Wanneer in juli 1942 Otto Frank opgeroepen wordt door de Duitse SS, besluit het gezin onder te duiken in een pand achter het bedrijfspand van Otto Frank aan de Prinsengracht in Amsterdam. Ruim twee jaar blijft het gezin verborgen in het zogenaamde Achterhuis. In de zomer van 1944 gaat het mis. De onderduikers worden verraden en via kamp Westerbork naar Auschwitz vervoerd. Eind oktober worden de twee meisjes (zonder hun moeder) overgebracht naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. In de afschuwelijke omstandigheden van het concentratiekamp overleven de drie vrouwen niet. Edith Frank sterft op 6 januari 1945 in Auschwitz, In maart sterven Margot en Anne in bergen-Belsen. Otto Frank is de enige van de onderduikers die de oorlog overleeft. Terug in Nederland weet hij dat zijn vrouw overleden is, maar is onbekend met het lot van zijn dochters.
De Nederlandse bevolking wordt na het einde van de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd met de onzekerheid over het in leven zijn van zeer vele landgenoten. In het Koninklijk Besluit van 2 juni 1949 wordt vermeld dat de wet onder ‘vermiste’ verstaat: een ieder die op enig tijdstip tussen 9 mei 1940 en 1 juni 1945 in Nederland woonplaats heeft gehad, maar van wiens bestaan sinds de laatstgenoemde datum niet meer is gebleken, terwijl er goede gronden bestaan om aan te nemen dat hij of zij is overleden. In artikel 2 van de wet staat de door of vanwege de minister van Justitie bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de laatst bekende woonplaats in Nederland schriftelijk aangifte kan worden gedaan van het overlijden van een vermiste. De minister roept daarvoor een Commissie tot het doen van aangifte van overlijden van vermisten in het leven. Deze aangifte moet bovendien in de ‘Nederlandsche Staatscourant’ worden gepubliceerd.
De twee oudste stukken in het overlijdensdossier van Anne Frank zijn formulieren van deze Commissie tot het doen van aangifte van overlijden van vermisten van 6 april 1951, waarin aan het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis en de ambtenaar van de burgerlijke stand in Amsterdam om informatie gevraagd wordt. Op het formulier van het Rode Kruis staat aangetekend: ‘dossier N.R.K. 117266. Cf. concl. RK † 31 Maart 1945 te Bergen Belsen / Dld.’ Het Rode Kruis heeft geconcludeerd dat Anne Frank uiterlijk op 31 maart 1945 in Bergen Belsen is overleden. Op het formulier van de gemeente Amsterdam staat aangegeven dat uit het bevolkingsregister blijkt dat geen overlijdensakte is opgemaakt. Op 7 mei 1954 stuurt J. Kleiman als gemachtigde van O.H. Frank een brief aan de Commissie, waarin hij bericht dat het informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis verklaard had dat Margot Betti Frank en Annelies Marie Frank overleden zijn. Hij verzoekt de overlijdensaangiften in behandeling te willen nemen. Een bericht van ontvangst zendt de Commissie op 4 juni 1954. De aangifte heeft plaats op 29 juli 1954. Daarvan is in het dossier een afschrift aanwezig (de doorslag van een getypt aangifteformulier). De aangifte wordt op 29 oktober 1954 in de burgerlijke standsregisters van Amsterdam ingeschreven. Het dossier bevat verder een soort moederformulier en een persoonskaart uit de eigen administratie van de Commissie.