Mijn moeder is enkele maanden na mijn geboorte uit de ouderlijke macht ontzegd en mijn vader was met een oorlogsschip op zee daarom ben ik opgegroeid niet bij mijn echte vader en moeder maar eerst 16 maanden in een kinderhuis en later bij pleegouders. Rond mijn 7e jaar is er nog een pleegkind in huis gekomen. Mijn bedoeling is iets over mijn leven te vertellen, een leven dat deels is bepaald door de 2de wereldoorlog die voor mij op 5 mei 1942 nog niet was afgelopen maar toen pas begon. Ik herinner mij dat ik buiten in een wandelwagentje zat en dat er allemaal grote dingen uit de lucht vielen die vanuit overvliegende vliegtuigen naar buiten werden gegooid. Veel van deze pakketten vielen in de leidsevaart, dat was een brede sloot in Bennebroek waar wij toen vlak naast woonde. Het was een gek moment omdat juichende en naar de vliegtuigen zwaaiende mensen pardoes in het water sprongen om deze pakken uit het water te halen. Veel later hoorde ik dat het voedselpakketten waren. Onder andere het zogenaamde Zweedse wittebrood. Ergens in 1946 gingen wij verhuizen van Bennebroek naar Aerdenhout. Wij zijn toen gaan wonen in een oude boerderij naast het toen al bestaande bollen bedrijf van mijn pleegvader, dat was gelegen tegen een groot natuurgebied, De Amsterdamse waterleidingduinen. Prachtig natuurlijk maar wel een beetje afgelegen. Ik was een ondernemend jongetje met veel fantasie iets wat ik toen goed kon gebruiken want ik moest mij meestal alleen vermaken. Ik liep nogal veel weg, vooral de duinen in waar ik in mijn fantasie van alles beleefde, dan was ik bijvoorbeeld een Duitse soldaat die op weg was naar Duitsland. Ik denk dat buren die enkele honderden meters bij ons vandaan woonden mij iets moeten hebben verteld. Ook was ik bekend met de term moffenjong want zo werd ik wel eens genoemd, iets wat ik toen nog niet erg vond ik was pas 4 a 5 jaar oud, wist ik veel. Ik was ondeugend en ondernemend, er zal dus wel een reden voor geweest zijn. De kleuterschool, een nonnenschool kwam in zicht. De eerste grote ramp! Opeens moest ik met allemaal andere kinderen met mijn armen over elkaar netjes stil zitten en naar de zuster luisteren. Ik! Die gewend was in de duinen te spelen tussen de bomen met konijnen en vogels waar ik in mijn fantasie al mijn avonturen beleefde. Enige warmte tussen kind en volwassene kan ik mij daar niet herinneren. Ik stond met grote regelmaat in de hoek waar dan een piano voor werd geschoven zodat ik niet kon weglopen. Na ongeveer 2 maanden zag ik mijn kans schoon en rende weg. Met een non achter mij aan rende ik dwars door een tussendeur van glas in lood naar buiten. Dat was einde kleuterschool. Wij waren inmiddels een gezin zonder aanzien geworden, een jaar na de bevrijding was mijn pleegvader met zijn bedrijf failliet gegaan. Niemand zat verlegen om blauwe druifjes, een bloembolletje waar hij alles op ingezet had, armoede werd ons deel. Als klein kind heb ik daar toch niet bewust onder geleden, dat kwam pas wat later. Te eten is er altijd wel geweest, geen duur vlees bij de slager vandaan maar een stukje wild uit te duinen was misschien nog wel veel gezonder. In 1948 werd ik naar een deftige basisschool gestuurd in Aerdenhout. De Jozefschool, dat was een katholieke school, logisch omdat bij ons thuis deze religie behoorlijk streng werd beoefend. Wat een ramp! Wat een grote ramp is dat geweest. Een slechtere keus was niet te bedenken geweest. Waarschijnlijk hebben zij niet de vrije keus gehad, op de achtergrond was de zogenaamde kinderbescherming actief. Van kinderen die vallen onder de kinderbescherming wordt een dossier samengesteld. Dit dossier gaat dan ook naar de pastoor en naar het school hoofd. Er was een moffenjong de school binnengedrongen! Enige leraren met het schoolhoofd voorop besloten alsnog tot het Nederlands verzet toe te treden. De Jozefschool heeft kans gezien dat elke motivatie tot het opnemen van kennis In klassikaal verband volledig de mist in zou gaan. Er waren leerkrachten die zich onaangenaam tegen mij gedroegen, noem het maar ronduit vijandig. Bijna in alle klassen werd er heel negatief op mij gereageerd, als men dacht dat ik het vooraan in de klas naar mijn zin had, dan moest ik naar achteren en andersom. Ik kreeg straf voor het minste en geringste. De 5e klas heb ik bijna geheel op de gang gestaan! Het hoofd van de school was de gemeenste. Ik heb bvb eens een vies woord gezegd op het speelplein, een kind heeft dat aan het schoolhoofd verteld. Ik moest toen bij hem voor de klas gaan staan waarna hij met zijn aanwijsstok op mij wees en de kinderen vertelde dat hier een heel vies, gemeen en gevaarlijk jongetje stond, waar ze maar beter met een grote boog om heen konden gaan. Als kinderen van mijn klas een feestje gaven, dan behoorde ik niet tot de genodigde. Tijdens de godsdienstlessen kon de kapelaan zelfs zijn handen niet thuis houden. Natuurlijk deed ik wel eens wat, maar vaak stond de straf niet in verhouding, ook niet in vergelijking met de straffen die andere kinderen kregen. Ik kreeg ook vaak de schuld van zaken waar ik niets mee te maken had gehad. Toch was ik soms ook best heel stout en onaangepast. In de 6e klas was een leerkracht die het wel heel vaak had over een appeltje dat niet ver van de boom was gevallen, later heb ik wel begrepen wat hij bedoelde, ook werd door hem net even te vaak verteld dat Duitsers wel heel gemene mensen zijn. Bij mijn pleegouders was helaas geen steun te verwachten, zij geloofden heilig in de integriteit van de leerkrachten en de kapelaan. Dat waren knappe mensen die hadden gestudeerd. Zulke mensen deden natuurlijk geen slechte dingen, ik begreep als kind niets van al deze onrechtvaardigheden. Wist ik veel? De derde klas heb ik getroebleerd, een jaar ben ik niet naar school gegaan. Ik kreeg hartklachten en ook onverklaarbare buikklachten. Veel ziekenhuis onderzoeken hebben plaatsgevonden maar de werkelijke oorzaak lag natuurlijk op een heel ander gebied. Mijn schoolprestaties werden steeds slechter en mijn aversie tegen de school steeg met de dag. Met scholen en mij is het helaas niet meer goed gekomen. Ik ben op mijn 15e jaar gaan werken, eigenlijk wilde ik heel graag naar de zeevaart school om marconist te worden. Daar kwam niets van in, het is natuurlijk door de kinderbescherming tegen gehouden. In die tijd werd bepaald dat onder de kinderbescherming gestelde kinderen een beroeps opleiding konden krijgen, jongens naar de ambachtschool en meisjes naar de huishoudschool. Het werd dus de ambachtsschool. Deze school heb ik niet afgemaakt, na 2 jaar had ik, en ook de leerkrachten er meer dan genoeg van. Toen ik 16 jaar oud geworden was wilde mij pleegouders mij vertellen hoe het nu echt was gegaan met ons gezin. Zij vertelde dat ze niet mijn echte vader en moeder waren! Maar dat wist ik allang! Dat wist ik al ongeveer op mij 7e jaar! Hoe, dat weet ik niet, maar ik wist het. Er was bijvoorbeeld altijd enig gehannes met mijn schoolrapporten, Het rapport met de naam “Van de Pol” kwam altijd met de post en het rapport wat ik zelf mee naar huis moest nemen, daar stond de naam Hogervorst op. Officieel had ik de naam van mijn biologische moeder, maar die naam was altijd voor mij verborgen gehouden. Al die tijd heb ik het toneelspel meegespeeld! Het was de bedoeling dat ik geadopteerd zou worden, daarom moest de waarheid op tafel komen. Er werd de volgende lezing gegeven; ik had een heel slechte moeder die een kind van een Duitser had gekregen zonder fatsoenlijk getrouwd te zijn, en mij vervolgens had weggeven zonder ooit nog eens naar mij om te kijken. Maar wat bleek, Moeder v.d. Pol wilde geen toestemming tot adoptie geven zonder mij te spreken. Ik heb toen geweigerd om haar te ontmoeten, dat was mij toen te ingewikkeld ze heeft toen uiteindelijk genoegen genomen met een foto. Ik kan mij nog goed herinneren dat deze foto bij een fotograaf werd gemaakt, ik heb nog nooit zo lelijk gekeken tijdens het maken van die foto. Rond mijn 18e jaar is de adoptie door de rechtbank uitgesproken. Toen kwam mijn militaire dienstplicht. 21 maanden ben ik in dienst geweest en opgeleid bij de 7de december divisie lichting 62-4 in Grave met als kader de voormalige vrijwilligers uit de Koreaoorlog om te gaan vechten in nieuw Guinee. Gelukkig stak de Amerikaanse president daar een stokje voor. Inmiddels was ik erg onrustig geworden. Ik wilde toch weten wie mijn biologische vader en moeder waren. Ik kon op het laatst bijna nergens anders meer aan denken, slecht slapen en veel te veel drinken was het gevolg. Ik voelde dat ik het niet aan mijn adoptieouders kon vragen hoe het nu werkelijk gegaan was, Zij hadden het al zo moeilijk gehad met hun bekentenis dat zij niet mijn biologische ouders waren. Ik wist dat ik in de regio Haarlem moest beginnen. Eerst het bevolkingsregister die wisten niets toen omstreeks juli 1958 naar de Rooms katholieke vereniging voor kinderbescherming te Haarlem. Tot mijn grote verassing bleek ik een halfbroer te hebben: “Frits”. Moeder zou zijn verhuisd naar een van de overzeese gebiedsdelen dus veel brieven over en weer. Maart 1972, schrijven van burgerlijke stand Amsterdam met het adres van Frits. Op zijn adres in Amsterdam woonde een vriend van hem, ik heb via zijn vriend contact gezocht met Frits. Frits bleek wel van mijn bestaan afgeweten te hebben, hem zou zijn verteld dat zijn broer (ik dus) in een inrichting zou zitten. Na voorzichtig kennisgemaakt te hebben met elkaar zijn wij na ongeveer een jaar later samen naar onze moeder gegaan. Toen zij de deur opendeed zei Frits “Hier is je gekke kind”. Ik begroete haar en vroeg onmiddellijk de naam van mijn vader die ze mij ook ogenblikkelijk gaf. Het was merkwaardig genoeg een emotieloze ontmoeting. Een aantal jaren heb ik contact met haar gehouden, geleidelijk aan steeds minder en na het overlijden van Frits in oktober 1987 helemaal niet meer. Enige warmte heb ik nooit kunnen bespeuren, bij ons beiden niet. Toen ik Frits zijn overlijden aan haar meedeelde, en om eventuele financiële steun vroeg voor een nette begrafenis, gaf ze te kennen niet meer dan 250 gulden te willen geven. Toen wist ik meteen wat wij als kind waard waren en was ik er helemaal klaar mee. Ik kon het met mijn halfbroer Frits heel goed vinden. Frits was een gevoelig man, en hij was gek op de kleine Alfred mijn zoontje, hij was een kunstenaar en ik was zijn tegenpool. Frits was in München gaan wonen omdat hij dacht kind van een Duitse vader te zijn, maar dat was niet zo. Ik was voor hem aan het speuren gegaan, had ik dat maar nooit gedaan dan was hij er misschien nog geweest. Onze moeder had verteld dat het iemand was geweest in Limburg die op de WC was doodgeschoten na de bevrijding. Doodgeschoten door iemand die wat vreugdeschoten had gelost. Zij noemde wel de naam van het dorp, maar wilde niet zijn naam noemen. Ik heb de gemeentesecretaris aangeschreven en die schreef mij terug dat er inderdaad een dergelijk voorval had plaatsgevonden. Hij was een kranten reporter uit….. Haarlem! Ik kreeg ook een naam. Toen ik het Frits vertelde, en vroeg of ik verder zou gaan met de zoektocht, keek hij mij teleurgesteld aan en zei nee doe het maar niet. Ik weet nu genoeg. Frits zijn identiteit was in duigen gevallen. Hij werd in de loop der jaren steeds somberder en het laatste jaar ging het heel slecht met hem. Al zijn relaties liepen stuk door verlatingangst (voor mij ook heel herkenbaar) hij kon er op laatst niet meer tegen. Ergens in september 1987 belde Frits mij midden in de nacht omstreeks 2.30 uur op. Hij vertelde in tranen dat hij het niet meer zag zitten en er een eind aan ging maken. Ik heb Frits gevraagd professionele hulp te gaan zoeken, dat heeft hij wel gedaan maar op 3 oktober 1987 is hij toch tussen München en Augsburg uit te trein gesprongen. Hij had een briefje in zijn zak. De politie heeft 4 dagen nodig gehad met het opsporen van mij omdat ik, om het hele verhaal nog eens extra ingewikkeld te maken mijn naam had laten veranderen bij koninklijk besluit. Ik heb spijt omdat ik na dat nachtelijke telefoontje niet naar München ben vertrokken. Het is een soort schuldgevoel wat ik volgens de hulpverlening niet mag hebben maar het is er helaas nu eenmaal. Intussen waren mijn beide adoptieouders gestorven. Daar was een turbulente tijd aan voorafgegaan. Mijn adoptiemoeder was in de loop der jaren een verbitterde vrouw geworden en enkele jaren voor haar echtgenoot overleden. In augustus 1982 is mijn adoptievader overleden. Vlak voor zijn dood hij was al geruime tijd ernstig ziek, heb ik zijn horecabedrijf moeten sluiten. Wegens wanbeheer hing er wederom een faillissement boven zijn hoofd. De familie was woedend, eerst mijn getoonde ondankbaarheid door mijn zoekactie en toen nog zijn bedrijf sluiten. Ik heb toen besloten om naamsverandering aan te vragen. Ik was de naam Hogervorst meer dan zat. Een nieuwe naam en een nieuwe start, dat dacht ik maar je kunt niet voor je verleden vluchten. Het blijft je achtervolgen. 2½ jaar heeft de procedure geduurd en in mei 1987 kregen wij de naam Van Aldijk. Begin 1973 ben ik begonnen naar mijn vader te zoeken, de naam Wiedenhoff had ik van mijn biologische moeder gekregen. Via het Nederlands consulaat en het rode kruis, en zo nog wat instanties kreeg ik steeds negatieve berichten. Ook het Duitse archief in Berlijn was niet coöperatief. Inmiddels was er een vereniging in oprichting ontstaan voor kinderen van Duitse militairen, daar was veel expertise om hoe te werk te gaan. Een afvaardiging is naar Bonn gegaan, en hebben enige dossiers aan de onderminister van binnenlandse zaken overhandigd. Het was natuurlijk te gek dat nooit een zoektocht werd opgelost. Stelselmatig was er tegenwerking gegeven. Deze man heeft het Duitse archief in Berlijn zoekopdracht gegeven. Ik had geluk! In April kwam het bericht dat het Alfred Wiedenhöft betrof, geboren in Neustadt/Danzig maar dat deze 1 mei 1969 was overleden in Wesel BRD. Verder kreeg ik in maart 2002 hulp van een Duitse krantenreporter die zoeken naar vermiste personen als hobby had, en in maart 2004 was de zaak rond. Ik blijk nog twee halfbroers en een halfzuster in Wesel te hebben wonen. Allemaal na de oorlog geboren. Helaas willen ze nog steeds geen ontmoeting en geen contact met mij hebben. Mede door mijn ongedurigheid en depressies is mijn huwelijk stukgelopen. Bijna 29 jaar ben ik met Thea getrouwd geweest. Gelukkig gaan wij al weer geruime tijd op vriendschappelijke wijze met elkaar om, maar voor ons is de nasleep van de oorlog nog niet afgelopen.