Hongerwinter in Gouda

1944 tot 1945, Gouda

Van de Tweede Wereldoorlog weet ik niet al te veel. Alleen het slot ervan heb ik, vooral vanwege de Hongerwinter, bewust meegemaakt. Ik was bijna zeven jaar en leefde in een gezin dat bestond uit een vader, een moeder en op dat moment drie kinderen. Er waren nog twee oudere broers, maar die waren door de bezetter afgevoerd om in Duitsland slavenarbeid te verrichten. Vanwege zijn leeftijd was mijn vader daarvan vrijgesteld.

Story Archive

Toen er in de winter van 1944 geen eten meer aanwezig was in Gouda, de plaats waar wij woonden, maakte mijn vader een plan om elders voedsel te ruilen voor alles van waarde dat wij in huis hadden.

Voor de oorlog had mijn moeder, zoals toen bijna iedereen deed, gehamsterd om genoeg te hebben om er de korte tijd die de strijd zou duren door te komen. Mijn vader leende een fabriekswagentje, pakte daar alles wat we hadden op, en ging lopend naar het Oosten van ons land. Wat hij onderweg heeft moeten ondergaan is een verhaal apart. Zij voettocht bracht hem tot aan Raalte, ongeveer 150 kilometer ver. Toen waren zijn spullen op en zijn wagentje vol.

Tijdens de terugtocht durfde hij slechts onderdak te accepteren als hij naast zijn spullen mocht slapen, te angstig om iets van de voorraad kwijt te raken. En dat alles eind november. Vuil, ondervoed en met kapotte voeten kwam hij thuis. Wat waren wij blij met de hoeveelheid eten waarmee we in staat bleken te zijn om, aangevuld met wat er nog wel plaatselijk te verkrijgen was, levend de winter door te komen. Debet daaraan was zeker de vindingrijkheid van onze moeder. Een voorbeeld? Tijdens het kerstfeest van 1944 bakte zij van een handje meel en geschaafde suikerbiet koekjes die ons smaakten als gebak.

Tegen het voorjaar zei mijn moeder dat het niet denkbaar was dat we nog zo’n jaar zouden overleven. Het enige bezit van waarde dat ons nog restte was een zware gouden ketting met een gouden kruis. Dat had zij van haar moeder gekregen toen zij achttien jaar werd. Ook oma had dit van haar moeder gekregen op dezelfde leeftijd, een antiek erfstuk dus. ‘Als het nodig blijkt te zijn’, zei moeder, ‘dan moeten we ook dit erfstuk zien te ruilen voor eten’. Mijn zus protesteerde daartegen, want zij rekende erop dat zij op haar achttiende verjaardag deze ketting als cadeau zou krijgen. Mijn moeder zij dat zij de teleurstelling kon begrijpen maar dat het in leven blijven van de familie belangrijker was dan het bezit van dit sieraad. Ze zei er nog wel bij dat zij de ketting zou krijgen als de oorlog voorbij was op haar verjaardag. Mijn zus werd op 5 mei 1945 achttien jaar.