We vertellen elkaar wat onze meest beangstigende ervaring is geweest: iemand werd door zijn vader als vierjarige neergelaten in een schuttersputje langs de weg tijdens een beschieting in Achterveld, een vrouw was erbij toen haar moeder door de Duitsers werd tegengehouden bij het clandestien vervoer van voedsel in een oude kinderwagen.
Dan begint een voor mij onbekende man te vertellen. In de oorlog woonden zijn ouders in Amsterdam, waar hij ook het begin van de Hongerwinter meemaakte. Hij werd later ondergebracht bij een gezin op een klein dorp, waar nog redelijk genoeg voedsel beschikbaar was.
‘Daar maakte ik ook de bevrijding mee’ zegt hij. ‘En er gebeurde daar toen zoiets afschuwelijks, dat is me altijd angstig bijgebleven. Er reed een mestkar door de dorpsstraat, schreeuwende en jouwende mensen eromheen en op die kar stonden vrouwen met kale hoofden......”
Terwijl hij zijn verhaal verder vertelt hoor ik zijn stem haast niet meer en zie ik mijn eigen herinneringsbeeld: ik ben net begin april acht jaar geworden. Het is bevrijding, er is steeds veel te doen voor ons huis aan de Dorpsstraat in Heerde. We horen lawaai , met mijn moeder gaan mijn zusje en ik naar buiten en we staan op de stoep. Er is een oploopje van joelende mensen om een mestkar, daarop staan vrouwen, al hun haar wordt afgeknipt. Ze hebben akelig witte kale hoofden er wordt aan hun kleren getrokken, de jurken scheuren. Dan verft een man het hoofd van zo’n vrouw rood met menie. Geschreeuw en gekrijs. Ik schreeuw het nu ook uit van angst. Mijn moeder zegt: ‘kijk maar niet’ en verbergt mijn hoofd in de plooien van haar rok....
Ondertussen is de man uit Amsterdam klaar met zijn verhaal. Ik vraag zachtjes: ‘Welk dorp was het waar je logeerde?’ ‘In Heerde op de Veluwe’, antwoordt hij.