Ik en mijn vader

Leidschendam

Reconstructie van mijn vaders leven n.a.v. documenten

Mijn vierjarige vader op Java

Mijn vader is gestorven in 1967. Ik werd in dat jaar 30, en hij zou 63 geworden zijn.

In de zomer van 1944, we wonen dan in Leidschendam, heeft mijn vader schuin aan de overkant van ons huis, een prachtige volkstuin. Ik zie de zonnebloemen nog steeds. Het is er zonnig en kleurig. Mijn vader verbouwde ook tabaksbladen. Dat vond ik heel bijzonder.

Ergens in het voorjaar van 1945, wij wonen zonder vader, ingekwartierd in een groot huis in het centrum van Verden am/Aller in Duitsland. Ik ben in het souterrain, waar mijn moeder met de was bezig is. Ik sta bij een raampje aan de voorkant, en wat zie ik daar. Er staat iemand bij het hek aan de straat, en die man doet het hek open. Dat is mijn vader. Ik heb hem maanden niet gezien. Ik ben de eerste die hem ziet! Tot onze evacuatie terug naar Nederland is hij bij ons. Tijdens het bombardement op Verden zit hij naast me in de loopgraaf, die onze huiseigenaar in de tuin heeft laten graven. Hij komt een keer thuis met een grote kolenzak, gevuld met bruine suiker, uit een of ander verlaten legerdepot. En hij houdt toezicht op de Poolse krijgsgevangenen die voor de huiseigenaar op zijn grote boerderij werken, aan de rand van Verden. Aan het einde van de terugtocht naar Nederland wordt mijn vader vastgehouden. Wij (mijn moeder, ik en mijn twee jongere zusjes) reizen door naar Velp, waar wij de moeder van mijn moeder overvallen (neem ik aan) met onze komst.

Na enige tijd vertrekken we naar de vader van mijn moeder, die in Leiden bij een hospita woont. In een zijstraat van het Rapenburg (richting Witte Singel) wijst mijn moeder op een gevangenis die daar toen was. Kijk, achter dat raampje is Pappa.

Soms bezoeken we onze vader, in een van de vele gevangenissen en kampen waar hij gedurende drie jaren is geweest.

Eenmaal, we wonen dan al lang niet meer bij Opa, komt hij - met een bewaker- even thuis omdat mijn jongste zusje erg ziek is. Ze ligt in de woonkamer van ons bovenhuis.

In september 1948 kan mijn moeder onze vader ophalen uit de gevangenis in Scheveningen. Ik wil mee, maar dat mag niet.

En dan is mijn vader dus weer terug. Ik was 11 jaar. Ik zat in de 6e klas van de lagere school. Ik kreeg bijles om het toelatingsexamen voor het gymnasium te doen.

Wat kan ik zeggen over de verhouding met mijn vader in de volgende 19 jaren. Ik was bang voor hem; ik vond hem een mislukkeling; hij was kort-aangebonden. En ik verlangde naar hem, ik wilde me weer veilig bij hem voelen, de beschutting ervaren uit de tijd voordat hij de gevangenis in ging.

Ooit ging ik hem opzoeken, in de Universiteitsbibliotheek waar hij in het kader van een werklozenproject werkte. En in mijn eerste studiejaar ging ik een keer met hem mee in zijn Deux Cheveaux, naar Oud-Beyerland. Daar werkte hij als leraar. Tijdens zijn lessen lig ik met een filosofieboek op een dijk in de zon.

In de laatste jaren van zijn leven was ik nog steeds bezig met mijn wens hem terug te krijgen. Ga toch op kamers wonen, Pappa, weg bij Mamma. Hij ging wel weg bij mijn moeder, mede door mijn bemoeienissen, naar een verpleegtehuis in Noordwijkerhout. Om te herstellen van een ziekte. Maar hij ging daar dood. En stervend was de enige die hij zag, mijn moeder. Terwijl ik toch ook in de kamer was.

En dan is mijn vader dus dood, en al daarvoor, in 1966, ben in in psycho-analyse gegaan. Omdat ik me onder de mensen niet veilig voel. Ik weet heel goed, al vanaf zijn gevangenschap, dat mijn vader een N.S.B.er is. Dat heb ik waarschijnlijk erg angstwekkend gevonden.Maar verder begreep ik er niets van. Hoe leg ik de verwarring uit, waarin ik ben opgegroeid, de onzekerheid waarmee ik als volwassene leefde. Daar wil ik later over schrijven.

Ik wil nu vooral iets zeggen over dat deel van mijn zoektocht, dat mij bij het materiaal bracht, waaruit ik het portret van mijn vader heb samengesteld.

Mijn moeder ging dood in 1974. Mijn psycho-analyse was in 1973 op niets uitgelopen. In mijn wanhoop zocht en vond ik een echtgenoot. Ik woonde nu in Gasselternijveen, in Drenthe. Het land van de vele N.S.B.ers. Met wie ik in gesprek wilde komen.

De nalatenschap van mijn moeder stelde mij teleur. Bijna alles wat over mijn vader ging (bijvoorbeeld zijn brieven uit Indonesië uit de jaren 1954 - 1957) was weggedaan door haar, toen ze het huis verliet dat ze met mijn vader had bewoond. Een N.S.B. lidmaatschapspeldje kwam nog tevoorschijn, en de UITSPRAAK van het tribunaal over de beschuldigde. Het is door mijn vader op heel dun papier overgetikt. Ik heb dat stuk goed bewaard. Ik zal het in de jaren erna ook wel eens gelezen hebben. Maar wat ik las, hoe ik dat woog....dat is op zich een geschiedenis waar ik in dit stuk niets over zal zeggen. Die geschiedenis hoort thuis in een ander verhaal, dat ik later zal schrijven.

In de 80-jaren bezoek ik twee maal het Ministerie van Justitie, om het strafdossier van mijn vader in te zien. Uit dat dossier kopieer ik een aantal stukken, waaronder het Proces-verbaal dat over mijn vader's bezigheden tijdens de Bezetting is opgesteld.

Begin 90-jaren bezoek ik de veel jongere zuster van mijn vader. Die is in 1954 geëmigreerd naar Australië. Ik logeer in haar studeerkamer. Daar staat een boekenkast met glazen deuren. Ik kijk in de kast, uit nieuwsgierigheid naar haar leven. Ik vind stapels brieven, o.a. van mijn grootouders vanaf begin 1900. Rommelend in de stapels, vind ik brieven van mijn vader. Die mag ik hebben. En deze brieven heb ik ook gebruikt voor het portret van mijn vader.

De totstandkoming van dit portret van mijn vader

Ik vraag mij af wat voor een N.S.B.er mijn vader was. Tijdens zijn leven heb ik hem dat niet gevraagd. In de 70-jaren ben ik wel begonnen boeken te lezen over het nationaal-socialisme. Ik volgde ook radio- en t.v.-programma's. Onderwijl belandde stukje bij beetje ook concrete informatie van en over mijn vader op mijn tafel. Onlangs pas maakte ik de keuze deze informatie te gebruiken om mijn vraag te beantwoorden.

Het materiaal dat ik gebruikte: - 9 brieven, geschreven in de jaren 1934, 1935 en 1936. Geschreven aan zijn ouders, die hij sinds 1924 niet meer heeft gezien. Zij wonen op Java. Of geschreven aan zijn zuster Renée, onderweg van Java naar Nederland. Ik weet haast zeker dat door de slechte economische tijden zijn ouders in die jaren niet naar Nederland kwamen, en hij niet naar Indië kon. - het proces-verbaal dat door een rechercheur is opgesteld, betreffende bezigheden van mijn vader tijdens de Bezetting, - de Uitspraak van het Tribunaal.

Ik licht uit de brieven alle uitspraken die betrekking hebben op zijn keuze voor de N.S.B. Verder wat uitspraken die zijn overtuigingen en karakter kenmerken, en inzicht geven in zijn leefomstandigheden. Mijn vader woont sinds 1924 voor zijn studie in Nederland. Hij schrijft aan zijn ouders (beste luitjes) of aan zijn zuster Renée,geboren in 1916. Jaak is zijn jongere broer, geboren in 1917. Namen die verder voorkomen betreffen zijn moeder Miesje, zusters en een broer van zijn ouders, en vriendinnen.

Zinsbouw, spelling en schrijffouten heb ik letterlijk overgenomen.

Uit het proces-verbaal heb ik alleen de feiten overgenomen, zoals vastgesteld door de rechercheur.De gegevens van de rechercheur zijn afkomstig uit archieven van relevante organisaties tijdens de bezetting, en uit het verhoor van mijn vader.

Uit de veroordeling door het tribunaal heb ik de informatieve hoofdlijnen genomen.

Ik laat weg, via proces-verbaal of anderszins beschikbare, gegevens als: gunstige beoordelingen door buren, commentaar van andere N.S.B.ers die met hem te maken hadden in de bezettingstijd, een brandbrief van zijn advokaat uit 1947. Het ging mij alleen om de droge feiten. Ik geef geen uitleg van allerlei nationaal-socialistische termen uit proces-verbaal en veroordeling. Er zijn boeken genoeg waarin de belangstellende dat kan vinden. Ik probeer ook niet het beeld van de N.S.B.er die mijn vader was, vollediger te maken. Dit is wat ik zeker weet, over hem, wat zijn N.S.B.er-schap betreft. En deze informatie is mij voldoende.

Citaten uit brieven van mijn vader

Uit eerste brief, dd. 13 mei 1934

Beste luitjes....Als ik nu een baan kreeg. Dan zou ik ook Jaak misschien wel gauw aan een baan kunnen helpen, bv. in de gemeente-administratie, onder het werk door zou hij zijn examens kunnen doen zooals dit gebruikelijk is in dit vak. Steeds meer wordt dit werk ook echt "bestuurlijk" en zal weldra onder fascistisch bewind een van de mooiste en nuttigste werkzaamheden voor de volksgemeenschap worden, terwijl nu het doode, secure bureaucratisme de hoofdtoon voert.... Marnix Gijsen, een Vlaming is zoo echt de goede mensch van dezen tijd, zijn goedmoedig, beminnelijk, welwillend afbreken van de oudere generatie door dat hij hen zoo goed begrijpt is schitterend. Zijn smeken om een vaderland in de loflithanie...Ik ga het boek ook aan Tante Renée op haar 50-ste verjaardag, er werd natuurlijk erg om gelachen, maar daar kunnen wij tegen. Vol verwondering vroeg Tante Anna of ik wel eens meer gedichten las, zij had nooit gehoord, dat dit nog wel gedaan werd. Maar wij zullen ze er in brengen onze groote jonge dichters ook bv. Erich Wichman. Bonbons en bloemen, maar vooral bonbons zijn wel teekenende geschenken voor den tijd der ouderen, voldoening in materiele behoeften.

Je moet een bepaalde hoeveelheid brutaliteit en zelfvertrowen hebben om met een paar dubbeltjes op zak kennissen op te zoeken en rond te fietsen, want bij de eerste de beste moeilijkheid loop je vast, wil je kennis op de tram stappen met je dan moet je juist een dringende boodschap doen om er van af te komen, raakt je fietsband lek, dan moet je juist een fietsenmaker vinden die de band wil repareeren tegen de belofte , dat je de volgende week komt betalen enz. Ik hoop dat er nu gauw bericht komt uit Den Haag, het een of het ander. Dan kan ik weer nieuwe plannen maken. De laatste weken doe ik feitelijk niets in afwachting van de beslissing van het Departement.

Uit toevoegsel van 3 juni

Nog steeds geen bericht uit Den Haag.

Steeds meer herries in Europa. Geneve op de flesch. In Nederland steunverlaging. Wij gaan gauw naar de bliksem of het fascisme komt er zit niets anders op.

Door de radio in de kamer van de hospita gaat weer een rood tendenz-stuk, waarin de rechterlijke macht bespot wordt en zo laat men de vergiftiging voort sluipen aan alle kanten. En als ik N.S.B-er zou worden om het te bestrijden zou ik mijn broodje kwijt zijn. Maar de intense domheid van de overheid kennende door het gemeentewerk verwonder ik mij in het geheel niet. Politiek en nog eens politiek en de heeren bemerken niet dat wij niets meer van politiek moeten hebben.

uit samengestelde brief van 18, 27 januari, en 3 februari 1935.

Vooropmerking: Mijn vader werkt op dit moment op het gemeentehuis van Hoofddorp. Een zoon van de burgemeester is een vriend van hem. En met de dochter Hermien zijn trouwplannen. Het is een opgewonden brief: mogen ze trouwen, vertrekken ze samen naar Indië, of daagt er hier in Nederland werk (levenspositie!) op. Het gaat in de brief alle kanten op.

Beste luitjes. Juist ontving ik jullie vliegmail van 7 januari en zet mij gauw ter beantwoording....Je opmerking, Miesje, dat de kinderen het Kerstfeest zoo mooi gevierd hebben en de andere menschen zoo slecht, vind ik verschrikkelijk. Ik ben niet Christelijk opgevoed, maar heb wel zooveel benul van Godsdienst verkregen, dat het Christendom zoals het hedentendage door Europeanen in de praktijk wordt overdacht, besproken en uitgevoerd zeer laag bij de grond staat. Dat jullie ook al aan die kwaal lijden vind ik een gruwel. Wij leven nu eenmaal laag bij de grond, maar wij brengen daar geen verbetering in door te zeggen, ik sta zoo hoog.

Ik heb zelf erg geleden onder het feit, dat ik de wereld zoo ruw zag en mij zelf zo fijngevoelig vond. Het heeft mij een half leven gekost om de wereld reëel te leeren zien en nog komt dikwijls het critische boven, dat mij nu zoo getroffen heeft in je brief en steeds zullen er dingen blijven, die ik, na de periode van verhoovaardiging, nooit zal aanleren.

Ik ben blij dat ik Krik heb leeren kennen als voorbeeld van een verworden mensch. De Ubermensch, bah, die niets maar dan ook niets doet of heeft gedaan voor de maatschappij.

Met mijn filmplan gaat het goed, maar of het veel geld zal opleveren, dat kan niemand zeggen, dat hangt van het resultaat van de toepassing af.

Het terugzien van mij in Indie moeten wij als factor bij het nemen van een beslissing uitschakelen. Wat hebben wij aan een weerzien, waarbij ik ONGETROUWD, zonder baan, ZONDER BASIS, maar slechts met het Swart-optimisme in de ransel aan een baantje begin in Indie. De realiteit is deze , dat wij van beide kanten bedacht moeten zijn op het zoeken naar alle mogelijke middelen om een basis te scheppen, vooral een financieele, die bestaat uit een goede baan voor mij in hoofdzaak, waarop wij elkaar hier of in Indie kunnen zien in gelukkige omstandigheden. Wij behoeven daarvoor niet schatrijk te zijn, maar wij moeten daarvoor een LEVENSDOEL hebben.

Maandag 21 januari een heerlijke avond na een lange voorgeschiedenis. Wij waren heel dicht bij God en begrepen elkaar zoo goed, dat wij alles aandurfden. Wij gaan dikwijls samen naar de Kerk, dat is onze grootste steun, maar wij praten en delibereren daar niet over.

Vrijdagavond 25 januari '35 was ik ontboden bij den burgemeester op het raadhuis. daar kwam de groote debacle. Hij slingerde mij voor de voeten, dat hij mij uit medelijden aan een baan had geholpen, dat ik bij de familie mocht komen uit medelijden, maar dat ik nu geen misbruik daarvan moest maken. Ik was natuurlijk woest, en zei hem dat als ik dat geweten had, ik nooit de tegemoetkomende houding geaccepteerd had en dat ik er van overtuigd was, dat de familie niet zoo over mij dacht enz.enz.

Derde en vierde en vijfde brief

Uit de derde en vierde brief (4 en 27 juli l935) aan zijn 2 jaar jongere zuster Renée. Renée, die hij sinds 1924 toen hij voor studie naar Nederland vertrok, niet meer heeft gezien, is uit Java op weg naar Nederland. Ze krijgt een gemeubileerde kamer in het zelfde huis in Den Haag waar mijn vader ook woont. Hij treft vele voorbereidingen.

Jij moet hier elken dag, en alle menschen, uitbuiten om het volle en mooie maar harde leven te leeren kennen, dan zal je mooie en intensieve tijd meemaken.

Ik verheug me zoo op je komst. Telkens denk ik al aan wat wij allemaal zullen gaan doen. Bezoeken brengen bij allerlei gezellige kennissen. Wandelingen maken. Ik zal je van alles laten zien hier in Holland. We gaan ook groote fietstochten maken, dan leer je ons mooie vaderland eens goed kennen.

De volgende vijfde brief is aan zijn ouders in Indië, gedateerd 7 augustus 1935. Mijn vader geeft in zijn brieven wel blijk van een uitgebreid netwerk van familie, vrienden en kennissen, die ook vertrouwd zijn voor zijn ouders in Indië. Wat voor werk hij heeft, en hoe hij aan f. 208.-- per maand komt, is me niet bekend.

Dan ben ik blokleider geworden over 21 leden van de N.S.B.

Vanavond heb ik het plan opgevat, Renée de kamer beneden te laten bewonen, waar ik tot nu toe gezeten heb, en zelf boven te gaan zitten. Ik wil namelijk een boekenkast hebben en dan mijn boeken uit Wageningen laten overkomen die nu nog altijd bij Tante Geertje logeeren op zolder. Nu is op de kamer beneden geen plaats voor een boekenkast en boven wel. Wanner ik het dus boven voor mij inricht als slaap-werkkamer, dan kan Renée hier beneden, alles inrichten naar haar zin, om te slapen, om te werken, om te eten en thee te drinken, lijkt jullie dat niet gezellig voor haar. Dan krijgt zij de heele verantwoording voor de gezelligheid en dergelijke. op zich nemen.

Mijn zegelring ligt nu al maanden bij de goudsmid, de familie hier kan mij niet aan een wapen helpen. Ook een teeken des tijds, waar blijft de traditie? Kunnen jullie mij een afdruk van het wapen in lak, of een teekening zenden.

Hermientje Slob is plotseling getrouwd met een weduwnaar met één kind. Het liefje heeft zeker de smaak beet gekregen door mij en de oudelui dorsten vlak na die geschiedenis geen bezwaar te maken. Ik hoop, dat zij erg gelukkig zal zijn. Ik vind ongetrouwde menschen en getrouwde menschen zonder kinderen de ellendigsten die er zijn.

Jaak, zal je werken en N.S.B.er worden!!

Uit de 6e en 7e brief

Uit de 6e brief, 19 januari 1936. Mijn vader is zwaar teleurgesteld in het gezelschap van zijn jongere zuster. Al zijn hooggestemde verwachtingen komen niet uit.

Beste luitjes. Mijn leven was in Hoofddorp eindelijk tot een meer daadkrachtige periode gekomen. Hier in Den Haag vind ik het nog altijd gruwelijk, alleen mijn werk op kantoor gaat prachtig, daarnaast heb ik niet veel. Echte vrienden heb ik hier niet. In de N.S.B. je leven uitvoeren is verboden. Het leven zooals ik het voorgesteld had met Ren is mislukt, het leven met de N.S.B. is niet gelukt, een leven met Greet zooals ik het aanvankelijk had voorgesteld is mislukt. Maar daarom niet getreurd. Ik heb alweer een heel program met mogelijkheden en wij zullen de mogelijkheden stuk voor stuk netjes afwerken.

..Ik weet voor mijzelf dat ik zuiver leef, dat ik goed doe wat ik doen moet en dat doe ik blijmoedig met een groot optimisme, vertrouwen in het leven en in de toekomst. Het is alleen jammer, dat er zoo weinig menschen zijn waarmee je dergelijke dingen bespreken kunt. Met de meesten moet je maar kletspraatjes houden.

En dan [in zijn zuster] die weerspiegeling van jezelf te zien zooals je vroeger was en zooals je nu zelf tot je eigen groote ergernis nog soms bent. Vooral dat gauw tevreden zijn over jezelf, dat zij zoo sterk heeft. Als je dat vergelijkt met actieve menschen, die elk minuutje benutten, honderde dingen per dag afdoen en niet droomen.

Uit de 7e brief, 11 februari 1936. Mijn vader heeft mijn moeder ontmoet!

Ik vind leeren best voor meisjes, maar zoodra blijkt, dat zij door het leeren geen tijd hebben om de echt vrouwelijke eigenschappen en bekwaamheden te ontwikkelen, dan moeten ze niet leeren of minder leeren. De vrouwelijke ontwikkeling gaat vóór en in zooverre dat mogelijk is kunnen ze daarnaast leeren. Komt een meisje niet tot het resultaat van haar vrouwelijke ontwikkeling (dat is het huwelijk), dan is er nog altijd gelegenheid genoeg voor haar om een vak te leeren, waarmee zij haar brood kan verdienen.

De afwijkingen van deze regel hebben alle misstanden op het terrein van het huwelijk en het leven van de werkende vrouw veroorzaakt. De vrouw is geschapen voor het huwelijk en moet daartoe worden opgevoed. Deze waarheid als een koe, schijnt in deze moderne, cultureele, hoogstaande en verlichte tijd nog verdedigd te moeten worden. Waar je zegt in je brief `Ren heeft natuurlijk behoefte om verzorgd te worden` daar sla je de spijker op de kop. Die behoefte hebben de Swartjes. En als zij de kans krijgen, dan laten ze zich hun heele leven verzorgden.

Dat moet er uit bij Ren en bij mij. Ren kwam naar Holland met het idee, dat daar eens fijn voor haar gezorgd zou worden en ik ontving haar met het idee dat zij mij eens zou verzorgen. Dat is het conflict.

Miesje, er moeten nog ...opmerkingen van 't hart.....ten tweede vind ik de verhouding van Moeder tot kind een van de schoonste dingen, die er op aarde bestaan. Hoe iemand het in zijn hoofd kan halen om die verhouding te verlagen en te verknoeien tot een verhouding van vriendin tot vriend is mij onbegrijpelijk.En zoo zijn er zooveel van die zoogenaamde moderne ideeën waar ik niet bij kan. Ik ben ouderwetsch, ik wil ouderwetsch zijn. Daar ben ik trots op. Al dat losse, vage, zoogenaamd hoogstaande moderne gedenk, waar de meeste menschen zoo prat op gaan, kan ik niet uit staan. Ik wil mij aan traditie houden en waar ik geen tradities kan vinden in mijn familie, in mijn milieu en de maatschappij daar zal ik die tradities weer opbouwen. Ik heb een diep vertrouwen in God en in de menschheid en ik zal in de praktijk van het leven op dit vertrouwen bouwen, dat is het werk van een N.S.B.er. Hou Zee.....

Brief 8 en 9

Tenslotte brief 8 en 9 uit 1936. Dit zijn de laatste brieven van mijn mijn vader die ik heb, van voor de oorlog. Beide brieven ( van l8 april en 25 mei) gaan vooral over de spoedige komst van vader, moeder en broer Jaak terug in Holland. En er wordt weer geschreven over (de omgang met ) zus Renée, en wat getwist tussen moeder en zoon. Op 1 augustus zullen mijn vader en moeder trouwen, nog voor de komst van zijn ouders.

Maar wacht nu maar tot je hier ben en kijk onze samenleving eens aan. Onze harde wil om daadwerkelijk te dienen en niet te zwammen. Ons vloeiend en actief leven, leven zeg ik niet droomen, waarin wij ons geluk en onze volkomen bevrediging vinden.

Ik moet nog even opmerken, dat uit je brief weinig blijkt van liefde geven. En daar wil ik in het algemeen de opmerking aan verbinden dat dit volkomen klopt met de ervaring van vele jongeren, die zien dat van zooveel gepraat en geschrijf van een oudere generatie als het op daden aankomt geen stuk heel blijft.Wij jongeren komen weer met onze liefde tot de oude kerken, die metterdaad niets aan ons hebben gegeven. Wij jongeren komen weer met onze liefde tot ons vaderland terwijl een oudere generatie geen goed woord voor het begrip `vaderland` heeft over gehad. Wij jongeren komen steeds weer met onze ouderliefde aanzetten, terwijl die ouders als de grootste spanning in hun kind heersch het in de steek laten (Greet en haar ouders, Willeke en haar ouders en zooveel anderen). Het is geen heksentoer om liefde te geven als alles koek en ei is, maar het is een kruisweg en een kruisiging om liefe te geven in crisisnood, onder tegenstand. Heusch, Miesje, wij jongeren hebben zoo ontzettend het land aan al dat boeken- en krantengeschrijf, aan al die redevoeringen en lezingen, dat is meer dan verschrikkelijk. Hoe meer de oudjes in de knoop raken, hoe meer zij gaan schrijven en spreken. Op wetenschappelijk gebied gaat dat net zoo. Wij willen weer door kunnen werken zonder al dat gezwam in de ruimte.

Procesverhaal en uitspraak

Politieke recherche afdeeling, district Leiden PROCES-VERBAAL No.: 238/47, d.d. 2 April 1947.

Hierna hoorde ik den verdachte: Jan Rudolf Swart, geboren te Salatiga (N.O.I.), 30 december 1904, van beroep landbouwkundig-ingenieur, .......thans gedetineerd in het Kamp van Bewaring "Craailoo", te Laren, die desgevraagd verklaarde: "Ik ben Nederlander door en sedert geboorte. ....Ik stam uit een gezin van 5 personen, waarvan ik het oudste kind ben. Op zesjarigen leeftijd, in 1910 dus, kwam ik naar Nederland en bezocht de Lagere School. Na afloop van de wereldoorlog in 1918 keerde ik naar Indie terug en bezocht daar de H.B.S. te Batavia en Soerabaja en behaalde in 1924 het diploma. In hetzelfde jaar ging ik weer naar Nederland terug en bezocht de Landbouwhoogeschool te Wageningen. Ik studeerde Koloniale landbouw, economische richting en behaalde in 1931 de Ir-graad.Door de heerschende slechte toestand in Indie was ik genoodzaakt in Nederland te blijven. Ik schoolde mij om in Nederlandsche landbouw en was gedurende de jaren 1931-1935 werkzaam in de Haarlemmermeerpolder. Gedurende dien tijd heb ik mij gespecialiseerd in de studie statistiek der huishoudrekening en gezinsuitgaven. In 1935 werd ik aangesteld bij het Centraal Bureau voor de Statistiek te Den Haag, speciaal voor een groot onderzoek inzake de gezinsuitgaven in geheel Nederland. Aan dit onderzoek heb ik drie jaren gewerkt. Daarna werd ik bij genoemd bureau aangesteld als hoofd van de afdeeling Prijzenstatistiek. In 1935 was ik toegetreden als lid van de N.S.B. Dit vond zijn reden in de oplossing , die de N.S.B. gaf voor het werkloosheidsvraagstuk, waarmede ik in de voorgaande jaren zoo nauw in contact was gekomen. In Januari 1936 was ik genoodzaakt weer als lid van de N.S.B. te bedanken, in verband met het feit dat ik rijksambtenaar was en niet langer lid van de N.S.B. mocht blijven. In 1939 kwam ik op het Rijksbureau in contact met de N.S.B.er van Brucken Fock. Het plan bestond bij genoemd persoon en nog een anderen N.S.B.er Koster geheeten om te bestudeeren, hoe een economische ordening in Nederland zou moeten worden ingericht, na een eventueel nationaal-socialistische omwenteling. Hoewel ik toen dus geen lid van de N.S.B. was, verklaarde ik mij wel bereid in dien zin mee te werken en verder bij de studie behulpzaam te zijn. Als voorbeeld zou gelden de reorganisatie van het bedrijfsleven in Italie en Duitschland, dus in fascistische, nationaal-socialistische zin. Uit deze voorbereidingen is na Mei 1940 de raad voor Volkshuishouding voortgekomen. Na de Meidagen van 1940, trad ik opnieuw toe tot de N.S.B., omdat ik meende, dat niettegenstaande de Duitsche inval in ons land, Nederland zelfstandig zou blijven en op economische gebied een reorganistie zou kunnen ondergaan, welke in het belang zou zijn van het Nederlandsche volk..............Als lid van de N.S.B. droeg ik bij voorkomende gelegenheden de zwarte uniform van de Politieke Organisatie met blauwe uitmonstering.In het openbaar bracht ik de Houzeegroet met overgeheven hand.......Tot aan mijn vertrek uit Voorburg in September 1941, vervulde ik de functies van blokleider, blokbezorger en huisbezoeker. Als blokleider zorgde ik ervoor, dat alle partijbelangen vlot verliepen en vervulde opdrachten, die mij door den Groepsleider verstrekt werden....... In September of October 1940 werd ik benoemd tot lid van de eerder genoemden raad voor Volkshuishouding der N.S.B. Ik heb als zoodanig slechts een vergadering bijgewoond en verder geen enkele activiteit betracht. Voorts vroeg en verkreeg ik in September 1940 , zes maanden verlof van het C.B. in verband met het feit, dat Mr.Lelieveld, Hoofd van de Juridische Afdeeling van het N.V.V. mij verzocht had, de leiding van de sociaal economische afdeeling aan het N.V.V. op mij te nemen. Hieraan heb ik voldaan, doch kort na mijn aanstelling werd de heer Vermeulen hoofd van deze afdeeling en bepaalde ik mij alleen tot de regeling van de collectieve arbeidsovereenkomsten. Ik genoot bij het N.V.V. een salaris van f. 3000.- per jaar en later f 3600. Ik heb bij het N.V.V. gewerkt tot september 1941 en nam toen ontslag, omdat ik ongenoegen had gehad met den Duitschen referent Dr.Kaute over het feit, dat ik niet in de richting wilde werken van een Nederlandsch Arbeids Front, doch voort wilde werken aan de goede samenwerking tusschen de oud vakbondsbestuurders. Daarna trad ik in dienst van den Nederlandschen Omroep. Dit gebeurde op verzoek van den toen pas benoemden directeur Herweyer, die ik reeds eerder ontmoet had. Hij verzocht mij, de leiding te willen nemen van de afdeeling Volkshuishouding van den Programmadienst. Later is hierbij getrokken de afdeeling Staatspolitiek. Deze functie trok mij wel aan, omdat ik dan weer gelegenheid zou hebben tot studeeren, aangezien mijn werkzaamheden bij de Omroep niet erg druk waren. Deze werkzaamheden bestonden uit het voeren van besprekingen met de Persafdeelingen der departementen, het Medisch Front enz. over uitzendingen, die door hen verzorgd zouden worden. Voorts heb ik enkele malen voor de radio teksten uitgesproken, wanneer een bepaalde spreker verhinderd was. Ik genoot bij den Omroep een salaris van f 5000 en later f 5500.- per jaar. In December 1942 ben ik wegens ongeschiktheid ontslagen. Op 29 juni 1942 ben ik door den Secretaris-Generaal der N.S.B. Huygen benoemd tot Adjunct Hoofd van den Dienst Radio van het Hoofdkwartier der N.S.B. Deze functie heb ik gekregen, doordat ik in dien tijd verbonden was aan den Omroep. Ik heb in deze functie geen werkzaamheden vervuld, aangezien de invloed van de N.S.B. op de radio via Herweyer liep. Herweyer was directeur van den Omroep en tevens Hoofd van genoemden dienst der N.S.B. Op 31 December 1942 ben ik gelijktijdig met mijn ontslag bij de radio van deze functie ontheven. In Juni 1943 trad ik door bemiddeling van een kennis van mij in dienst van de Nederlandsche Oost Compagnie in Den Haag. Ik bekleedde daar de functie van Landbouwreferent en genoot een salaris van f 6000.- per jaar. Mijn werkzaamheden bestonden uit het bijhouden van het kaartsysteem der uitgezonden boeren. Verder bestudeerde ik aan de hand van door boeren ingezonden rapporten den algemeenen toestand aldaar, teneinde eventueel adviezen te kunnen geven. Deze zijn mij echter nimmer gevraagd, zoodat mijn werk daar als nutteloos kan worden beschouwd. In December 1943 heb ik ontslag genomen, omdat men mij bij de N.O.C. als een spion van Roskam beschouwde. In Januari 1944 trad ik in dienst als de secretaris van den Boerenleider Bierma. Ook deze betrekking verkeeg ik door een kennis van mij. Ik gaf als zoodanig in geen enkele mate leiding, doch diende mij te bepalen tot de administratieve assistentie van den Boerenleider. Ik genoot een salaris van f 6000.- per jaar. In Juni 1944 heb ik aldaar weer ontslag genomen na ongenoegen over de verdeeling der werkzaamheden. ........... Omstreeks September 1943 ben ik toegetreden tot de Germaansche S.S. in Nederland. Ik had de rang van S.S.maat. Mijn toetreding was gegrond op het feit, dat ik toen meende dat de S.S. consequent het belang van de landbouw behartigd, als grondslag voor de materieele en geestelijke gezondmaking van een volk.

Ik droeg als lid de zwarte uniform der S.S.. afgezet met zilveren bies. Ik bezocht af en toe de oefeningen in Den Haag, welke hoofdzakelijk bestonden uit exercities, doch ik probeerde er altijd zooveel mogelijk van af te komen. Gedurende mijn lidmaatschap heb ik verplicht een cursus meegemaakt op de S.S.school te Avegoor. Ik meen, dat dit in October 1943 was. Ik bleef er zes weken en deed gedurende dien tijd aan sport, exercities, schieten met klein kaliber wapenen en velddiensten. Aan het eind van de cursus moesten alle deelnemers een opstel maken over een gegeven onderwerp . Ik heb toen een opstel gemaakt over het onderwerp `Die Kampfmittel unserer Gegner". ......... Omdat ik mij slecht kon schikken in de discipline der S.S. ben ik na een hevige ruzie met den Burgemeester van Leidschendam, die ook lid van de S.S. was, geroyeerd. Als S.S. er heb ik nimmer een Waffenschein ontvangen. Later bij de Landwacht, heb ik er een aangevraagd, omdat ik er een hekel aan had, met een jachtgeweer te loopen. In Mei 1943, ben ik verplicht toegetreden tot de Hulplandwacht te Leidschendam. eenigen tijd later werd ik zonder daar vooraf in gekend te worden, benoemd tot Groepscommandatnt der Hulplandwacht in die zelfde plaats. Als zoodanig heb ik nimmer opdracht gegeven tot eenige actie. Op mijn bevel hebben alleen eenige exercities plaats gevonden. Eens, toen ik op een avond van kantoor thuis kwam, bleek mij, dat de Landwachters met den ondercommandant van der Kley zonder mijn toestemming een actie hadden ingezet. Ik was hierover zeer ontstemd en besloot onmiddellijk ontslag te nemen, hetgeen mij geruimen tijd later verleend werd. Dit was meen ik in Mei 1944. Na Dolle Dinsdag in September 1944, werd ik opgeroepen voor de Landwacht en moest me melden in de Oude Frederikskazerne te Den Haag. Ik werd toen voor het eerst gekleed in de groene uniform van de landwacht. Ik heb tot December 1944 dienst gedaan in Den Haag en was ingedeeld bij de bewaking van het Gemeentelijk Electrisch Bedrijf aldaar. Ik was echter vaak vrij van dienst, omdat ik last had van steenpuisten. Begin December 1944, werd ik overgeplaatst naar de Stafsectie der Spoorwacht te Deventer. De sectie stond onder leiding van de Opperstormleider van der Heyden. Ik was ingedeeld als koerier en reisde steeds heen en weer tusschen Deventer en Holten. Later werd ik belast met de administratie van de garage. Ik heb nimmer deelgenomen aan arrestaties of razzia's. Bij de nadering van de Geallieerden tegen Paschen 1945 kreeg de Landwacht opdracht de loopgraven te betrekken. Ik had daar als garage-administrateur wel niet mee te maken, maar ik wilde absoluut geen soldaar worden en besloot om weg te gaan, aangezien de mogelijkheid niet uitgesloten zou zijn, dat ik toch aan de strijd deel zou moeten nemen. Ik ben toen per fiets via Zwolle en Meppel naar Duitschland gegaan om mijn vrouw en kinderen op te zoeken, die daar verbleven. Ik ben in Duitschland gebleven, tot 18 juli 1945. Op dien datum passeerde ik de Nederlandsche grens te Enschede en werd aldaar in arrest genomen, in verband met mijn lidmaatschap van de N.S.B. Naar mijn meening was Nederland na 15 Mei 1940 niet meer met Duitschland in oorlog, omdat onze Nederlandsche regeering buiten haar grondgebied verbleef en dus geen wettige regeering meer was. Ik heb in de jaren 1940 -1945 altijd gepoogd in het belang van het Nederlandsche volk te handelen, doch erken thans, zij het dan ook onbewust, niet de belangen van het Nederlandsche Volk te hebben gediend. ............Ik erken in Augustus 1944 gesolliciteerd te hebben naar de functie van burgemeester der Gemeente Wageningen........In het begin van de bezetting had ik reeds een schriftelijke burgemeesterscursus gevolgd. Bij de daarop gevolgde selectie werd ik echter te licht bevonden......."

....door verdachte in concept geteekend...

Tenslotte voeg ik, verbalisant, bij dit proces-verbaal nog de navolgende stukken van overtuiging, allen ten name van verdachte en gewaarmerkt met rood van 1 tot en met 43.

UITSPRAAK, overgetikt van niet in mijn bezit zijnde origineel door mijn vader.

Het tribunaal voor het arrondissement 's-gravenhage, IIIe Kamer te 's-Gravenhage, heeft navolgende uitspraak gegeven in de zaak tegen de beschuldigde: Jan Rudolf Swart........, thans in verzekerde bewaring te Delft (korte Geer)........ .................. Overwegende dat de beschuldigde ......tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa, immers in het tijdvak van 14 mei 1940 tot 5 Mei 1945 ........ 1. hulp en steun heeft verleend, althans trachten te verlenen aan de vijand of diens handlangers of medewerkers door a.werkzaam in de functie van afdelings-leider bij de Nederlandse Radio Omroep radioteksten uit te spreken, welke werden uitgezonden over een der in het bezette Nederland in bedrijf zijnde zendstations b.in de jaren 1943 t/m 1945 op verschillende plaatsen bewakingsdiensten, koeriers- en andere diensten te verrichten bij de Landwacht Nederland 2. zich als lid heeft aangesloten of aangesloten is gebleven bij de Nationaal Socialistische Beweging der Nederlanden voor welke beweging hij werkzaam is geweest o.m. in de functies van blokleider, groepsadministrateur, lid van de Raad voor de Volkshuishouding en adjunct-Hoofd van de dienst radio ten hoofdkwartiere, terwijl hij de propaganda dier Beweging heeft bevorderd door in het openbaar de uniform van haar politieke organisatie te dragen; 3.zich als lid heeft aangesloten bij de navolgende aan de N.S.B. der Nederlanden verwante, of althans nationaal socialistische organisaties, de W.A. van de N.S.B. der Nederlanden, het Sociaal-economisch genootschap Nederland en Europa, de N.V.D. en de Germaanse S.S. in Nederland, van welke organisaties hij bovendien de propaganda heeft bevorderd door in het openbaar haar uniform te dragen; 4. werkzaam is geweest voor de navolgende aan de N.S.B. der Nederlanden verwante, althans nationaal socialistische instellingen: de Nederlandse Landstand als secretaris van de Boerenleider en als dorpsboerenleider, alsmede de N.O.C. als landbouwreferent; 5.voordeel heeft getrokken, althans heeft trachten te trekken, uit door de vijand genomen maatregelen, door, toen ingevolgde Duitse verordening radiotoestellen algemeen moesten worden ingeleverd, vrijstelling van die inleveringsplicht te verzoeken en te verkrijgen op grond van zijn lidmaatschap van de Germaanse S.S. in Nederland; 6.voordeel heeft trachten te trekken uit de door de bezetting feitelijk geschapen toestand door zich in 1944 te wenden tot de gemachtigde van de Leider van de N.S.B. der Nederlanden in de provincie Zuid-Holland en andere vooraanstaande figuren in die beweging met een verzoek om in aanmerking te mogen komen voor benoeming tot burgemeester van de gemeente Wageningen; Moetende hij op grond van alle zijne handelingen en gedragingen geacht worden zich desbewust te hebben gedragen in strijd met de belangen van het Nederlandse Volk en desbewust afbreuk te hebben gedaan aan het verzet tegen de vijand en diens handlangers; ............... ............... De talrijke en veelvuldige gedragingen, waarmede beschuldigde blijk heeft gegeven van zijn nationaal socialistische instelling vorderen een gevoelige correctie, te meer daar zij hem als ontwikkeld man, die zeker in staat was geweest het verwerpelijke van zijn houding in te zien, ernstig moeten worden aangerekend. Hiertegenover staat, dat het Tribunaal aannemelijk acht, dat beschuldigde als uitvloeisel van hem ingeboren fatsoen en gematigdheid in zijn nationaal socialistische carri E8re herhaaldelijk in moeilijkheden en conflicten is geraakt. .............wordt een internering gedurende 3 jaar en 6 maanden een passende correctie geacht. ............de laatste 6 maanden der internering voorwaardelijk op te leggen.

Slot

Wat vind ik van deze man, en wat heeft het voor mij betekend dit portret te maken?

De man die ik tegen kom in de brieven, en in de aaneenschakeling van moeizaamheden tijdens de Bezetting, vind ik roerend en tragisch. Hij heeft iets beschouwelijks, en behoefte om de samenleving te verbeteren. Daarin lijk ik op hem.

Hij is mij nader gekomen.

Ik vind nu dat hij, na de gevangenschap, op een bewonderenswaardige wijze overeind is gebleven. In al zijn afzondering thuis, hield hij zich toch maar bij elkaar. Ik ben hem dankbaar voor dit voorbeeld.

Het allerbelangrijkste van dit portret-maken voor mij is, dat ik de weg terug naar hem gegaan ben.

Post Scriptum

Na publicatie van het stuk over mijn vader op het Open Archief, bleek ik iedereen in mijn familie, vrienden- en bekendenkring erop te willen attenderen. Of ik stuurde ze een exemplaar via email, of ik wees ze op de website. Van eigenlijk iedereen kreeg ik wel meeleven met mijn moeilijke positie. Sommigen willen de toenmalige (bezettings)tijd wel, net zo als ik, chaotisch noemen. Er is ook veel zwijgen; het is al lang geleden. En er zijn mensen die expliciet vasthouden aan hun beeld van de slechte NSB-er. Er zijn er, die mij vragen: waarom heb je dit stuk geschreven, waarom laat je het me lezen? En dan zijn er mensen van mijn generatie (geboren in of vòòr de oorlog), bij wie mijn stuk begraven herinneringen en emoties oproept. Het schudt ze door elkaar. Langzamerhand realiseer ik mij dat het mij met dit stuk gaat om verbondenheid/delen. Ik wil mij niet schamen over mijn vader. En met dit stuk wil ik ook laten zien dat dat niet hoeft. En ik wil een soort eenheid met de mensen (mijn omgeving) herstellen. Ik wil dat ze ophouden slecht te denken over mijn vader. En die wens wordt niet vervuld. Wat wel gebeurt, met leeftijdsgenoten, is dat we een gemeenschappelijk terrein samen bewandelen. Op dat terrein bevinden zich ieders ervaringen gedurende de bezetting, en uit de tijd erna. Op dat gemeenschappelijke terrein zijn ieders ervaringen, verhalen, begrijpen gelijkwaardig. In een recent gesprek met een goede bekende vroeg deze zich af of het ooit over zou gaan voor me. Het moeilijke. Ze gaf zelf antwoord. Nee dus, dacht ze. En dat denk ik ook. Voor mij was het mooie van haar vraag en antwoord dat ze iets van mij accepteert èn kan voorstellen. Wat dat iets , dat moeilijke, die last, is....daar zou ik een heel boek over kunnen volschrijven. Maar dat wil nog niet lukken.