Een mix van wilde vreugde, droefheid en pijn

05-04-1945, Rotterdam

Het echte ogenblik van de bevrijding, na vijf jaar oorlog, was toen mijn broer, zeventien jaar, en ik vijfentwintig, driehoog op het dak van de dakkapel klommen en zwaaiden naar de Engelse vliegtuigen. Zij kwamen voedsel afgooien voor de hongerige bevolking van Rotterdam – voor ons!

Story Archive

Er was zon en de Duitsers schoten niet! We juichten en zwaaiden. Het duurde nog een kleine week voor dat voedsel ons bereikte, we hadden niets meer te eten behalve nog wat suikerbieten. We hadden honger en waren blij, uitgelaten. En tegelijk triest: waar was Wout, onze oudste broer, die in het concentratiekamp Oranienburg bij Berlijn zat, leefde hij nog?

Mijn jongere broer was ondergedoken bij een boer in Twente, hij kon gelukkig genoeg eten.

Op 5 mei was het zonnig en windstil – ik liep door de lege stille straten en was droef. Wie zouden niet terugkomen? Waar waren de weggevoerde joden? Leefde onze Joodse onderduiker nog, die weg moest, omdat we telefonisch werden bedreigd?

Maar op 6 mei reden de Canadezen vanuit het noorden de stad binnen: we juichten, zwaaiden en ik klom op een jeep om mee te rijden naar Zuid, dwaas door de stad en door de Maastunnel naar Tuindorp, waar mijn vriend woonde.

Daar sprong ik van de jeep af en ik liep verliefd naar zijn huis. De hele winter kon hij niet naar mij komen, omdat iedere jongen op de bruggen opgepakt werd. Nu waren we vrij! Vrij! Vrij! Maar mijn vriend had een ander meisje gevonden, in Zuid.

In juli kwam mijn broer terug. Hij had een dikke kop – het leek mee te vallen – maar het kwam door de hongeroedeem. Zijn neus was gebroken en stond een beetje scheef. Hij moest naar een adres in Overschie, maar ik bood aan in zijn plaats te gaan. Zo liep ik naar een adres in Overschie om aan twee ouders te melden dat hun zoon was gestorven in het concentratiekamp. Vlak voor de uittocht, die een dodentocht was.

Zo was de bevrijding; een beklemmende mix van wilde vreugde, droefheid en pijn.