Ik zie er in deze tekst vanaf om de uitdrukking "kinderen-van-foute-ouders" of KFO (zoals bij I.Tames) te gebruiken. Het woord "fout" in dit verband is in de periode na de Tweede Wereldoorlog een eigen, stigmatiserend leven gaan leiden. Ik was een kind van mensen die de Nederlandse variant van het nationaalsocialisme aanhingen. Ik kies er daarom voor om te spreken van kinderen-van-nationaalsocialisten, een term die ik waar nodig gemakshalve afkort tot KvNS.
Mijn geschiedenis in de jaren '40Ik woonde bij mijn ouders. Ik had een min of meer gewone baby- en vroege kindertijd achter de rug. De laatste oorlogsjaren woonden mijn ouders in de periferie van Haarlem. Het Westen des lands dus, waar honger heerste. Mijn vader was lid, mijn moeder sympathiserend lid van de NSB. Mijn vader werkte bij een provinciaal electriciteitsbedrijf. Hij was MTS-er (dat zou nu HBO-niveau zijn). Hij had vermoedelijk een redelijk inkomen. Op voedingsgebied konden mijn ouders zich waarschijnlijk nog wel iets permitteren. Maar ook bij ons heerste gebrek. Als voorbeeld kan gelden dat er geen vet of olie meer te krijgen was. Op basis van een verhaal van collega's, filterde mijn vader transformator-olie (uit transformatorhuisjes dus, van de electriciteit), om het geschikt te maken voor consumptie. Mijn moeder maakte er een stampot van met aardappelen en koolraap. Dat was dus voor die tijd een heel riant maal. Maar de smaak van die olie was zo verschrikkelijk dat niemand het door zijn keel kon krijgen. Op andere momenten aten we suikerbieten en tulpenbollen. Ik denk wat wij allen (vader, moeder, zuster, broer en ik) relatief ondervoed waren. Er werden soms recepten uit kookboeken voorgelezen, als we om de enige kachel in de achterkamer zaten. Boven die kachel hing het portret van Anton Mussert; dit ter aanduiding van de fractie binnen de NSB, waartoe mijn ouders zich rekenden.
Bij mijn ouders werden tijdens de Tweede Wereldoorlog ramen ingegooid. Mijn vader deed hiervan aangifte bij de politie. Mijn ouders moesten in (ik denk) 1943 verhuizen, misschien omdat hun wijk in IJmuiden een gevarenzone was geworden (kans op bombardementen). Ze hadden grote moeite een nieuw huis te vinden. Zij vonden dat tenslotte in Santpoort. Ik herinner mij dat ik enige tijd alleen met mijn moeder (ook in Santpoort, bij bekenden) op een kamer woonde. Mijn moeder huilde veel in die tijd.
De bovengenoemde herinneringen hebben voor mij nog geen echte vaste tijdsvolgorde. Ik woonde bij mijn ouders, maar dat zou aan het eind van de oorlog anders worden.
Op een ochtend, omstreeks de 20e maart 1945, werden mijn zuster, mijn broer en ik in de vroegte door mijn ouders naar het treinstation in Bloemendaal gebracht. Ik had daar van te voren niets over gehoord. Of dit voor mijn zuster en broer, die 6 resp. 3 jaar ouder zijn dan ik, ook gold, is mij niet bekend. Wij werden in goederenwagons ondergebracht, waarin stro op de bodem lag. Mijn ouders bleven op het station achter. Toen ik merkte wat er gebeurde, begon ik om mijn moeder te roepen, maar zij bleef buiten staan.
Wat de motieven van mijn ouders waren voor deelname aan dit kindertransport, is nooit duidelijk geworden. Over de gebeurtenissen tussen maart 1945 en september 1948 is later nooit één woord gewisseld. Er zijn voor wat betreft de motieven van mijn ouders enkele mogelijkheden: (1) de honger?; (2) ook voor henzelf een vluchtweg via Groningen naar Duitsland te openen?; (3) ons een bijltjesdag te besparen? Het is onbekend.
Ik was wel samen met mijn zuster en broer. We werden naar Amsterdam vervoerd. Daar bracht men ons onder in een schoolgebouw in de buurt van het station aan het IJ. Ik heb daar later veel over nagedacht. Altijd als ik met de trein vanuit Hilversum-Weesp Amsterdam binnenkwam, en dat is me heel wat keren overkomen, zag ik het LLoyd-huis, een daar in de buurt staand oud schoolgebouw, en de rij gebouwen vlak bij het centraalstation Amsterdam. Mijn broer meende dat in deze laatste rij gebouwen onze verblijfplaats geweest zou zijn. Ik dacht eerder aan het LLoyd-gebouw of het daar in de buurt liggende gebouw. Later heb ik ook geconstateerd dat deze laatste gebouwen dicht bij de verbinding naar het Java-eiland lagen. Ik denk dat wij vanaf het Java-eiland vertrokken voor het vervolg van onze reis. Later, veel later, heb ik over het Java-eiland gelopen en de geuren van de havenresten, de geteerde houten beschoeiingen, opgesnoven, en op basis daarvan besloten, dat dit de plek geweest moest zijn, waar een boot op ons lag te wachten. We bleven enkele dagen in Amsterdam. Ik kreeg een enorme diarree. Ik was toen nog met mijn zuster en broer samen.
Misschien na enkele dagen, vertrokken we met een grote rijnaak. We zaten in het ruim, in stro, met veel kinderen. Hier en daar, rond palen, waren met zeil afgeschoten plekken gemaakt, als toilet, met houten tonnetjes. Ik heb daar een groot aantal keer met mijn zuster in de rij gestaan, vanwege mijn diarree. We werden 's nachts vervoerd. Later heb ik begrepen dat dit verband hield met aanvallen van geallieerde jachtvliegtuigen. Of wij een schip alleen waren, of dat het om een konvooi ging is mij niet bekend. Na verloop van tijd .... hoeveel tijd, ik weet het niet meer .... kwamen we aan op onze bestemming: Lemmer, Friesland. Daar bleven we enkele dagen liggen. Ik heb heel weinig herinneringen aan de gebeurtenissen. Ik denk dat ik me in die tijd in een soort shocktoestand bevond.
Later - van de tijd had ik geen besef - vertrokken we, misschien wel met auto's naar Groningen. Daar werden we ondergebracht in het Harmoniegebouw, thans een van hoofdgebouwen van de Rijksuniversiteit Groningen. Als ik daar soms naar de bibliotheek ga, blijf ik altijd even staan bij de resten van het oude Harmoniegebouw aan de voorkant, aan de kant van de Oude Kijk in 't Jatstraat. Dan kijk ik even naar de oude vloertegels die daar nog liggen en de resten van die oude openslaande deuren, waardoor ik in het verleden naar binnen en later weer naar buiten ben gelopen. Alles voltrok zich in stro. Slapen, zitten, wachten.
Later - van de tijd had ik nog steeds geen besef - vertrokken we naar Stadskanaal. We werden opnieuw 's nachts vervoerd. Mijn zuster schreef een brief aan mijn ouders (een eenzijdig briefverkeer, dat bewaard is gebleven; mijn ouders waren toen nog niet geïnterneerd) en geeft een beschrijving: "het laatste traject ging per aardappelschuit, die zo lek was als een mandje. En toen het die nacht zo regende waren we allemaal drijfnat". Het zullen voor mij nachtmerrie-achtige momenten geweest zijn, maar ik kan mij er niets van herinneren. We zullen dus door het Winschoterdiep en vervolgens misschien door het Stadskanaal gevaren zijn. Ik kom nog wel eens op de fiets in die omgeving. Als ik dan een brug over het Winschoterdiep passeer, moet ik denken aan die nacht. Aan die gereconstrueerde nacht in een open boot, in de regen, op weg naar Stadskanaal. Ik ben in Stadskanaal aangekomen dat weet ik, maar van die nacht weet ik zelf niets meer.
Een volgende dag waren we in een kerk in Stadskanaal. Ik heb die kerk later nooit meer kunnen vinden. Wel was er, zo'n 10 jaar geleden, een tentoonstelling over de Tweede Wereldoorlog, en ook over de NSB, in Stadskanaal. Er lagen op die tentoonstelling ook lichtgevende speldjes uit die tijd, die ik me nog van vroeger kon herinneren (dat waren misschien speldjes van Winterhulpcollectes). De tentoonstelling vond plaats in een huis waar in de oorlog de NSB gevestigd was. Het lag aan een kanaal. Hoewel ik niet weet, of het kindertransport waarin ik mij bevond, georganiseerd was door de NSB (Winterhulp aktie bijvoorbeeld), of door kerken, of door wie dan ook, stelde ik me later toch voor, dat ik hier bij dit gebouw, aangekomen was in Stadskanaal. De organisatie van dit kindertransport is mij nooit duidelijk geworden. Het archief van de provincie Groningen heb ik hierover nog wel eens benaderd, maar er was geen animo om mij behulpzaam te zijn.
We waren dus in een kerk in Stadskanaal. Er waren vermoedelijk veel kinderen. Misschien hebben we daar geslapen. Op een bepaald moment was ik mijn zuster en broer kwijt. Ik huilde veel. Mijn zuster schrijft in dezelfde brief: "Toen we in Stadskanaal aankwamen gingen er twee wagens met kinderen weg. Bij die ene wagen was Dick. Ze zeiden dat ik wel dicht bij hem zou komen, maar ik ging met (broer) den volgende dag pas weg, en toen was Dick al door iemand anders gehaald. En toen kwam er een mevr. en die wou een meisje en een jongetje hebben. Toen zijn (broer) en ik meegegaan. Dick is nu in Tange bij fam. ....... Luringsstraat, Tange, Gemeente Onstwedde, en (broer) en ik bij fam. ......... Wedderveer". Ik was ondertussen per paard en wagen naar de Luringstraat bij Onstwedde (buurtschap Tange) gebracht. Ik kwam aan bij een kleine boerderij. Er was een waterput naast het huis, en er waren krielkippen. Men bracht mij onder in een aparte slaapkamer. In de jaren '90 heb ik dat huis bezocht. De kans is zeer groot dat het hetzelfde huis was. Daar was ook die kamer. Dit huis is er nu niet meer. Toen ik daar aankwam zal het misschien tussen 7 en 10 april 1945 geweest zijn. Ik mocht niet van het putwater drinken. Ik kreeg wel zwart roggebrood te eten. In ongeveer 1996 heb ik de nazaten van de mensen uit dit huis bezocht in Onstwedde. Maar ik had niet de indruk dat zij zich mij konden herinneren. Ze zeiden wel, dat bekend was dat de kindertransporten uitsluitend NSB-kinderen betroffen.
Op 14 april 1945, las ik later in een regionaal geschiedenisboek, vond in deze regio de beëindiging van de Duitse bezetting door Canadese en Poolse troepen plaats. Op de dag van die oorlogshandelingen werd ik overgebracht van het boerderijtje aan de Luringstraat naar een andere familie in de buurtschap Tange. Ook dat was een boerderij, maar wel een grotere. Op het erf was een schuilkelder gegraven, die afgedekt was met balken en planken. Er moesten veel mensen in die schuilkelder. Misschien wel meerdere families. Ik kwam het laatst binnen, en zat in de ingang van de schuilkelder. Er viel een projectiel in de ingang van de schuilkelder. Later hoorde ik dat het een blindganger van artilleriegeschut was van de Duitsers. Het binnenvallen van dit projectiel veroorzaakte opwinding en angst onder de aanwezigen. Een van de ouderen vond dat ik niet langer in de schuilkelder kon blijven, omdat er door mij eigenlijk te veel mensen aanwezig waren. Dat was te gevaarlijk. Een vrouw bracht mij weg. We liepen een tijd (misschien wel een half uur) door de weilanden. Er werd geschoten. Kogels floten boven ons hoofd. Ik denk, dat we ons tussen vuurlinies bevonden. We liepen van de buurtschap Tange naar het dorp Alteveer. Daar woonde deze vrouw met haar man en zoon. Ook daar was een schuilkelder. Het was 14 april 1945. Ik was 6 jaar, ik was weliswaar niet door alle mensen verlaten, maar de mensen die voor mij relevant waren, mijn ouders, mijn zuster en broer, was ik kwijt. Ik stond er alleen voor, en ik had daarvoor niet voldoende kracht om dat alleen op te brengen. Ik huilde. Later, toen ik in de jaren '80 deze familie opzocht en alleen nog de oude vader van in de tachtig aantrof, was een van de weinige dingen die hij zei: Ja, dat jongetje uit Zandvoort (wat niet juist was, maar wel leek op de naam van de plaats waar ik vandaan kwam) dat altijd maar huilde.
Ik heb er jaren moeite mee gehad heb om dit soort dingen zo uitgebreid op te schrijven. Er was weliswaar een verband met de politieke positie van mijn ouders, maar het betrof toch eigenlijk alleen maar een verhaal van verlating en eenzaamheid. Dat soort verhalen doen het in het algemeen alleen maar goed als je tot ideologisch aanvaarde segmenten in de samenleving behoort. Als kind van een gediscrimineerde minderheidsgroep moest ik met dit soort huilenbalkerij bij niemand proberen aan te kloppen. Dat is mijn gevoel, en misschien ook wel een juiste inschatting van de situatie.
Na mijn gevaarlijke tocht door de weilanden bleef ik bij het gezin van de vrouw die mij had meegenomen. Ze woonde in Alteveer. Ze had een man en een zoon van vermoedelijk een jaar of 12. Ze woonden aan een kanaal. Aan dat kanaal lag een aardappelmeelfabriek, waar de vader als monteur werkte. De eerste dagen sliep ik in een bedstee. Ik weet niet wie daar nog meer lag. Het was donker in die bedstee. Ik huilde. In dat donker had ik sexuele ervaringen, die ik niet aan mijzelf voltrok. Er was dus iemand die dat deed. Ik had daar niet om gevraagd. Ik weet ook niet wie het deed. Het was onbekend voor mij. Het was geen goed gebeuren. Het vond plaats in een buitengewoon onveilige omgeving. Ik heb mijn verhaal veel later enkele malen, in vertrouwde contexten, verteld. Iemand zij mij later dat dit een vorm van verkrachting is. Er wordt om zoiets niet gevraagd.
Ik heb er dus jaren moeite mee gehad heb om deze gebeurtenissen op te schrijven. Wie breekt zich nu toch nog het hoofd over dit soort incidenten? Het stond weliswaar in een verband met de politieke keuze van mijn ouders, maar het betrof misschien niet zo'n concrete vorm van uitsluiting, zoals de historisch onderzoekers ze zo graag willen horen. Het betreft alleen maar de belevingen van een kind dat tussen de linies van geallieerd tegenover vijand, of tussen de linies van goed en fout, zich in een niemandsland van volstrekte onveiligheid en eenzaamheid bevindt.
Op een zondag ging ik met de gastfamilie bij hun grootouders op bezoek. Ik denk dat dit plaatsvond in de boerderij waar ik eerder in de schuilkelder had gezeten. Wij speelden buiten, toen er een groep kinderen verscheen, waarvan later gezegd werd, dat het kinderen van communisten waren, die daar in de buurt woonden. Later, in de jaren '90, hoorde ik dat het voor iedereen in de omgeving zonder meer duidelijk was dat de kinderen uit het westen NSBers-kinderen waren. Ik werd direct aangevallen en men duwde mij in een sloot, waarbij ik met mijn voorhoofd op een ijzeren bak die daar in die sloot lag, terecht kwam. Het bloed golfde over mijn gezicht. Ik heb van deze verwonding nu nog een litteken op mijn voorhoofd. Dit is vermoedelijk de eerste keer dat ik ervoer wat het is kind-van-nationaalsocialisten (KvNS dus) te zijn.
Mijn herinneringen aan dit verblijf in Alteveer omvat enkele beelden van jongens die met een grasrietje kikkers opbliezen. Weer later zag ik een jongen, die achter een Duitse (?) personenauto aanliep en wiens kleren vastgeraakt waren aan de achterbumper, over de straat gesleept worden over honderden meters. De bestuurders hadden niet door wat er aan de hand was. Die jongen was ernstig gewond. Ik heb herinneringen aan de duisterheid van het water in het kanaal. En herinneringen aan de dag waarop de machtsovername door de geallieerden gevierd werd. Ik was met de gastfamilie per paard en wagen naar een dorpje gegaan waar een wit kerkje stond. Er was feest. Maar ik had niet het gevoel erbij te horen. Ik liep in mijn eentje terug langs dezelfde weg die we gereden waren. Later, veel later in de jaren '80 reed ik met de auto door die gebieden. Ik zocht naar aanknopingspunten voor mijn herinneringen. Ik kwam toen onder anderen in Bourtange. Daar trof ik nog een oude dorpskern met een school op de plek die ik ook in Alteveer had gezien. Er was een brug over een kanaal, die letterlijk de brug leek die ik me uit het verleden herinnerde. Toen ik (dit oude; tegenwoordig is het allemaal vernieuwd) Bourtange binnenreed, ging er een schok van herkenning door mij heen. En verderop was er ook een kerkje aan een rond plein. Hoewel het onwaarschijnlijk was dat ik daar ooit geweest was, pasten deze beelden precies op mijn herinneringen. Hoe dat mogelijk was is me nooit duidelijk geworden.
Mijn zuster en broer woonden dus in Wedderveer, op zo'n 10 km afstand. Mijn broer heeft mij in die tijd een keer bezocht. Mijn zuster is nooit bij mij op bezoek geweest. Zelf ben ik ook een keer bij hen op bezoek geweest, ik meen met paard en wagen. Maar de band was verbroken. Er had zich een gevoel van alleenstaan van mij meester gemaakt. En we hebben het nu nog maar over de eerste drie maanden van de scheiding van mijn ouders en zuster en broer. Het zou nog meer dan drie jaar duren voor ons gezin herenigd werd. Mijn broer zei daar later wel eens over, dat ik een stil jongetje geworden was, kennelijk werd het huilen geleidelijk aan minder.
Eind augustus 1945 bleek dat er gegevens beschikbaar waren over onze verblijfplaatsen. Hoe dat in elkaar zat is mij niet bekend. Hadden de begeleidende organisaties die gegevens overgedragen? Waren het mijn ouders die nog informatie over ons hadden doorgestuurd? Het is mij niet bekend. Mijn ouders waren op de hoogte van onze verblijfplaats voorafgaand aan hun arrestatie, via de brieven van mijn zuster. Het Rode Kruis kwam ons ontsmetten en ophalen. Met legerwagens werden we naar Groningen en later naar Zwolle gebracht. Daar staken we, meen ik, weer per boot over naar Amsterdam. Mijn ouders waren ondertussen opgesloten in concentratiekampen; "geinterneerd" noemen we dat in Nederland beschaafd. Kennelijk hadden mijn ouders er voor kunnen zorgen, dat onze gegevens bekend waren, en dat wij ondergebracht konden worden bij ooms en tantes. Hoe dat allemaal in zijn werk is gegaan, zoals al gezegd: veel is onbekend. Mijn zuster ging naar Eindhoven. Mijn broer ging naar Amstelveen. Ik ging naar Amsterdam: Admiralengracht 303 3-hoog. We hebben het nu over eind augustus, begin september 1945. Ik werd ondergebracht bij een oom en tante. Ze hadden geen kinderen. Ze zijn al lang overleden.
Ze woonden drie hoog. Ik had mijn slaapkamer op zolder, op de vierde verdieping. Op zondagochtenden wilden ze me niet in huis hebben. Dan moest ik op straat gaan spelen. Tante zorgde voor me. Ze was niet slecht voor me, maar er was geen band. Ik had er moeite mee om alleen in mijn zolderkamer te slapen. Angsten besprongen mij bij de gedachte aan wat in de andere zolderkamers aan de orde was. Pure paranoia. De zolderkamer grensde, met openslaande ramen, aan een plat grintdak, dat bewoners ook in staat moest stellen bij brand vanuit hun huis naar een ander huis te komen. Dat dak had een grote aanzuigkracht op mij. Het had geen reling, dus je keek zo vier verdiepingen naar beneden. In het begin ben ik een keer naar de rand van dat dak gegaan. Het was een zuigen en duwen tussen twee krachten: de andere zolderkamers en die dakrand. Het wende kennelijk op den duur wel. Ik heb daar drie jaar gewoond, en ik heb me niet van dat dak gestort. Maar het heeft mij wel een ondragelijke hoogtevrees opgeleverd.
Ik denk dat deze gebeurtenissen ertoe bijdroegen, dat ik behoorlijk beschadigd raakte. Het betreft de belevingen van een kind dat alleenstaand en eenzaam geworden is. Deze gebeurtenissen waren niet het gevolg van de politieke keuzen van mijn ouders, maar ze werden veroorzaakt door oorlogsomstandigheden, en vooral door de maatschappelijke reactie op de politieke keuzen van mijn ouders.
Mijn oom was een kleine ondernemer, die een pottenbakkersbedrijf had. Maar omdat hij na de oorlog geen middenstandsdiploma kon of wilde halen, moest hij zijn nering sluiten. De achtergrond daarvan was mij niet bekend. Mijn tante, een Duitse vrouw en verpleegster, had zich in de oorlog moeten melden in Duitsland om in ziekenhuizen te werken. Ik weet niet of ze dat had kunnen weigeren. Maar wat doet dat er eigenlijk toe? Ze waren verder geen lid van de NSB of iets dergelijks. Maar het gegegeven dat mijn oom een Duitse vrouw had, gaf in de verhoudingen na 1945 vermoedelijk aan dat je er niet meer bijhoorde.
Ik had op straat wel een vriend: Hansje v. E. Ik ben daar wel eens over de vloer geweest. En natuurlijk vroegen ze aan me, waarom ik bij mijn oom en tante woonde. Mijn oom had gezegd: Zeg maar, dat je ouders in een sanatorium zitten. Misschien heb ik dat ook wel gedaan. Misschien begreep men wel wat er aan de hand was. Andere vriendjes, van school, raakte ik weer kwijt.
Mijn tante heeft mij twee keer meegenomen om mijn moeder te bezoeken. De eerste keer vermoedelijk nog in het najaar van 1945. We gingen met de trein van Amsterdam naar IJmuiden, daarna moesten we een eind lopen. Mijn moeder zat in een grote hal op de grond in het stro met heel veel andere vrouwen samen. Dat was voor het eerst dat ik mijn moeder weer zag na 20 maart 1945. Misschien weer een halfjaar of een jaar later heb ik haar bezocht in een concentratiekamp in Bakkum, Noord-Holland. Het waren maar heel korte bezoeken. Natuurlijk kende ik mijn moeder wel, maar er was eigenlijk geen band meer. Later toen ik bij mijn ouders terugkeerde is dat wel weer wat bijgetrokken, maar mijn gevoel van afstand verdween niet meer.
Mijn moeder kwam in het najaar van 1946 weer op vrije voeten. Alle eigendommen van mijn ouders waren geconfisceerd. Hun huurhuis was aan anderen verhuurd. Er was dus geen huis meer. Er was geen geld meer. Er was geen huisraad. Mijn vader was nog geïnterneerd. Mijn moeder trok in bij een familie in Halfweg, bij mensen die ook lid waren geweest van de NSB. Zij ging in Amsterdam werken: kleren naaien en dat soort dingen. Iedere dag reed ze met de blauwe tram van Halfweg naar Amsterdam op en neer. Ik passeerde iedere dag op de Admiraal de Ruijterweg die tramlijn op weg naar school. Op een gegeven moment vond er een botsing plaats tussen een tram en een vrachtwagen. Er vloog een wiel van de wagen af. Ik liep daar en werd geraakt door dit wiel. Ik werd tegen de grond gedrukt en had schaafwonden. Ik heb daar nu nog een litteken van. Ik was erg geschrokken. Op die hoek was een apotheek. Men deed een verband om mijn been. Ik mocht blijven zitten. Mijn moeder zat bij toeval in die tram. Toen zij hoorde dat er een ongeluk was -de tram was dus blijven staan- werd ze ongerust en was ze naar voren gelopen, naar de plek van het ongeluk. Daar trof ze mij. Zij bracht me naar het huis van mijn oom en tante.
Mijn vader heb ik vermoedelijk pas voor het eerste in het voorjaar van 1947 weergezien. Hij was in december 1946 vrijgekomen. Ik kwam uit school en hij stond op mij te wachten aan het begin van de straat. Ik had hem toen twee jaar niet gezien. Hij had in Haarlem in een kamp gezeten. Was ondervoed geraakt. Ziek geworden. Tbc, is wel genoemd, hoewel over dit kampverleden stelselmatig gezwegen is. Later is hij naar een kamp in Wezep bij Zwolle gebracht en daar tot het eind gebleven. Mijn ouders waren lid geweest van de NSB. Zij hadden geen misdaden gepleegd.
Er was dus geen huis en geen inkomen. Mijn ouders hebben na het vrijkomen van mijn vader er nog meer dan een jaar over gedaan om het gezin te herenigen. Ik ontmoette mijn ouders soms. Mijn moeder woonde dus in Halfweg; mijn vader woonde in een tijdelijk overgangshuis in Overveen. Mijn vader was ambtenaar geweest en kon niet terugkeren in zijn vroegere werkkring. Hij heeft tenslotte werk gekregen in een technische omgeving, waar hij gedurende de rest van zijn leven op laag niveau, zonder promotie, heeft gewerkt. Met veel moeite konden ze zich in Haarlem vestigen.
Zowel in Alteveer als in Amsterdam was het voor mij moeilijk om een normale identiteit te vormen tegen de achtergrond van het wonen bij mensen met wie ik niet zo'n intensieve band had. Ook was er de gelijktijdige kennis dat ik ouders had die ergens waren, maar ik wist eigenlijk niet waar. Zo'n positie is anders, denk ik, dan die van een weeskind, dat zich heeft aan te passen aan een realiteit van afwezigheid. Bij mij was daarvan geen sprake. Het betrof een daadwerkelijke gescheidenheid en een gescheidenheid in symbolische zin die omgeven was met een sfeer van onduidelijkheid, onzekerheid en geheimzinnigheid. Het was onbekend voor mij hoe lang deze scheiding van mijn ouders zou gaan duren. Zeker in die tijd kon ik mij geen beeld vormen van de "fout"-heid van mijn ouders, hoewel het zonder meer duidelijk was dat ik hun positie niet op een open manier kon uitspreken. Deze afwezigheid van openheid is eigenlijk tot op heden blijven bestaan. Er zijn soms wel omstandigheden dat het voor de hand liggend zou kunnen zijn, dat ik onomwonden iets zou kunnen meedelen over mijn verleden. Het gevoel echter, dat me dit zou kunnen benadelen, is altijd blijven bestaan. Ik heb onder omstandigheden wel eens geprobeerd om in een gesprek met mensen, tijdens een borrel, iets luchtigs over dat verleden mee te delen. Maar dat meedelen veronderstelt op zo'n moment tegelijkertijd dat er eigenlijk ook weer allerlei aanvullende informatie verschaft moet worden. Als ik bijvoorbeeld iets zou meedelen over het NSB-verleden van mijn ouders, dan is het in het nu nog steeds bestaande culturele klimaat noodzakelijk, dat dan ook aanvullende informatie over de mate van "misdadigheid" van die ouders en dat soort zaken over de tafel gaan. Eigenlijk is het vrijwel onmogelijk om met dit verleden op een ontspannen manier om te gaan. De mensen die zeggen een dergelijke ontspannenheid wel te kunnen opbrengen, verzwijgen in het algemeen het grootse deel van hun verleden. Ik ben van mening dat er geen KvNS bestaan, die deze problemen niet kennen. Alle KvNS hebben te lijden gehad onder de schendingen van de mensenrechten ten opzichte van hun ouders (de interneringen als zodanig; de confiscaties; de afwezigheid van inkomen; het uiteenvallen van de gezinnen, de misdaden in de kampen). Alle kinderen van deze minderheidsgroep ondergingen ook zelf schendingen van hun mensenrechten: scheiding van de ouders, afwezigheid van inkomen, uiteengevallen gezinnen. Er had toen nog geen rechtspraak plaatsgevonden, en het was volstrekt onduidelijk hoe lang zoiets zou kunnen gaan duren. Een normale communicatie over deze wreedheden is nog steeds niet mogelijk. Het gegeven dat de contacten met mijn zuster en broer vrijwel verdampt zijn, heeft primair te maken met dit gegeven van een onmogelijke communicatie over dit stuk verleden. Ik ben van mening dat er geen direct verband bestond tussen de politieke keus van mijn ouders en de genocide in de Tweede Wereldoorlog.
De dingen die ik beschrijf stonden weliswaar in verband met de politieke keuze van mijn ouders, maar het betrof maar een enkele keer een concrete vorm van uitsluiting. In het algemeen echter betrof het een sfeer van vooroordeel en stigmatisering. Het betreft stukken verleden die een soort insluitingen vormen, en niet zozeer uitsluitingen. Met insluitingen bedoel ik hier "enclosures" in het denken, in het hoofd van deze kinderen, die nooit toegestaan is om vrij te spreken over hun verleden. Alleen in vertrouwde omgevingen mag daar onder omstandigheden iets over gecommuniceerd worden. Daarbuiten blijft het nog steeds onderdeel van afwijzing. Ik constateer bijvoorbeeld dat de nieuwe televisieserie over de Tweede Wereldoorlog in het laatste deel "na de Tweede Wereldoorlog" niets vermeldt over de voortzetting van de culturele uitsluiting van nationaalsocialisten en hun kinderen; zelfs niets vermeldt over het bestaan van groeperingen die zich ten doel gesteld hebben om in vertrouwde kring die communicatie mogelijk te maken (Werkgroep Herkenning, enz.).
Mijn geschiedenis in de jaren '50Mijn puberteit ging gepaard met ernstige psychische inzinkingen: onhanteerbare angsten, tijdelijke bijna-psychosen, controleverlies, die mij relationeel isoleerden. Dit wil niet zeggen, dat ik niet kon leven, maar het bemoeilijkte mijn leven in ernstige mate. Er liggen hier verbanden met de al eerder genoemde sexuele ervaringen. Maar ook de andere ervaringen van de periode 1945-1948 kwamen, denk ik, in deze periode naar voren. Dat was natuurlijk geen bewuste psychische activiteit.
In de periode na mijn terugkeer bij mijn ouders in september 1948 heb ik een aantal jaren weinig het gevoel gehad lastig gevallen te zijn met mijn positie van kind in een minderheidsgroep. Pas op de HBS kreeg ik door verwijzingen naar de recente geschiedenis meer een indruk van wat zich afgespeeld had. In die periode werd ik mij meer bewust van het NSB-verleden van mijn ouders. Het gaf mij overigens eigenlijk nooit het idee dat ik ze op dat punt diende te kritiseren. Dat is ook later nooit aan de orde geweest. Wij bezochten geen dodenherdenkingen. Ik denk dat mijn ouders daaraan geen behoefte meer hadden na hun eigen concentratiekampervaringen. Misschien was het in 1954 of 1955 (ik was toen 16, 17 jaar) dat vanuit de HBS deelgenomen werd aan een dodenherdenking. Het was vanzelfsprekend dat iedereen daar aan mee deed. Ik neem aan dat die tocht naar een monument ging, maar precies weet ik dat niet meer. We liepen in Haarlem langs de Nieuwe Sint Bavo. Naast mij liep een meisje, waarvan bekend was dat haar ouders in het verzet hadden gezeten, en waarvan de vader gefusilleerd was. Het is mij als herinnering altijd bijgebleven. Of in die omgeving (HBS) bekend was dat ik een KvNS was, weet ik niet. Op die school is het mij nooit nagedragen. Maar ik weet wel dat zich tijdens die herdenkingstocht tegenstrijdige gevoelens van mij meester maakten. Moest ik hier wel bij zijn? Mocht ik hier wel bij zijn? Ik denk dat dit de eerste keer was dat zich zo'n uitdrukkelijk bewustzijn van een gescheidenheid van mij meester maakte. Waarom dat meisje speciaal naast mij liep, is me ook nooit duidelijk geworden. Liep ze daar met een impliciete boodschap? Ik kan mij niet herinneren ooit eerder directe contacten met haar gehad te hebben. Het geeft mij achteraf het gevoel, dat op die school wel degelijk bekend was dat ik KvNS was. Ik beeld me dat niet in. Het meest opmerkelijke was namelijk, dat dit meisje dicht in de omgeving woonde waar mijn ouders in de oorlog hadden gewoond. In dezelfde straat hadden mijn ouders NSB-vrienden, waar ze nog wel op bezoek kwamen. De herinnering aan dat trage lopen in een stoet is mij altijd bijgebleven als een symbool voor de onmogelijkheid om te communiceren over het verleden van mijn ouders.
In diezelfde periode kwam ik via een jeugdvereniging in Bloemendaal in contact met leeftijdgenoten die ook in dezelfde omgeving woonden, waar mijn ouders in de oorlog hadden gewoond. Ik denk dat het hen in eerste instantie niet duidelijk was dat ik KvNS was. Met deze vrienden begon ik muziek te maken. Ergens (alle data worden wat minder exact naarmate het verleden verder weg ligt, tenzij er specifieke, exacte vergelijkingspunten zijn) in deze periode, kwam ik in kontakt met een meisje dat ook in diezelfde omgeving woonde. Hoe dat contact tot stand kwam weet ik niet. We vonden elkaar aardig. Ik nodigde haar uit om mee te gaan naar de bioscoop. Het was een van mijn vroege pogingen op dat terrein. Ik meen dat dit plaatsvond op een zaterdag. De zondag daarna zou ik haar weer bezoeken, spraken we af. Ik belde die dag bij haar aan. Haar vader kwam aan de deur en meldde mij dat ik niet welkom was, omdat mijn ouders NSBers waren. Later bleek dat hij een ex-collega van mijn vader was. Merkwaardig genoeg had de hele gebeurtenis iets geënsceneerds. Het is eigenlijk heel moeilijk voor me om me nog precies voor te stellen wat daar plaats vond. Want ook mijn vrienden waren aanwezig. Die stonden verderop in de straat toen ik aanbelde. Nogmaals, ik weet niet hoe dit zich precies voltrok. Was ik eerst naar die vrienden gegaan, en had ik hun verteld, dat ik dit meisje weer zou bezoeken? Misschien heeft het zich ongeveer op deze manier voltrokken. Het ziet er uit als een heel slechte droom. Maar het vond in werkelijkheid plaats. De vader van het meisje nodigde mijn vrienden uit binnen te komen. Men voerde daar een gesprek. Over wat? Over mij misschien? Onbekend. Alsof er recht over mij werd gesproken. Er was nog een vriendin aanwezig, die een stuk met mij ging wandelen. Zij legde mij iets uit over dingen die verkeerd waren, enz. Eigenlijk bevat deze herinnering een grote wolk van onzekerheden, maar dat het plaatsgevonden heeft, staat voor mij zonder meer vast. Ik had in de periode 1945-1948 al geleerd om verwachtingen op afstand te kunnen zetten: een soort koudheid in relaties; een weten en een angst dat relaties altijd riskant kunnen zijn. Het is een gevoel dat mij na deze gebeurtenis, die dit gevoel nog versterkte, nooit meer heeft losgelaten.
Ik heb in deze periode met mijn moeder ook een keer de huisarts bezocht in verband met psychische inzinkingen. Zelf legde ik geen verband tussen deze uitvalverschijnselen en de dingen die me waren overkomen. Pas veel later ben ik gaan veronderstellen dat er een verband bestond. De dingen waarover ik hier spreek: relationele afstand, inzinkingen, de eenzaamheid van de periode 45-48, enzovoort, deden zich als een natuurnoodzakelijkheid aan mij voor. Zo zag mijn leven er uit. Zo zag het leven er uit. Dat zoiets voor anderen niet op deze manier bestond, was mij niet duidelijk.
Mijn geschiedenis in de jaren '60De HBS doorliep ik wat vertraagd. Ik bleef twee keer zitten. Maar mijn ouders waren bereid dat te accepteren. Ik ging laat naar de HBS, ik was toen al dertien. Toen ik de HBS met goed gevolg afsloot was ik al twintig. Ik moest direct in Militaire Dienst. Ik heb het daar tot onderofficier gebracht. Hoewel ik in de selectie zat werd ik geen officier. Ik denk dat dit verband hield met een tamelijk negatieve instelling waarover ik na mijn vroegere ervaringen was gaan beschikken. Ik vond de Militaire Dienst een moeilijke periode. Dankzij het feit, dat ik geen directe officier boven mij kreeg, maar in mijn eentje een peloton leidde, heb ik het volgehouden. In andere situaties had ik vermoedelijk veel autoriteitsconflicten gekregen. Na deze diensttijd woonde ik nog enige tijd bij mijn ouders. Ik kreeg weer last van psychische uitvalverschijnselen. In die tijd bracht ik mijn eerste bezoek aan een psychiater, met wie ik een aantal gesprekken voerde. Er was in deze gesprekken geen enkele verwijzing naar het verleden. Ik verwees er niet naar, omdat ik wist dat ik dat maar beter niet kon doen. Sterker nog ik vond de dingen die mij overkwamen eigenlijk heel vanzelfsprekend, wel moeilijk, maar ook vanzelfsprekend. Wat die psychiater in mij als problematiek herkende (ik neem toch aan dat hij wel een soort diagnose stelde) is mij niet bekend. Wel vroeg hij mij of ik contacten met mannen had. Kennelijk herkende hij iets in mij wat leek op het beeld dat hij van homosexualiteit had. Maar in mijn levenspraktijk lag een en ander toch op een ander vlak. Nee geen homosexualteit, maar een kind-van-nationaalsocialisten, had ik moeten zeggen, maar dat deed ik niet. Zwijgen was het motto geworden. Hij raadde mij aan op kamers te gaan wonen.
Ik kon een baan in Amsterdam vinden, en ging op kamers wonen. Een tijd van grote eenzaamheid, met korte perioden van contacten met vriendinnen. In 1962 ging ik Nederlands-MO studeren. Halve dagen werken, halve dagen studeren. Een periode met soms ook leuke, interessante en uitdagende dingen (De foneemwaarde van de svarabakti-vocaal bijvoorbeeld), maar ook een periode van inzinkingen, depressies, losse contacten met vrouwen. Toen mij duidelijk werd dat ik geen zin had om les te gaan geven aan jongeren, besloot ik sociologie te gaan studeren. Daar ben ik in 1964 mee begonnen. Ik was toen al 26. Een beetje oud dus voor mijn jaargenoten, die gemiddeld een jaar of 19 waren. Het eerste half jaar van mijn studie was buitengewoon moeilijk. Ik gebruikte nogal wat alcohol om psychisch op de been te blijven. Een periode van grote inzinking volgde. In die periode was ik echt zenuwziek: mijn lijf en mijn handen trilden. Ik heb in die tijd eens overwogen om naar een psychiater te gaan. Ik heb een keer een bezoek bij een arts afgelegd. Bij mij in de buurt was ergens een huis met een grote koperen plaat waar "zenuwarts" op stond. Deze arts was van mening dat, op grond van de dingen die ik hem vertelde, het van belang zou zijn dat ik mij onder behandeling stelde. Maar ik was er zelf toch niet voldoende van overtuigd. Vanaf januari 1965 verzamelde ik al mijn krachten. Ik deed tentamens onder invloed van alcohol. Ik nam me voor iedere ochtend naar de Openbare Bibliotheek te gaan, om daar een paar uur te studeren. Dat heb ik lang volgehouden. Heel geleidelijk verdween mijn inzinking. Dat jaar deed ik mijn propedeuse en begon ik met mijn kandidaatsstudie.
Welk verband bestond er eigenlijk met het verleden, met mijn jeugdervaringen, met het KvNS-schap, met de politieke keuzen van mijn ouders? In ieder geval was er geen direct lineair verband tussen de politieke keuzen van mijn ouders, en mijn levensloop. Maar er was natuurlijk wel een indirect verband: de jeugdervaringen en het KvNS-schap. Dat wil zeggen, het bewustzijn buiten normale maatschappelijke verbanden te staan, brak mij steeds weer op. Na de aanvankelijke inzinking verliep mijn studie redelijk. Ik had incidentele relaties met vrouwen, die aan en uit gingen. Ik was vaak alleen. Maar ik bracht het op om mijn studie voort te zetten. In 1967 ontmoette ik de vrouw met wie ik in 1968 getrouwd ben. Dat was een goede tijd. Echter in de winter van 1970, tijdens een assistentschap beleidssociologie, werd ik getroffen door een heel zware inzinking. Dankzij de aanwezigheid van mijn vrouw kon ik het opbrengen buiten een psychiatrische inrichting te blijven. Ik ben een half jaar volledig uit de running geweest. Daarna heb ik met heel veel moeite mijn studie weer opgepakt. Ik had er op dat moment eigenlijk alle interesse voor verloren. Met grote krachtsinspanning slaagde ik er in die studie af te ronden. In het voorjaar van 1971 studeerde ik af. In september 1971 kreeg ik mij eerste werkkring (onderwijs; HBO). Ik was toen 33.
In de periode van de studentenopstanden en de democratisering aan de universiteiten, heb ik daaraan wel deelgenomen, maar steeds vanuit een terugtrekkende positie. Ik vond dat ik als KvNS eigenlijk niet deel kon nemen aan wat er plaats vond. Ik kan mij nog wel vergaderingen herinneren waaraan ik weliswaar deelnam, maar waarbij ik mij tegelijkertijd scherp bewust was van de risico's van mijn positie. Pas veel later in de jaren '90 bleek, dat mensen met een KvNS-verleden, er zich altijd van bewust moesten zijn dat hun verleden als een lijk-uit-de-kast gehaald kon worden. Ik denk zelf dat in de periode waarover ik nu spreek (jaren '60) het onmogelijk was om een openbare functie te bekleden en KvNS te zijn. Dat bewustzijn leefde ook heel sterk bij mij.
Mijn geschiedenis in de jaren '70Mijn ouders zijn in 1972 en 1973 overleden. Gedurende die hele periode was mijn psychische toestand labiel, als een nawerking van de inzinking in 1970. Thuis lukte het me wel om overeind te blijven. Maar in mijn werkkringen had ik een uiterst moeilijke positie, die voor de buitenwacht vaak niet altijd erg duidelijk was. Ik kon mij eigenlijk niet goed staande houden. In 1977 volgde ik vanuit mijn toenmalige werkkring een soort sociale-relaties-cursus. Ik was toen 39. Dat is de eerste keer geweest dat ik in het openbaar iets vertelde over mijn verleden als KvNS; ik was erg geëmotioneerd.
Ondanks alle ruptures waren de jaren '70 voor mij nog wel de meest rustige, en in bepaalde opzichten misschien zelfs meest gelukkige periode van mijn leven. Getrouwd, kinderen, werk (maar dat laatste steeds toch problematisch).
Mijn geschiedenis in de jaren '80Mijn laatste werkkring, tot aan 1986, verliep niet goed. Ik leefde in een onbespreekbaar conflict met collega's. Mijn werk als zodanig verliep niet onproblematisch. Ik stuurde een open brief naar mijn collega's, waarin ik hen onder meer vertelde dat ik KvNS was. Op deze brief kwam geen reactie. In 1986 werd ik op grond van onverenigbaarheid van karakters ontslagen. Ik heb vanaf die tijd niet meer in dienstverband gewerkt. Ik kwam in een gunstige uitkeringssituatie, maar uiteindelijk had deze situatie grote negatieve gevolgen voor mijn pensioenopbouw. Ik begon zelf theoretisch onderzoek te doen. Ik publiceerde in eigen beheer. Ik maakte muziek. Mijn huwelijk echter werd langzaamaan problematischer. Ik werd mij meer en meer bewust van mijn positie als KvNS. Ik las in de kranten over de oprichting van de Werkgroep Herkenning. Maar ik voelde me niet geroepen om me er bij aan te sluiten. Ik begon geleidelijk een theorie te vormen over de positie van mijn ouders als NSBers, en mijn eigen positie als KvNS. Ik ben socioloog, dus die theorievorming ontwikkelde zich vanuit die optiek.
Deze sociologische theorie ontwikkelde ik vanuit een subjectivistische kentheorie (Gistend, Nieuwend; over subjectiviteit; 1987; ISBN 90-72273-01-x). Dat wil zeggen, dat sociale verschijnselen worden bestudeerd vanuit de vrijheid van het autonome individu. Bijvoorbeeld: mijn ouders hadden voorafgaand aan, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog de volledige vrijheid om hun denkbeelden te ontwikkelen, op de manier waarop zij dat zelf juist vonden. Dat zij zich aangetrokken voelden tot fascistische maatschappijopvattingen (corporatisme naar middeleeuws model) levert daarin een merkwaardige paradox op: zij wilden hun vrijheid gebruiken om hem af te schaffen. Ik vind dat nogal onverstandig. Desalniettemin hebben zij zelf, in hun eigen context, geen misdaden, geen misdaden tegen de menselijkheid, geen oorlogsmisdaden gepleegd. Dit wijst in de richting van een sociale moraliteit die ik goed, en op zich "te huldigen" vind. Ik denk dat ik mijn eigen gevoel voor moraliteit ontleen aan dit model van mijn ouders.
Als lid van de toenmalige PSP probeerde ik het onderwerp excuus en genoegdoening voor (tenminste) KvNS op de politieke agenda te krijgen. Maar er bestond geen enkele empathie in deze richting. Hoewel ik in die tijd op de kieslijst voor de gemeenteraad stond, en er zelfs nog even sprake van geweest is dat ik gemeenteraadslid had kunnen worden, heb ik daar, als gevolg van de positie van mijn ouders, van af gezien. Ik had niet tegelijk politiek kunnen bedrijven, en mij openbaar met mijn verleden kunnen bezighouden.
Mijn geschiedenis in de jaren '90Mijn vrouw en ik beëindigden ons huwelijk in 1991. We kozen voor een co-ouderschap. We bleven in dat kader veel contact met elkaar houden. Ik heb in die periode enkele jaren durende relaties met vriendinnen gehad. Geleidelijk begon zich weer een periode van psychische inzinkingen aan te kondigen. In 1994 zocht ik contact met de Werkgroep Herkenning. Ik nam deel aan gespreksgroepen. Dat heeft enige jaren geduurd. Pas in 1996 startte ik een contact met een psychotherapeut. Ik schreef stukjes over mijn verleden in Het Bulletin van de Werkgroep Herkenning. Geleidelijk ging ik verder een theoretisch model te ontwikkelen over het verleden van mijn ouders en van mijzelf.
Desalniettemin bleef er steeds een vorm van isolement bestaan, dat samenhing met de maatschappelijke onaanvaardbaarheid van het verleden NSB-lidmaatschap van mijn ouders. Een aspect van isolement is, dat ik heel vaak niet iets over mijzelf en over mijn verleden kan vertellen, terwijl het wel een belangrijk onderdeel van mijn gedachtenleven betreft. Bijvoorbeeld bij mensen die nog verbonden zijn met het verzet, of mensen die nog verbonden zijn met joodse achtergronden, is het, denk ik, zo, dat hun ervaringen vaak wel bekend zijn. Ook in die gevallen zal er niet heel vaak in het openbaar over ervaringen gesproken worden, maar omdat het een erkend verleden betreft, bestaat er vrijwel altijd een rekening-houden-met.
Daarentegen is mijn verleden uitsluitend ingebed in een sfeer van negativiteit en van afwijzing. Ik herinner mij diverse situaties waarin ik vanuit mijn persoonlijke manier van denken over mijn verleden (die op een aantal punten niet samenvalt met de officiele manier waarop dat verleden gelezen en gepredikt wordt) in de openbaarheid ben getreden. Mijn motief daarbij was dan soms: om op een gewone, liefst ongedwongen wijze deel te nemen aan een gesprekssfeer. Eigenlijk altijd leverde dat een sfeer van ongemakkelijkheid, ook van afwijzing op.
Ook in persoonlijke gesprekken, zowel als in kontakten in wetenschappelijke kring, leverden mijn eigen zienswijzen over het verleden heel vaak afwijzende reacties op. Eigenlijk is het nog steeds zo dat een verwijzing naar het gegeven dat de ouders van KvNS voor meer dan 90% geen misdaden tegen de menselijkheid, of oorlogsmisdaden hadden gepleegd; dat de overigen gestraft zijn en dat hun schuld dus gedelgd is, zodat ze hun plaats in de samenleving weer normaal hadden moeten kunnen innemen; dat ze bepaalde politieke opvattingen hadden en daarnaar probeerden te leven,... verwijzingen dus naar dit soort gegevens levert vaak een directe afwijzing op. Ook globalere verklaringsschema's waarin de politiek van de geallieerden ter discussie stond (Dresden, Hamburg, Hiroshima, Nagasaki) leverden vaak afwijzingen op. Dit type afwijzingen, die veelal gebaseerd is op stigmatiserende veronderstellingen, is dan primair gebaseerd op de gedachte dat het een afwijkende mening betreft, die eigenlijk slechts veroorzaakt wordt doordat mijn denkwijze voortkomt uit mijn verleden als KvNS. Spreken en schrijven over de positie van joden in de periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog, over de Duitse genocide in de Tweede Wereldoorlog en over de huidige Israelische politiek, blijft vanuit de positie van KvNS ook altijd moeilijk, ook al ben je socioloog.
Ik heb in 1996 een kritisch stuk geschreven over de theorie van de Nederlandse socioloog prof. C.J.Lammers inzake collaboratie (het artikel van Lammers heette: Collaboreren op niveau: een vergelijkende studie van Duitse bezettingsregimes gedurende de Tweede Wereldoorlog; in: Mens en Maatschappij; 1994/4). Mijn stuk was getiteld "Herziening van Sociologische Terminologie". Het betrof een uitgave van Agentschap Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek (Terminologie; ISBN 90-72273-06-0; 1996). Ik vat deze artikelen kort samen:
Lammers stelde een sociologische ruilverhouding voor tussen collaborateurs en bezetters. Als de collaboratie integer, antagonistisch en constructief was, kon dit zelfs leiden tot hulde voor de effectieve collaborateur. Ik gaf in mijn stuk aan, dat in het onderscheid tussen effectieve en niet-effectieve collaboratie, het stigmatiserende onderscheid goed/fout weer gewoon aan de oppervlakte kwam. Op deze manier immers, wordt een totale categorie mensen gekarakteriseerd en gestigmatiseerd. Verder beschikte Lammers niet over de mogelijkheid om onderzoek te doen naar het politiek inhoudelijke aspect van collaboratie, en ook niet naar fractievorming binnen de collaboratie-categorie, noch naar de mate van criminaliteit binnen deze categorie. Ik pleitte er daarom voor in een sociologische benadering het begrip collaboratie op deze manier geheel los te laten. Ik eindigde met: "Maar op dezelfde manier waarop we de behoefte aan een apart strafrecht voor joden (waarop aan het begin van de 20e eeuw ook in Nederland is aangedrongen) nu verwerpen, lijkt het mij ook beter de gedachte aan een aparte criminaliteit voor groeperingen met afwijkende politieke opvattingen te verwerpen".
Ik heb mijn artikel toegestuurd aan Mens & Maatschappij, een sociologisch tijdschrift. Het stuk werd geweigerd. Ik heb het vervolgens aan Lammers toegestuurd. Hij reageerde, maar was van mening dat het "in deze vorm" niet publicabel was. Wat hij daarmee bedoelde was mij niet duidelijk. Wel nodigde hij mij uit om deel te nemen aan een jaarlijkse sociologendag, die plaatsvond aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. De organisatie van deze bijeenkomst lag bij de socioloog Flap. Lammers had Flap erop geattendeerd dat ik deel zou kunnen nemen. Er was zelfs sprake van dat ik ook een bijdrage zou kunnen leveren. Flap zou mij benaderen. Hij nam geen contact met mij op. Ongeveer twee weken voorafgaand aan de bijeenkomst belde ik hem. Hij stelde dat er nu nog te weinig tijd was om mijn bijdrage te integreren. Ik werd ook niet in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven.
Tijdens de bijeenkomst werden bijdragen aan de orde gesteld over joodse vraagstukken voorafgaand aan en tijdens de Tweede Wereldoorlog, en over collaboratieproblemen in Jappenkampen in Ned.Oost-Indië. Lammers had een inbreng over dit laatste onderwerp. Ultee en Flap (twee Nederlandse sociologen dus) wilden bewijzen, dat in gemeenten met NSB-burgemeesters de deportatie groter was dan in andere; dit ter verklaring van de "Nederlandse paradox" (gering anti-semitisme en toch veel deportaties van joden). Er waren nog andere onderzoeksvoorstellen, bijvoorbeeld over gemengde huwelijken tussen joden en niet-joden, ik meen, in de periode 1920-1930 in Hongarije.
Ik bracht op een bepaald moment bij de inbreng van Lammers een kritische vraag naar voren, waaruit afgeleid kon worden dat ik KvNS was, en dat ik vanuit die positie over de kwestie van collaboratie nadacht (op basis van mijn eigen stuk dus). Mijn vraag werd eigenlijk niet beantwoord. Wel werd vanaf dat moment een spervuur van vragen en opmerkingen van achter in de zaal, over mijn hoofd heen gepleegd in de richting van Lammers en anderen, die niet op mij gericht waren, maar die ik desalniettemin als buitengewoon afwijzend en kwellend ervoer. Ter verduidelijking nog een dagboekcitaat van mijn kant uit die tijd:
15 april 1996: Waar ben ik mee bezig? Waar ben ik in verzeild geraakt? Mijn aanwezigheid op de "Sociaal wetenschappelijke studiedagen" aan de VU in A'dam, was niet alleszins gelukkig. Vooral de behandeling van de bijdragen van Ultee en van Ultee/Flap, en daarvan vooral weer de laatste, was heel emotionerend. Ik ben dan ook huilend uit de bijeenkomst weggelopen. Wat was er nu zo emotionerend? Ik heb daar Lammers afgelopen vrijdag een brief over gestuurd. Was het onderwerp van Ultee/Flap 'fake'?, was het een 'omkering' van de stelling aan het eind van mijn reactie op het artikel van Lammers? Ultee en Flap willen bewijzen, dat in gemeenten met NSB-burgemeesters de deportatie groter was dan in andere, enz. Dit ter verklaring van de "Nederlandse paradox" (gering anti-semitisme en toch veel deportaties van joden). Vanmorgen heb ik een telefoongesprek met Peter Romijn van het RIOD gevoerd. Volgens Van Galen Last (bibliothecaris van RIOD) zou Romijn bezig zijn met een onderzoek op het terrein van de burgemeesters in WOII. En inderdaad. Daar was Romijn mee bezig. Hij kende ook de onderzoeksopzet van Ultee/Flap. Hij werkte niet met hen samen. Hij meende dat een kwantificerende benadering in deze niet de aangewezen methodologie zou zijn. In dit verband wees hij er bijvoorbeeld op dat de burgemeester van Amsterdam (Voute) geen NSBer was. Maar dat daar toch het grootste aantal deportaties hebben plaats gevonden. Romijn noemde (als falsificatie) ook een burgemeester Bos van Winterswijk die NSBer was, maar die joden waarschuwde als er deportaties op handen waren. Romijn verwees nog naar G.A.Kooy, "Winterswijk, het echec van een volkse beweging, nazificatie en denazificatie in Nederland; 1931-1945". Verschenen ergens in de jaren '60, 2e druk 1982.
De gevoelsmatige afwijzing tijdens de sociologische studiedag was zo groot dat ik zonder mij daar tegen te kunnen verzetten in een diepe huilbui uitbrak. Ik kon mij niet onttrekken aan het gevoel, dat de reacties op mij gericht waren en afwijzend waren. Ik moest de zaal verlaten om mij weer te kunnen gaan beheersen. Er was geen soelaas. Ik liep naar buiten en wandelde op en neer in een grote hal om tot rust te komen. Later kwam ik Lammers nog weer tegen, die weliswaar vroeg hoe het mij vergaan was, maar die tegelijk toch geen enkele beweging in mijn richting maakte om mij de gelegenheid te geven mijn positie toe te lichten, of tot enige inhoudelijke voortzetting te komen. Ik kon mij niet onttrekken aan het gevoel dat het afwijzing en uitsluiting betrof. Onoverbrugbaar. Ik was toen 58.
Op deze manier kon ik mij, als mens en als socioloog, niet onttrekken aan een waarneming van "tot een minderheidsgroep" te behoren, die niet deelneemt, niet gehoord wordt. In dit verband is het bijvoorbeeld ook opmerkelijk, dat in de definitieve tekst van P.Romijn "Burgemeesters in Oorlogstijd; besturen onder Duitse bezetting"; ISBN 90 5018 771 4; 2006; de in mijn dagboekcitaat genoemde burgemeester Bos (dr.W.P.C. Bos) 12 verwijzingen in het register krijgt. Onder die 12 verwijzingen is er geen enkele die verwijst naar de zaken die Romijn mij in 1996 noemde "... die joden waarschuwde als er deportaties op handen waren...". Ook dit soort aspecten versterken mijn vermoeden van stigmatisering en uitsluiting.
Mijn geschiedenis in de jaren 2000De aanleiding voor dit relaas, is de constatering, dat in de recente documentaire-serie over de Tweede Wereldoorlog (uitgezonden eind 2009), in de laatste aflevering ("Na de oorlog"), geen vermelding wordt gemaakt van de dingen die de nationaalsocialisten en hun kinderen zijn overkomen. Ik had de voorafgaande afleveringen niet gezien, en ging er van uit dat het nationaalsocialistische-verleden volledig verzwegen werd. Later bleek dat in de direct voorafgaande aflevering deze gebeurtenissen van na de oorlog kort aan de orde waren gesteld. Van Liempt, de documentairemaker, heeft overigens het aspect van "schendingen van mensenrechten" aan de orde gesteld in De Volkskrant van 12 december 2009, onder de titel "Gras eten in het interneringskamp". Het effect van zo'n benadering is, dat de TV-serie nog vele keren in het onderwijs zal worden gebruikt, maar dat de krantenversie zal verdwijnen. In de laatste aflevering van deze televisieserie (met name waar het gaat over de jaren '80) werd ook niet de moeite genomen om de Werkgroep Herkenning te noemen, die, los van de waardering voor zijn (naar mijn oordeel) gematigde opstelling in deze materie, toch goed werk verricht heeft voor opvang van KvNS.
Recent heb ik nog weer geprobeerd om het onderwerp schendingen van mensenrechten in concentratiekampen na de Tweede Wereldoorlog in Nederland, en de gevolgen daarvan voor de KvNS, op de agenda te krijgen van de politieke partij GroenLinks. Ik moest weer constateren dat er in deze politieke stroming wel erkend wordt dat er dingen niet goed gegaan zijn, maar dat er geen enkele animo is om te streven naar excuus en genoegdoening.
Kenmerkend is dat het verleden van KvNS in het geschiedenisonderwijs gereduceerd is tot pesten op school of op straat tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De feitelijke gebeurtenissen worden te vaak weggefilterd uit de historische beschrijving van het verleden. Ik ervaar dat als een ontkenning van de dingen die mij als KvNS zijn overkomen. Die ontkenning vind ik onaanvaardbaar. Ook in de 21e eeuw is een open communicatie over dit onderwerp nog steeds niet structureel mogelijk.
De balans opmakend konstateer ik: .... dat mijn levensloop voor een belangrijk deel in negatieve zin bepaald is door de maatschappelijke reactie op het verleden van mijn ouders; .... dat het onderwerp mij nog steeds sterk emotioneert; .... dat wetenschappers, waaronder ik, als ze kinderen van nationaalsocialisten zijn, nog steeds argwanend/met vooroordeel bejegend worden; .... dat de overheid nog nooit erkend heeft dat er in de behandeling van Nederlanders die als collaborateur werden gestigmatiseerd, na de oorlog fouten zijn gemaakt; .... dat er 60 jaar na de Tweede Wereldoorlog voor het grote publiek nog steeds geen genuanceerd beeld voorhanden is; .... dat er ook geen genuanceerd lesmateriaal is.
Ik ben nu 71. Al die jaren is dat verleden niet weggeweest uit mijn denken. Er is geen dag geweest dat ik me er niet mee bezig heb gehouden. Mijn leven is in sociaal- en economisch opzicht diepgaand beïnvloed door de bovenbeschreven gebeurtenissen.