Eind augustus vlogen geallieerde vliegtuigen over ons kamp die pamfletten uitstrooiden: de oorlog was afgelopen en we zouden binnenkort worden bevrijd. De Japanners waren razend en sloegen iedereen in elkaar die met zo’n pamflet rondliep.
De vliegtuigen wierpen ook parachutes af met voedsel en medicijnen. Het waren kleine hoeveelheden, alles werd zorgvuldig verdeeld. Met een liniaal werden stukken kaas in plakjes van anderhalve millimeter verdeeld; zo kreeg iedereen een eerlijk beetje.
Kort daarna kwamen een paar vermagerde Hollandse mannen het commando overnemen: Japan had gecapituleerd. De Jap wist dat al lang, maar had het niet nodig gevonden ons dat te vertellen.
De Nederlandse vlag werd gehesen – wonderlijk genoeg had iemand die de hele kamptijd verborgen kunnen houden – en het Wilhelmus gezongen. Ik stond erbij, hand in hand met mijn moeder. Zij huilde van ontroering, en velen met haar. De Japanners bleven, maar nu als beschermers. Zij hadden opdracht van de Amerikanen om de orde te handhaven in de bezette gebieden totdat de geallieerde troepen zouden komen.
Aan de poort kochten we voedsel van de inlanders. Het was heerlijk om eindelijk geen honger meer te hebben. Het kamp konden we echter niet uit. Intussen was de Indonesische onafhankelijkheid uitgeroepen. Vechtende bendes trokken rond: de Bersiaptijd. Buiten de kampen was het erg onveilig.
Groepen Indonesische jongens drongen ons kamp binnen en schreeuwden ‘Dood aan de blanken’. Op een vrachtwagen reden ze rond, met rode lappen om hun hoofd en bewapend met speren en hakmessen. Doodsbang waren we. Opeens waren ze weer verdwenen.
Na een paar weken arriveerden de bevrijders: het Brits-Indische leger, een peloton tanige Gurkha’s en baardige Sikhs met tulbanden, onder leiding van Engelse officieren. Toch werd onze situatie gevaarlijk geacht. Ter bescherming bracht het Rode Kruis vrouwen en kinderen naar de mannenkampen.
Half november 1945 gingen mijn moeder en ik op transport per trein, schip en vliegtuig. In Semarang werden we beschoten door Indonesische guerilla’s. In Tjimahi op West-Java werden we met mijn vader herenigd. Het was een heerlijk weerzien, na drie-en-een-half jaar. Samen vierden we de ‘bevrijding’. Op zijn schouders droeg mijn vader mij door het kamp. Hij maakte vliegtuigmodellen voor mij van karton van de rantsoendozen, aan elkaar gekleefd met rijst.
Eten was er voldoende. Elk gezin had één kamer, de eerste privacy sinds jaren. Er werden schooltjes ingesteld. Voorlopig moesten we in dat kamp blijven. Het was eind 1945, de situatie in Indonesië was chaotisch. De Britse commandant vroeg vrijwilligers om te helpen het kamp te beschermen. Vóór de oorlog had mijn vader als bestuursambtenaar een militaire opleiding gehad. Hij meldde zich onmiddellijk, werd opnieuw ingelijfd in het KNIL, en samen met andere Nederlandse mannen assisteerde hij de Engelsen met het patrouilleren rond het kamp.
Op 16 februari 1946 gebeurde er een grote tragedie. Mijn vader was met een patrouille op oefening buiten Tjimahi. Ze liepen in een hinderlaag van Indonesische sluipschutters die in bomen zaten. Van de patrouille zijn er vijf gesneuveld, onder wie mijn vader.
Eind april werden mijn moeder en ik per schip geëvacueerd naar Nederland. Bij een laatste blik op de kade in Tandjong Priok zagen wij Lord Mountbatten arriveren, de onderkoning van Brits-Indië. Die kwam met veel Engelse koloniale pracht en praal op staatsbezoek in Nederlands-Indië.