Ik herinner mij, dat wij - mijn moeder, mijn zusje en ik - samen met een andere moeder met dochter waren ondergebracht in de lerarenkamer van een school in Blekede onder Hamburg. Alle andere vluchtelingen was een slaapplaats toegewezen in de klaslokalen, die nauwelijks voldoende plaats boden om alle stromatrassen te kunnen bevatten. Zelf ben ik maar één dag in Blekede gebleven. Reeds de andere dag werden alle mannelijke aanwezigen van 14 jaar en ouder uitgenodigd voor een bijeenkomst in het gymnastieklokaal. Plichtsgetrouw ging eenieder er heen. Ik ook. Op welke wijze wij werden toegesproken staat mij niet meer bij, maar nog diezelfde dag was ik met een groot aantal andere veertien- tot zestienjarigen in veewagens onderweg naar Oostenrijk. Anderhalf jaar later zou ik van mijn moeder horen, dat na afloop van de bijeenkomst in de gymnastiekzaal wèl alle volwassenen terugkeerden. Ze heeft meer dan een jaar niet meer geweten waar ik was en of ik nog wel in leven was. Wel kreeg zij in oktober 1944 bericht, dat mijn broer bij de Nederlandse grens was gesneuveld. De treinreis duurde tot de avond van de volgende dag. Onophoudelijk werd er stilgestaan, veelal aan de rand van grotere plaatsen. Er was dus alle gelegenheid om langs de spoorbaan je behoefte te doen. Mijn wagon was zo vol, dat ik tijdens de nacht alleen zittend kon slapen, wat mij niet lukte. Ik vond mijn toevlucht op een plank, die om onduidelijke reden op een halve meter boven de vloer van de wagon was aangebracht. Veel geslapen heb ik niet op die plank. Gedurende de reis werd niet voor eten gezorgd, ook niet voor strozakken en dekens. Ik zie in mijn geheugen niemand, die een koffer of tas bij zich had. Het hele bezit bestond uit de kleding, die je toen aanhad en dat na vier jaar oorlog. In de maand september hoefde dat niet veel te zijn, zeker geen overjas. Het jack in al zijn huidige uitvoeringen was nog niet uitgevonden. In een afgesloten veewagen heerst duisternis. Met een gaatje in de wand, waardoor het licht van buiten naar binnen kan dringen wordt de hele wagon één grote camera obscura. Zittend in het inwendige van die immense rijdende camera heb ik met verbazing op de tegenoverliggende wand het landschap - weliswaar op zijn kop - voorbij zien trekken. In silhouet, maar toch. Het was tv avant la lettre. Het fenomeen moet meer zijn meegemaakt, maar nog nooit heb ik gehoord of gelezen, dat anderen in vergelijkbare omstandigheden dezelfde wonderlijke ervaring hebben gehad. In Oostenrijk bleek, dat ik was toegetreden tot de Jugend-SS en ik leerde er met vele andere Nederlandse jeugdigen marcheren, strijdliederen zingen en schieten. Ik heb er waarachtig nog een foto van. Als je mij daarop ziet in mijn uniformpje met petje op een kinderlijk-zachtaardig smoeltje, dan hoor ik je al zeggen: “Ach God”. Vanaf het kamp hoog boven Spittal keek je uit over het beeldschone meer Millstättersee, waaraan eind 1944 uiteraard elk toeristisch element ontbrak. Om de twee weken marcheerden we zingend langs bergweg en bergbeek omlaag naar een bioscoop in Spittal. Al marcherend bleek ik als Germaans militair ongeschikt. Ik liep hinderlijk uit de pas. Het viel mij op, dat mijn Nederlandse lotgenoten alle Duitse en ook Nederlandse strijdliederen kenden, alsof ze al jaren in overeenkomstige omstandigheden waren. Ik werd grondig ingewijd en diende er snel aan te wennen, dat het centrum van Spittal werd binnengemarcheerd met strijdliederen van bij voorkeur twijfelachtig allooi, zeker voor ‘strijders’ van onze leeftijd. Ga zelf maar na bij een stukje tekst op strakke marsmelodie, als dit:
Wir sind in jeden Puff bekannt und kennen auch jedes Loch Wir haben schon manchmal den Schwanz verbrannt aber ficken dasz können wir noch Kamaraden, die Welt, die Welt ist so schön, was gibt es für uns noch zu seh’n Ein Mädchen von Sankt Pauli, ein Mädel von der Reperbahn
Gelukkig waren wij ‘Holländische Jugendlichen’ tijdig weg, want niet veel later zouden de achterblijvers proberen de uit Italië oprukkende geallieerden tegen te houden, dat niemand van hen schijnt te hebben overleefd. Wij waren ondertussen voor enkele dagen ondergebracht in een ondergesneeuwd dorpje in de buurt van Gries. Het dorpje met zijn obligate kerkje kon zo model staan voor een kerstkaart. Er was voor ons een piepklein intiem kampje, barstensvol met wandluizen. Het vroor, dat het kraakte, dus de potkacheltjes snorden en omdat wandluizen zich ‘s nachts van het plafond omlaag laten vallen op je bed, waarvan de gedachte alleen al naar was, maakten we poken in de kachel roodgloeiend en brandden alle wandluisgangen - overvloedig aanwezig in houten wanden en houten britsen - grondig uit. Zo grondig, dat op een kwaad moment alle zeilen moesten worden bijgezet om te voorkomen, dat niet een hele barak in vlammen opging. Voor straf moesten wij in de ijzige vrieskou en de sneeuw honderd maal rond de appèlplaats marcheren, waarbij ik wederom kennismaakte met een marslied, dat iedereen reeds kende, behalve ik. Hier is het:
Zij woonde aan het strand al in een heel klein hutje had haren op haar buik en krullen op haar kutje Van naaien hield zij veel, nog veel meer van minetten wat keek dat loeder scheel, toen ik haar een punt wou zetten
De Duitse commandant heeft nooit begrepen, waarom dat stelletje kindsoldaten in de sneeuw en de ijzige vrieskou zo vol geestdrift de honderd rondjes volmaakte met steeds hetzelfde voor hem onbekende ‘strijdlied’. En ik heb tot op hoge leeftijd niet geweten wat minetten is. Wij zijn maar heel kort in die besneeuwde Oostenrijkse idylle gebleven. Wellicht om de geallieerden voor te blijven zijn we in de ons inmiddels vertrouwde veewagens verder naar het noorden verplaatst. Om de afgrijselijke kou enigszins te bestrijden waren de wagons voorzien van een potkacheltje. Om de niet minder afgrijselijke honger te bestrijden werd bij een zoveelste oponthoud op een emplacement een aldaar ontdekte wagon met appels onmiddellijk bestormd en geplunderd. De onweerstaanbare geur en de godzalige smaak van die op de potkachel gepofte appels zullen mij altijd bijblijven. Het was opvallend, hoezeer tijdens onze reis naar het noorden de wereld om ons heen veranderde. Het was weinig rijden en veel en langdurig stilstaan. Er was regelmatig luchtalarm en elke keer als de deuren open konden zag je meer vernieling, meer puinhopen. Ons passeerden eindelooslange hospitaaltreinen, vol met als mummies omzwachtelde gewonden, hoog opgetast voor de ramen. Toen ik mij reeds begon te verzoenen met een leven, dat zich afspeelde in een veewagen werd er dan toch eindelijk gestopt en uitgestapt in Eger aan de Eger, gelegen in de Sudetengouw. In mijn Bosatlas van 1939 is dat alles nog terug te vinden. In een recentelijk bijgewerkte atlas is deze locatie aangeduid als Cheb aan de Ohre, gelegen in Tsjechië. Het kamp, waarin we werden ondergebracht was zo groot, dat er geen eind aan kwam. De luttele dagen, dat ik daar ben geweest staan in mijn geheugen gegrift, alsof ik er maanden moest verblijven. Ik denk, dat ik er nog wel eens iets over zal schrijven.
31-03-2000