Martje en ik keken lang naar de lichtjes die deinden op het water.`s Nachts begon het schip te varen, en de eerstvolgende haven was Hamburg. Daar was overal puin, en tussen dat puin stond een geit aan een touw te grazen. Wij voeren door de Golf van Biskaje. Als iemand zeeziek werd, dan gingen we staan kijken, en mijn zus zei: “O, ik zie het al!” en dan moesten we rennen, want iedereen werd kwaad. In Lissabon waren jongetjes die geld opdoken als je dat in het water gooide. De oversteek was geweldig: we mochten als kinderen overal komen, in de eerste klas, in de verblijven van de bemanning. Op de Evenaar werden alle grote mensen door een Neptunus met een net en een drietand in het zwembad gegooid. Wij lekker niet. In Rio de Janeiro zagen we een heel grote Jezus op de bergen en een baai met watervliegtuigen.
Ja, en vanaf dit punt is het meer iets voor een complete autobiografie. Uit Buenos Aires voeren we met een raderboot de rivier op naar Paraguay. In Asunción stond een mannetje op de kade te zwaaien: dat was mijn vader. Wij reden met een vrachtwagen zonder bodem de Chaco in. Je moest je voeten goed op de rand houden, dus. Later las ik “Chaco Boreal” van Slauerhoff. Zo was het, dacht ik. Mijn vader was daar leraar in een Mennonietenkolonie, net als Oom Jaap, mijn moeders broer. Deze Mennonieten waren uit Rusland gevlucht. De meesten al in 1930: een nederlandse predikant, S.Gorter, bnracht geld bij elkaar uit Europa en Amerika om ze los te kopen vasn Stalin. Zij voelden zich altijd al verbonden met Nederland, omdat daar de oorsprong ligt van “Menno’s volk”. Menno Simons uit Witmarsum was de doperse reformator van Nederland en Noord-Duitsland. Moeder moest vanuit haar positie als directrice weer “de vrouw van” worden. Alles was primitief, de moraal was strak. Daar hadden wij minder last van dan zij. Martje en ik gingen naar school, en ik ook nog vaak naar het ziekenhuis. De vijfde keer dat ik daar lag haalde het ziekenhuis antibiotica uit Asunción. Weer mensen die voor mijn leven vochten. Ik tekende, zoals kinderen dat doen. Ik tekende vuur, een dode hond. Ze lachten me uit. Ik tekende figuurtjes achter tralies. `Vader moet in de gevangenis, Moeder moet in de gevangenis, zusje moet in de gevangenis. Iedereen moet in de gevangenis`, schreef ik er onder. Na anderhalf jaar verhuisden wij naar de Mennonietenkolonie Volendam in Oost-Paraguay. Daar werden dorpen gebouwd in gebulldozerd oerwoud. Hier werd ik niet meer zo vaak ziek. Wij kregen een zusje, Sietske. Na twee jaar vertrokken we naar de kolonie Witmarsum in Paraná, Brazilië. Deze staat ligt ten zuiden van Saõ Paulo, bij de Iguaçu-waterval. Wij hadden daar een boerderij, en daarnaast was mijn vader weer leraar en ook “oudste” van de gemeente. Ik weet me vooral de natuur te herinneren: ik zwierf halve dagen met mijn hond door de bossen en over de pampa. De Alto Paraná is een hoogvlakte op 1100 meter. Het klimaat is “eterna primavera”, eeuwige lente. Overal stonden pijnbomen. Het schijnt dat die nu gerooid zijn voor westerse schrootjeswanden. En dat op de heuvels soja wordt verbouwd voor de transnationale bio-industrie. Wij hadden vaak Duitse en Nederlandse kinderen in huis uit Curitiba en Saõ Paulo. Mijn vader was daar een tijd consulent van de Nederlandse gemeente, en in Witmarsum was goed onderwijs. Al deze jaren vierden wij met een rotsvast geloof Sinterklaas, zonder hem ooit tegen te komen. Op de verjaardag van de Koningin gingen wij naar school met een oranje strik in het haar. In 1956 wilden mijn ouders ineens terug naar Nederland. Later begreep ik dat mijn moeder mijn vader overgehaald had zijn straf uit te zitten, vóór de verjaring. Wij verkochten onze rijstoogst en daar konden we de overtocht van betalen. We zaten nu op een Spaanse boot. De drie weken aan boord herinner ik mij als de gelukkigste tijd met het gezin. Alleen mijn vader was altijd weer bezig met andere mensen. Zo kwamen er in Algeciras Marokkaanse Joden aan boord die op weg waren naar Israel. Ze deden hem een Hebreeuws Nieuw Testament cadeau. Dat was dus vertaald uit het Grieks.
Naar Paraná bleef ik altijd terugverlangen. Ik was een eenzaam kind, ik werd wel gepest, maar dat liep nooit uit de hand omdat mijn vader een belangrijke positie had. Ik hield van onze dieren. Als ik verdrietig was kroop ik tegen een jonge koe aan, of ging ik weg met mijn hond. Als zij jongen kreeg, mocht ik er bij blijven. Haar heb ik moeten achterlaten bij mensen die bepaald niet zachtzinnig met dieren omgingen. Deze vluchtelingen waren getraumatiseerd. Maar ze waren ook hard geworden in de strijd om het bestaan. Als je last had van een dier, dan maakte je het af. Kinderen werkten zich soms krom in het bedrijf. Speelgoed had je niet, behalve lappenpoppen, maar dat heb ik nooit gemist. Je had ook geen elektriciteit en geen waterleiding. Een gaslamp en een paar olielampjes, dat was voldoende, en water haalde je uit de bron. Boeken hadden we genoeg, de Donald Duck en de Margriet kregen we uit Nederland toegestuurd. Kleren had je niet veel nodig, één paar schoenen was genoeg voor twee zusjes. Die droeg je alleen voor een bruiloft of zo.