nek aangekeken, want ze was toch een landverrader. Het was toch een soort van schaamte.’’ Ook voor Monique is het niet makkelijk om een dochter te zijn van een Duitse en een NSB’er. ‘’Mijn hele schoolperiode is behoorlijk lastig geweest. Ik ben twee keer blijven zitten, omdat mijn moeder een keer op een klassenavond kwam praten over een onvoldoende. Toen heb ik gezegd dat ze dat nooit meer mocht doen. Omdat ze misschien konden horen dat ze een Duitse was… Ik nam nooit vriendinnetjes mee naar huis. Voor mijn verjaardag ging ik maar met een vriendinnetje naar de bioscoop. Ik voelde gewoon dat het niet goed was thuis,’’ zegt Monique. ‘’Ik schaamde me vreselijk. Ik ben als kind tweetalig opgevoed. Ik sprak Duits met mijn moeder en Nederlands met mijn vader. Toen ik naar de lagere school ging, vroeg de juffrouw op een dag wie er een leuk liedje kon zingen… Oh ik kon alles, dus ik stak als eerste mijn hand op en mocht gaan zingen. Ik zong een Duits kinderliedje, want ik heb nooit Nederlandse liedjes geleerd. Daar was de juf toch niet zo blij mee, die belde naar Tante Jo om te vragen wat mijn achtergrond was. Ze vertelde me dat ik dat beter niet kon doen. Dat vonden de andere kindertjes niet zo leuk. Zo kreeg ik langzamerhand in de gaten dat Duits niet zo geslaagd was. Vanaf dat moment heb ik nooit meer een woord Duits gesproken.’’ Langzaam probeert het gezin er weer bovenop te krabbelen. Na enige tijd en met moeite vind vader Jansen een baan bij een Joodse werkgever, waar hij voor de oorlog ook werkte. ‘’Mijn vader was een knappe man.’’ Monique laat en foto van haar vader zien. Het lijkt net een filmster met zijn lange jas en hoed. ‘’Hij was heel donker, daardoor werd hij heel vaak voor Joods aangezien,’’ grinnikt ze. Haar vader schrijft dat hij en alle NSB’ers ‘uit liefde voor Volk en Vaderland handelde’. ‘’Ik heb het een hele poos genegeerd,’’ zegt Monique terwijl ze haar ogen naar beneden slaat. ‘’Ik wilde het niet weten, maar ook mijn ouders praatten er niet over.’’ Maar toch wordt Monique weer geconfronteerd met de politieke keuze van haar ouders als ze verkering krijgt en trouwt. ‘’Mijn eerste schoonfamilie woonde destijds schuin tegenover mij. Die hoorden al gauw wat mijn vader was geweest, daar wilden ze niks mee te maken hebben.’’ Monique is inmiddels gelukkig met een nieuwe man in haar leven. Over het verleden spreekt ze zelden. Van de Tweede Wereldoorlog kan Monique zich weinig herinneren, maar de gevolgen des te meer. ‘’De dagboeken bewaar ik voor mijn kinderen. Of ze er belangstelling voor hebben? Mijn dochter wilde het wel graag weten, mijn zoon heb ik er nog nooit over gehoord.’’