Herinneringen aan de tijd in Duitsland

09-1944 tot 08-10-1946, Leiden / Duitsland

Gaarne wil ik U een en ander vertellen van onze reis naar Duitsland in september 1944, van datgene wat in mijn herinnering is blijven hangen.

Zonder enige voorkennis vertrokken wij, mijn moeder, een dienstmeisje en mijn twee broertjes en twee zusjes vanuit Leiden richting Duitsland. Het vervoer geschiedde in open veewagens, waarin we met veel mensen gepropt werden. Wij als kinderen mochten op de houten vloer gaan liggen om te slapen, met als deken onze eigen jas en of die van ouderen. De ouderen moesten blijven staan of mochten zitten. Ik was het oudste kind en in mei 1944 zeven jaar geworden.

Waar we de grens passeerden weet ik niet meer, maar ik dacht dat het in de buurt van Enschede was. ’s Nachts regende het, en tijdens de rit overdag in Duitsland stopte de trein verschillende malen, en moesten wij er uit en plat in greppels naast de spoorbaan gaan liggen. Vanuit vliegtuigen werd de trein beschoten. Ik heb dat veel keren gehoord. Zodra het weer veilig was mochten we weer de trein in en werd verder gereden. De sanitaire voorziening was in de wagon, bestond uit een groot olievat, 200 liter (?), waarin we ons op de pot gedane behoeften moesten legen. Natuurlijk was deze drum al spoedig vol, en door het schommelen van de trein liep er regelmatig urine over de rand.

Als enige bagage had mijn moeder een groten houten kist die ik moest helpen dragen. Ik weet niet hoelang we onderweg zijn geweest, maar op een avond stopte de trein in Stade, waar we eruit gingen en naar een soort Lager werden overgebracht. Daar lagen honderden matrassen bijna naast elkaar op de vloer en kregen we dekens en eten. Vandaar werden we naar onze tijdelijke verblijfplaats gebracht, een klein dorp Gräpel. Het huis waarin wij tot begin juni 1945 woonden bestond uit twee delen. De rechterzijde werd bewoond door de Duitse familie Goossen: een vrouw met drie kinderen, te weten de oudste een zoon Jan en nog twee meisjes, waarvan ik alleen nog de naam van de jongste herinner: Oete. Hun man en vader was bij de onderzeedienst en in Hamburg gestationeerd. Ik heb deze man éénmaal gezien. De zoon Jan was van mijn leeftijd. De linkerzijde was dus ons domein en daar woonden ook nog in het achterste gedeelte Oostpruisische vluchtelingen, die als ze het huis uit wilden door al onze kamers moesten. Al spoedig na aankomst werd ik ingekwartierd bij een winkelier Kaufman Peters, waar ik gehard werd en elke morgen de Hitlergroet moest brengen. Na met koud water te zijn gewassen ging ik dan naar school. Omdat ik het niet erg naar mijn zin had bij deze kaufman, mocht ik na enige tijd weer terug naar mijn moeder, broers en zusjes.

De gehele tijd daar hebben wij gewoon schoolgegaan, en kennis gemaakt met andere Hollandse families, die veelal waren ondergebracht in Himmelpforten. Als wij op visite gingen, dan ging dat te voet over zandwegen. Wij maakten daar kennis met de familie Smit en Van der Loo, wier zoon ik later weer tegenkwam in het ‘heropvoedingsgesticht’, waar wij na terugkomst werden ondergebracht. Uit de Duitse tijd herinner ik mij de bombardementen op Hamburg, wij konden de kettingbommen gewoon zien en ’s avonds de rood-oranje gloed aan de oostelijke hemel. Overdag speelden we altijd met onze Duitse vriendjes en ook wel met Russische krijgsgevangenen die op omliggende boerderijen waren tewerk gesteld. Soms ook moesten wij helpen bij het slachten van konijnen en varkens. Later, ik denk dat het al mei 1945 was, zagen wij veel Engelse militairen met lange prikstokken, op zoek naar waardevolle spullen die door de dorpsbewoners waren verstopt. Eenmaal probeerde zo’n soldaat mijn moeder te versieren, maar die wist hem gelukkig weg te sturen. Ons veel gebruikte speelterrein was een houthandel naastdeurs, en het spelen veroorzaakte wel eens een ongeluk, zoals bij mijn broer die met zijn voet tussen losgeraakte boomstammen klem kwam te zitten.

Ik heb eind mei 1945 nog mijn achtste verjaardag daar gevierd en op een gegeven moment moesten wij weer terug naar Holland. Ook dit ging weer in open veewagens en ik meen dat wij bij Vlodrop de grens passeerden. Op het station Leiden werden wij overgeladen op open vrachtwagens en verder getransporteerd. In ons geboortedorp werden wij bij een tante afgezet, onder grove verwensingen van een groot aantal omstanders. Mijn moeder en mijn zusjes mochten niet mee, en die heb ik pas weer in april 1946 gezien. Mijn moeder werd opgenomen in de Doelenkazerne in Leiden en werd rond kerstmis 1945 vrijgelaten.

Nadat wij enkele weken bij mijn tante verbleven werd het haar te veel en werden wij ondergebracht in de Dr. W. van der Bergh Stichting in Noordwijk. Het was een instelling voor geestelijk gehandicapten en psychisch gestoorden. Wij hadden met deze lieden geen contact. Volgens mijn broer werden wij later overgebracht naar het Sint Jeroen, een soort klooster, echter weet ik daar niets meer van. Wel dat wij met kerstmis 1945 waren uitgenodigd bij een groot Noordwijks katholiek gezin, waar we met z’n zessen in de breedte van een tweepersoonsbed moesten slapen. Dat was nog eens lol.

Begin 1946 werden wij overgebracht naar een soort vakantiehuis in Wijk aan Zee waar wij eerst werden onderzocht. Leden wij in Noordwijk aan hoofdluis en schurft, in Wijk aan Zee bleek dat wij ook ernstig ondervoed waren. Het gevolg was dat ik iedere middag na schooltijd een witte boterham met pindakaas onder toezicht van de directrice van het huis moest verorberen, hetgeen ik met smaak deed, en nog steeds gek ben op een boterham met pindakaas.

Na haar vrijlating begon mijn moeder, na bijgekomen te zijn van de verschrikkingen en mishandelingen, na nieuwjaar te zoeken naar huisvesting en trachtte haar verspreide gezin weer bij elkaar te krijgen. Nadat ze huisvesting had gevonden keerden eerst de kleintjes huiswaarts en daarna wij tweeën. Wanneer dat geweest is weet ik niet, maar wij gingen weer naar dezelfde school in Oegstgeest waar ik ook in 1943 en 1944 leerling was. Door al het gehannes was ik intussen een jaar achterop. Ik ben nog in het bezit van mijn lagere school-rapport. Dit is gedateerd 8 april 1946 en vermeldt alleen het laatste deel met de opmerking ‘over naar klas 3’. Ik had een goed contact al die jaren met mijn klasgenoten.

Nadat mijn vader was vrijgekomen is hij eerst het achterstallig loon aan ons dienstmeisje gaan brengen en daarna begonnen alles wat gestolen was weer onder rechtmatig beheer te brengen. Mijn moeder bleef via brieven in contact met de familie Goossen en vele jaren later heeft zij de familie opgezocht met mijn jongere broer, die toen in het bezit van een auto was.

Tot slot nog dit. In de zomer van 1946 bleek ik ernstig vitaminetekort te hebben (scheurbuik). Dit betekende in de zoveel tijd een injectie halen bij de huisarts, die dan na de injectiespuit in mijn achterwerk te hebben gesmeten uitriep: ‘daar heb je weer twaalf sinaasappels!’