Utrecht In 1939 verhuisden mijn ouders samen met mijn oma, mama’s zusje tante Erna en mij naar Utrecht. Mijn opa was intussen overleden.
We woonden aan een van de singels in een mooi ruim huis tegenover een park waar ik vaak met mijn vriendje Robbie madeliefjes plukte. Achter het huis lag een mooie diepe tuin waar we ongestoord konden spelen. Het huis had een indrukwekkende gang van wit marmer, met aan het einde de woonkamer, met een serre en uitzicht op de tuin. Ik kan me nog heel goed de slaapkamer van mijn ouders herinneren, op de eerste verdieping. Het rook daar altijd zo lekker. Mijn eigen kamertje was weliswaar klein, maar heel gezellig. Ik was gek op het schemerlampje aan de muur boven mijn bed en mijn teddybeer die ik bij mijn geboorte van een oom had gekregen.
In het souterrain bevonden zich, behalve de woonkeuken, de provisiekasten voor de weckflessen en een kolenkelder met een houten hekwerk ervoor. Voor dat laatste was ik doodsbenauwd, want als ik stout was geweest stopte mijn moeder me in dat akelige donkere hok en deed het licht uit. Ik zat dan doodstil en bibberend te wachten tot ik er weer uit mocht. Soms sloop tante Erna zachtjes naar binnen en gaf mij een kleine broche met een fluorlaagje dat in het donker oplichtte. Het troostte me als ik eenzaam over mijn ‘zonden’ zat na te denken. Pas veel later heb ik begrepen dat tante Erna op veel momenten een soort reddende engel voor me is geweest. Soms nam ze me mee de stad in en zodra we in de buurt van de Stadsschouwburg kwamen, waar een mooi buitenterras was, moest ik prompt naar de wc – wat betekende dat we op het terras neerstreken en ik een glaasje ranja met een rietje kreeg. Heerlijk! Tante Erna had mijn trucje natuurlijk snel door, maar deed of haar neus bloedde en speelde het spelletje mee.
NSB-kind Het moet in de herfst van 1941 zijn geweest toen ik voor het eerst het gevoel kreeg dat ons gezin anders was dan de gezinnen die ook aan de Singel woonden. Mijn vader droeg plotseling zo’n raar zwart uniform met om zijn arm een brede rode band met een goudkleurig teken. Ook die hoge zwarte laarzen dwongen respect af. Wat het teken op die rode band betekende wist ik niet en ook niet waarom een soortgelijke vlag bij ons aan de voorgevel van het huis wapperde.
De vader van mijn vriendje Robbie vond ik veel interessanter. Hij was vishandelaar, droeg een blauwe overall en liep op gele klompen. Hij had een mooie viskar met een zeil erover tegen de regen. Als hij ’s avonds thuiskwam en de vis verkocht was, moest de kar schoongemaakt worden. Een paar straten verderop had hij een garage waar de kar met een tuinslang en een emmer sop onder handen werd genomen. Robbie en ik mochten dan mee om te helpen. Dus op de kar, zeil erover en met een zure bom in de hand naar de wasplaats. Dit is een van mijn dierbaarste jeugdherinneringen. Als ik dan thuiskwam dan sprak het voor zich dat ik verschrikkelijk naar vis stonk. Mijn moeder vond dat natuurlijk niet leuk, maar verbieden deed ze het niet, omdat ze wel in de gaten had dat Robbie het enige kind in de buurt was dat met me mocht spelen. De andere kinderen liepen met een grote boog om me heen en scholden me uit voor NSB-kind, terwijl ik niet eens wist wat dat betekende. Eén ding besefte ik echter al gauw: wij waren anders.
Leven tijdens de bezetting Op 16 mei 1940 bezetten de Duitsers Utrecht. Ik herinner me dat niet. Mijn eerste herinneringen begonnen pas toen ik ongeveer drieënhalf was. Nederland zat er middenin, in die oorlog waar intussen ook Engeland aan deelnam. Zo kwam het – het moet zomer geweest zijn, want ’s morgens om zes uur was het al licht – dat de mensen uit hun huizen kwamen, de straat op liepen, sommigen nog in hun pyjama, en in de lucht tuurden terwijl ze opgewonden riepen: ‘De Tommies komen terug!’ De Engelsen vlogen regelmatig vanuit Engeland over Nederland om Duitse steden te bombarderen. Ook op deze voor mij merkwaardige morgen kwamen ze terug, misschien wel van een geslaagde missie.
Op een dag hoorde ik dat mijn ouders ruzie maakten. Ik kwam er pas veel later achter waarover het ging. Mijn vader, fanatiek lid van de Partij, wilde me als vier- of vijfjarige bij de Jeugdstorm aanmelden. Mijn moeder was daar fel tegen. Ze was weliswaar een melancholische en onderdanige vrouw, maar als ze het ergens niet mee eens was had mijn vader in haar een geducht tegenstandster. Gek genoeg bond hij dan ook meteen in (hij droeg haar zijn leven lang op handen). Dit keer sprong ze voor me in de bres om me te behoeden voor de blamage om als kind op zaterdagmiddag in een Jeugdstorm-uniformpje in optocht door Utrecht te marcheren en strijdliederen te zingen.
In februari 1943 werd mijn zusje geboren. Ik was intussen vierenhalf jaar, voelde zo langzamerhand wel dat er iets aan de hand was en kreeg oog voor wat zich zoal in mijn directe omgeving afspeelde. Toen de weeën begonnen moest mijn moeder naar het ziekenhuis. Zoals altijd was mijn vader niet thuis. Hij was weer eens in de weer voor de Partij, terwijl hij thuis toch dringend nodig was. Wie moest mijn moeder anders naar het ziekenhuis brengen? Een taxi bellen? Taxi’s waren zo goed als uit het straatbeeld verdwenen. En zo kwam het dat mijn moeder voor de naderende bevalling in een lijkwagen vervoerd werd. Al tijdens de zwangerschap was ze erg zwak en na de geboorte werd dat er niet beter op. Daarbij kwamen de zorgen om mijn kleine zusje, dat een fragiel en vatbaar kindje was dat kinkhoest en bronchitis kreeg. Er bleef dus weinig tijd over voor mij, waardoor ik tamelijk op mezelf aangewezen was. Maar gelukkig was er altijd nog tante Erna, die zich als een soort pleegmoeder over me ontfermde. Ze was een vrolijke, gevoelige jonge vrouw, niet zo mooi als mijn moeder, maar warmer en hartelijker. Vaak nam ze me mee naar het hoofdkwartier van de NSB, waar ze werkte en dat maar op vijf minuten lopen van ons huis lag.
Een bonte verzameling jonge vrouwen verrichte daar kantoorwerkzaamheden voor de Partij. Behalve Nederlands werd er ook een andere taal gesproken, namelijk Duits. Het stoorde me niet dat ik het niet verstond. Ik kreeg aandacht, werd verwend met snoepgoed en werd omgeven door vrolijk lachende mensen. Thuis werd er weinig gelachen. Mijn introverte moeder had haar handen vol aan mijn zwakke zusje en het grootste plezier dat ik haar kon doen was mezelf onzichtbaar maken. Zijzelf werd verwend door mijn vader en was een mooie vrouw met een verfijnde smaak, niet alleen wat haar kleding betrof, maar ook de inrichting van ons huis was chic en stijlvol te noemen. Per telefoon deed ze haar bestellingen bij haar lievelingsmodehuis, Maison de Bonnetterie. Er reed dan een auto voor en de eerste verkoopster stapte uit, terwijl de chauffeur de dozen met japonnen, hoeden en lingerie naar binnen bracht. Dan begon het passen in haar slaapkamer. Ze zocht uit wat haar beviel, de rest ging terug naar de winkel en mijn vader kreeg later de gepeperde rekening.
Plotselinge veranderingen Maar toen gebeurde er iets waardoor deze op het oog perfecte wereld als een kaartenhuis in elkaar stortte. Dat was 5 september 1944, de dag die later Dolle Dinsdag zou gaan heten. De dag ervoor was Antwerpen bevrijd en in Nederland ging men er vanuit dat ook ons land spoedig bevrijd zou worden. Volkomen onverwacht kwam mijn vader die dag midden op de ochtend thuis van zijn werk. Hij ging met moeder naar de slaapkamer, waar ze opgewonden met elkaar praatten. Ik zat met tante Erna en oma in de woonkamer. Toen mijn ouders naar beneden kwamen, zag ik dat moeder gehuild had. Kortaf en zakelijk legde vader ons uit wat ons te doen stond. Toen vertrok hij weer en voor het eerst in mijn leven voelde ik wat paniek betekende. Zenuwachtig en in de war stopten de drie vrouwen het hoogstnodige aan kleren en schoeisel in tassen en koffers en voorts werden een warme deken en documenten zoals persoonsbewijzen ingepakt. Toen ze klaar waren pakte mama onze hond Timmie onder de arm en stapte op de fiets. Ze kwam alleen terug, met rode ogen van het huilen. Mijn vader verscheen weer, mijn kleine zusje van anderhalf werd in de kinderwagen gezet en de kleine karavaan, bestaande uit vijf vrouwen in de leeftijd van anderhalf tot achtenvijftig, ging op weg naar het Centraal Station. Ons mooi ingerichte huis, de tuin, mijn speelgoed, alles moesten we achterlaten, behalve mijn beertje, dat ik op het laatste moment nog gauw uit mijn kamertje griste. Op het perron nam vader afscheid van ons en we stapten in de trein. Vader bleef alleen achter in Utrecht om huis en haard te beschermen. Op 8 mei 1945, ’s middags om 17.00 uur, werd hij door de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), gearresteerd.
Onderweg De trein vertrok uit Utrecht met onbekende bestemming. Wat stond ons te wachten? Toen we eindelijk een plekje gevonden hadden, keek ik om me heen en ontdekte dat de passagiers alleen vrouwen en kinderen waren. Op dat moment waren circa 65.000 NSB-vrouwen met hun kinderen op de vlucht. Na een urenlange reis van lange uren met veel onderbrekingen hield de trein eindelijk definitief halt en moesten we allemaal uitstappen. In een lange rij liepen we tot we bij een ‘school’ die ons gedurende de volgende dagen onderdak bood. In de klaslokalen lagen vieze strozakken op de grond en het stonk er ontzettend. Er werd een appèl afgeroepen en terwijl we in een lange rij stonden werden we gedesinfecteerd en ontluisd, wat een zeer vernederende procedure was. Op het schoolplein was één waterpomp voor honderden vrouwen en kinderen. Te eten was er niet en ’s nachts hadden we het koud. Het was tenslotte bijna herfst.
Pas later beseften wij dat deze ‘school’, vóór wij hier werden ondergebracht, als doorzendkamp had gediend voor joden in afwachting van hun transport naar de vernietigingskampen. Wat een pijnlijke, cynische conclusie: joden en NSB-ers in hetzelfde kamp en beiden wisten evenmin wat hun eindbestemming was. Er heerste een enorme chaos. Kinderen huilden, vrouwen schreeuwden en terwijl sommigen probeerden een beetje rust en orde in deze puinhoop te brengen, zaten anderen doodstil en apathisch voor zich uit te staren. Na een paar dagen werden we gesommeerd ons schamele boeltje bij elkaar te pakken en in dezelfde lange rij ging het weer richting station. Daar stond een trein propvol Duitse frontsoldaten die een paar dagen verlof hadden om in de ‘Heimat’ op verhaal te komen. In de gangpaden, zelfs in de bagagenetten, lagen dodelijk vermoeide soldaten zo goed en zo kwaad als dat ging te slapen. Opnieuw vochten we om een plaatsje, opnieuw kwam de trein langzaam in beweging en opnieuw wisten we niet waar de reis naartoe ging.
Het kamp in Bad Bevensen Na een lange, barre reis bereikten we moe en hongerig Bad Bevensen op de Lüneburger Heide in Duitsland. Het was herfst 1944. Weer werden we in een school ondergebracht, die deze keer iets comfortabeler was dan de school in Nederland. Ik herinner me het grote, sombere gebouw nog goed, dat twee verdiepingen had. In het souterrain was de gaarkeuken geïnstalleerd, op de begane grond het kantoor waar we geregistreerd werden alsook de ziekenboeg en een klaslokaal. Op de eerste verdieping dienden klaslokalen, uitgerust met stapelbedden, als slaapzalen. Héél langzaam kwam er structuur in de leefgemeenschap. Mijn moeder kreeg een baantje in de keuken, wat betekende dat ze af en toe iets extra’s te eten naar de slaapzaal kon smokkelen. De kinderen kregen les in het klaslokaal. Mondjesmaat ontvingen de vrouwen post van hun echtgenoten die in Nederland waren achtergebleven. In de lange granieten gangen tussen de klaslokalen en de toiletten moesten wij kinderen iedere ochtend vroeg op appèl, dat onder commando stond van een grote dikke vrouw met een knotje. Ze droeg steevast een oogverblindend wit schort, was erg streng en had een stem als een dragonder. Wij kinderen hadden diep ontzag voor haar. We moesten ons in een lange rij opstellen, met uitgestoken handen en uitgestoken tong. Onze nagels werden gecontroleerd of ze wel schoon waren en onze tong of die niet beslagen was. Het doel van deze onderneming was om eventuele ziektes vroegtijdig op te sporen. Ten slotte kregen we allemaal een grote lepel levertraan. Ik slikte het vieze goedje zo vlug als ik kon door, dan was je ervan af. Sommige kinderen renden echter verdacht vlug naar de wc om de levertraan uit te spugen, maar de strenge mevrouw met het witte schort had dat gauw in de gaten en stak er een stokje voor. Het kon dus gebeuren dat enkele kinderen een uur later nog liepen te kokhalzen met een lepel levertraan in hun mond.
Soms waren ’s ochtends de toiletten erg vies. Dat kwam omdat er vaak geen stroom was en je ’s nachts op de tast je behoefte moest doen. Dan kon het natuurlijk gebeuren dat er iets naast ging. De strenge mevrouw wilde de dader opsporen, wat natuurlijk niet lukte. Daarom werden alle kinderen bestraft. Eerst moesten we een uur op onze blote voeten op de granieten vloer van de gang staan en daarna moesten we de vieze wc’s schoonmaken. Het resultaat: kinderen die wekenlang verkouden waren. Niemand kwam op het idee dat niet alleen de kinderen maar ook de volwassenen het wel eens gedaan zouden kunnen hebben.
Er was geen speelgoed, behalve wat de kinderen op het laatste moment hadden kunnen meenemen. Meestal was dat niet meer dan het lievelingsspeeltje, een pop, een autootje en, in mijn geval, mijn eigen beertje. Daarom bedachten de moeders zelfgemaakte spelletjes om de verveling die bij de kinderen ontstond te verdrijven.
We mochten niet buiten het kamp komen, alleen een uurtje per dag op de binnenplaats van het imposante, donkere gebouw. Zoveel vrouwen en kinderen met verschillende achtergronden in één gebouw, daar konden de misverstanden, ruzies en pesterijen natuurlijk niet uitblijven. De kinderen voelden precies aan dat hun moeders tot het uiterste getergd werden door zorgen, verdriet en stress en daarom gedroegen we ons redelijk rustig, maakten ons als het ware onzichtbaar, om de situatie waarin we ons bevonden niet te laten escaleren.
Toen werd ik ziek. Men stelde vast dat ik geelzucht had – heel besmettelijk dus. Ik moest in quarantaine in de ziekenboeg en ik had gedurende zes lange weken alleen via het ruitje in de deur contact met mijn moeder. Mijn enige troost was mijn beertje, waar ik lange gesprekken mee had en die ik mijn verdriet en eenzaamheid toevertrouwde. Hij is intussen even oud als ik en zit nog altijd aan het hoofdeinde van mijn bed. Vlak voor kerst mocht in de ziekenboeg verlaten, ik was gezond verklaard.
Een vreemde kerst Kerstmis kwam naderbij en mijn moeder was door een Duitse familie uitgenodigd kerstavond bij hun thuis te vieren. Ik mocht mee, mijn kleine zusje bleef onder de hoede van tante Erna. Ik was vreselijk opgewonden. Stel je voor, we mochten voor het eerst het kamp verlaten en de aanleiding daartoe was een feest!
Toen we ons te voet op weg begaven was het al donker. Het sneeuwde dikke vlokken en het was bitter koud. Eindelijk kwamen we aan bij het grote huis aan de bosrand. We belden aan, een beetje zenuwachtige natuurlijk. Een mooie blonde vrouw deed open, terwijl twee meisjes van ongeveer mijn leeftijd nieuwsgierig van achter haar rokken gluurden. De mevrouw ging ons voor naar de woonkamer. Het haardvuur brandde en vol bewondering keek ik naar een reusachtige, mooi versierde kerstboom met een heleboel brandende kaarsjes. Op dat moment kreeg mijn moeder al het voorgevoel dat het hier niet om een doorsnee Duitse familie ging, want eind 1944 heersten er ook in Duitsland grote voedsel- en brandstoftekorten. Maar in dit huishouden was er nog van alles in overvloed: we zagen mooie kleren, kostbare meubels en het rook er heerlijk naar eten. Ik was helemaal vergeten hoe lekker eten kon ruiken en het water liep me in de mond. Verlegen stond mijn moeder met mij aan de hand, te midden van al deze pracht en praal. De mevrouw was erg vriendelijk en deed haar best om ons op ons gemak te stellen. Terwijl ik met de twee meisjes speelde, praatte zij met mijn moeder. Ze vertelde dat haar man aan het front was en dat hij geen verlof gekregen had om de kerst bij zijn gezin door te brengen. Intussen wees ze naar de foto’s die op de secretaire stonden. Mijn moeder staarde verschrikt naar de afbeeldingen en plotseling besefte ze dat haar vermoeden juist was. De man op de foto droeg het uniform van een hoge officier in het Duitse leger. Dat verklaarde de luxe en welvaart die dit huis uitstraalde.
Het engelenklokje klonk, een teken dat de kinderen hun kerstcadeautjes mochten uitpakken. Maar voordat ik daaraan toekwam, kreeg moeder een hevige huilbui. Ze kon het niet aan dat alles in dit huis haar herinnerde aan wat ze allemaal had moeten achterlaten. De gedachte aan Nederland, het land waar ze woonde, haar man, ons mooie huis en de zorg om de ongewisse toekomst, zorgde voor een niet te stelpen tranenvloed. Ze wilde niet blijven, pakte me bij de hand en vluchtte in paniek het huis uit, terug de kou in, terug naar het kamp. De vrouw en haar kindjes bleven niet-begrijpend en ontredderd achter. Tot op de dag van vandaag weet ik niet wat er in mijn kerstcadeautje zat.
Opnieuw onderweg Het moet begin 1945 geweest zijn toen het kamp werd opgedoekt. Waarom? Toen wist ik het niet. Was er niets meer te eten? Was het eind van de oorlog in zicht? De reden was dat Mussert in Nederland opdracht had gegeven de kampen, die her en der over Duitsland waren verspreid, te sluiten in verband met de erbarmelijke omstandigheden daar, de voedseltekorten en de naderende Russen. Hij had boeren in de noordelijke provincies van Nederland opdracht gegeven vrouwen en kinderen op te nemen. Wat de reden ook was, we stonden weer op straat en begonnen aan een lange, vermoeiende voettocht richting Nederlandse grens. Het was januari en bitter koud. Toen we in september op de vlucht sloegen wist mijn moeder niet waar we terecht zouden komen of hoe lang we weg zouden blijven. Daarom had ze waarschijnlijk alleen de spullen die voor het grijpen lagen ingepakt, wat betekende: geen winterkleding en geen schoenen. Mijn zusje was intussen twee jaar oud en zat in de kinderwagen verstopt achter een grote koffer, die dwars over de wagen lag. Ik liep afwisselend aan de hand van oma en van tante Erna en vond alles wat er om mij heen gebeurde vreselijk opwindend. Als je zeven jaar bent voel je als kind weliswaar de zorgen en benarde situaties van je ouders aan, maar het waarom ervan ontgaat je. Het is gewoon zo.
Onze kleine karavaan was alleen op pad en had zich niet aangesloten bij de lange rij vrouwen en kinderen. Wellicht dacht mijn moeder dat het voor een klein groepje makkelijker zou zijn om onderdak en voedsel te vinden. Iedere dag was een gevecht om te overleven, iedere dag dezelfde vraag en zorg: waar kunnen we overnachten, krijgen we iets te eten? Soms was het al donker als we bij de zoveelste boerderij het erf opliepen, als de waakhond ons tenminste niet wegjoeg, om aan een boer te vragen of we in het stro mochten slapen en of er soms ook nog iets te eten over was. Dankbaar namen we met ieder plekje genoegen. Soms in de hooiberg, dan weer op de deel achter de koeien. Een enkele keer mochten we in de bedstee slapen, kregen we schone lakens en een warme maaltijd. Op zo’n moment waanden we ons in het paradijs. Bij één boerengezin mochten we zelfs een hele week bivakkeren. De boerin had in de gaten hoe uitgeput en ondervoed we waren en gunde ons een weekje om weer op verhaal te komen. Oma verstelde intussen onze kleding en tante Erna waste in een wastobbe onze spullen. Ik kon mijn geluk niet op, speelde op het erf met de kinderen van de boer, aaide de zachte konijntjes en keek ademloos naar het melken van de koeien. Toen het afscheid naderde en we weer op pad moesten, sprong een agressieve haan op het hoofd van mijn zusje en bewerkte haar hoofd met zijn snavel terwijl ze moord en brand gilde. Door dit voorval werd ons verblijf met nog een dag verlengd, zodat het arme kind even van de schrik kon bekomen. De volgende dag wachtte ons echter toch ons onvermijdelijke vertrek.
Onderdak in Vlagtwedde Weken waren we al onderweg, toen we in het voorjaar van 1945, na ongeveer 250 kilometer lopen, eindelijk de Nederlandse grens passeerden. Wij kwamen op een boerderij in Vlagtwedde terecht in de provincie Groningen en tante Erna en oma kregen onderdak bij de buren van de boer. Mij was intussen duidelijk dat we een geheim met ons meedroegen en dat eigenlijk niemand mocht weten wie we waren of waar we vandaan kwamen. De boerenfamilie was in ieder geval niet enthousiast over onze komst. Ze waren steenrijk en woonden op een grote herenboerderij met graanschuren en veestallen. Op de hoek van de landweg had de boer zelfs een privé-bushokje laten bouwen voor zijn dochtertje dat naar school moest.
Ik weet nog dat ze grote indruk op mij maakte. Ze was enig kind, de oogappel van haar ouders en strontverwend. Desondanks was het een aardig meisje en hoewel ze een paar jaar ouder was dan ik, sloten we toch vriendschap. Waarschijnlijk was ik een welkome afwisseling in haar toch wat saaie bestaan. Ook ik moest naar school, wat een tamelijk hachelijke onderneming was. Ik moest te voet over een landweg met links en rechts hoge bomen. Als de sirenes begonnen te gillen terwijl het dreigende gebrom van de vliegtuigen naderbij kwam, moest ik als de wiedeweerga in één van de schuttersputjes in de berm springen. Daar zat ik dan op mijn hurken met mijn hoofd tussen mijn knieën (zoals mijn moeder me had geleerd) bevend van angst af te wachten tot het zover was. Ik vraag me tot op de dag van vandaag af waarom mijn moeder dat toeliet.
De rijke boer leefde in overvloed, maar hij was gierig, dus van die overvloed merkten we niets. Als ontbijt kregen we twee sneetjes brood met een beetje jam. Iedere middag hetzelfde: aardappels met stip (een saus gemaakt van karnemelk waar een enkel verdwaald spekkaantje in zwom) en één eetlepel gedroogde appelpartjes. ’s Zondags werd dit eentonige menu opgevrolijkt met een stukje vlees dat zo klein was, dat het van je bord zou waaien als de deur openging. Wij aten in de keuken, terwijl de familie het zich goed liet smaken in de woonkamer aan een rijkelijk gedekte tafel met vlees, groente en fruit. Weken gingen voorbij toen plotseling het gerucht de ronde deed dat het einde van de oorlog nabij was. De Engelsen waren in opmars om Nederland te bevrijden.
Op een avond, het schemerde al, ging voor de zoveelste keer het luchtalarm af. We renden de kelder in, waar we hongerig tussen de volle weckglazen zaten te wachten tot het alarm voorbij zou zijn. Plotseling werd er op de keukendeur gebonsd. Angstig deed de boer de deur op een kier. Voor hem stonden zo’n vijftien Duitse soldaten met geweren in de aanslag, hun gezichten zwart gemaakt ter camouflage. Ze zagen er dreigend uit en wat ze tegen de boer zeiden begreep hij maar voor de helft. Mijn moeder, die onderaan de kelderdeur meeluisterde, begreep al snel waar het om ging. Ze pakte me stevig bij de hand, nam mijn zusje op de arm en liep de keldertrap op. Bij de keukendeur schoof ze de verblufte boer aan de kant en zei in vloeiend Duits dat het toch geen pas gaf om een boer als deze, die een Duitse moeder en haar kinderen onderdak bood, op zo’n manier te bedreigen. Mijn moeder stond recht en op het oog zelfbewust voor ze en verwonderd staarden de soldaten haar aan. Ze leken van hun stuk gebracht en overlegden met elkaar wat ze moesten doen. Vóór ze afdropen streelde een van hen me over de wang. Wat was er gebeurd? In de grote voorraadschuren op het land hielden zich Engelsen schuil, die schoten op alles wat bewoog. De Duitsers dachten dat de boeren daar toestemming voor hadden gegeven. Dat was niet zo, maar hun landerijen waren zo groot, dat je vanuit de woonboerderij niet kon zien wat er in de schuren gebeurde. De Duitsers dreigden nu de boerderijen met bewoners en al in brand te steken, als de Engelsen niet uit vrije wil uit de schuren tevoorschijn zouden komen en zich zouden overgeven. En het bleef niet bij dreigementen, want al spoedig stonden in de wijde omgeving verschillende boerderijen in lichterlaaie. De volgende ochtend boden de uitgebrande panden een spookachtige aanblik. Veel boerderijen lagen in de as, ook die waarin tante Erna en oma waren ondergebracht. Mijn moeder vreesde het ergste, maar als door een wonder stonden ze een paar uur later allebei gezond en wel voor onze neus. Ze waren op tijd gevlucht en hadden zich de hele nacht in een sloot verborgen gehouden.
Chaos na de bevrijding Op 16 april werd Groningen bevrijd en kregen we te horen dat ook andere delen van Nederland al bevrijd waren. Het werd dus opnieuw tijd om op pad te gaan, op zoek naar man en vader. We konden niet bevroeden dat ons nog heel wat te wachten stond. We lieten Vlagtwedde achter ons en gingen op weg naar Klarenbeek, een dorpje in de buurt van Apeldoorn. Daar woonden mijn grootouders, de ouders van mijn vader. Mijn moeder hoopte er via hen achter te komen waar vader zich bevond. Ze had allang geen post meer van hem gehad en wist niet eens of hij nog in leven was. Maar de weg naar Klarenbeek was voor ons vol moeilijkheden en hindernissen. In Nederland heerste chaos. De wegen leken wel mierenpaadjes: één grote mensenstroom bewoog zich van noord naar zuid en van oost naar west, allemaal op weg naar huis, gedreven door de hoop dat het nog overeind zou staan. Onze tocht leek op die in Duitsland, maar met dat verschil dat we daar betrekkelijk veilig waren en niet bang hoefden te zijn dat de bevolking zou ontdekken dat we NSB-ers waren. De bevrijding van Nederland bracht immers met zich mee dat er een ware klopjacht ontstond op alles wat er in de afgelopen jaren Duitsgezind was geweest, te beginnen bij de NSB. Aangezien mij oma met een zwaar Duits accent sprak mocht zij haar mond niet opendoen. Ze was vanaf nu ‘doofstom’. En wederom klopten we ’s avonds bij boerderijen aan voor onderdak en wat te eten, vaak kregen we nul op het rekest en was het al donker voor we eindelijk een plekje gevonden hadden. Hoewel mijn moeder zich dapper hield, welden toch af en toe de tranen op als alles wel erg hopeloos leek. Op een dag stond ons groepje aan de oever van de IJssel. Wilden we ons einddoel bereiken, dan moesten we naar de overkant. De brug was kapotgebombardeerd en lag in het water, maar er was een noodbrug. Als je daar gebruik van wilde maken had je echter de medewerking nodig van de mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten, een paramilitaire groep van burgers, ontstaan uit het verzet. Ze hadden de opdracht gekregen om na de bevrijding voor rust en orde te zorgen. De BS liepen langs de oever van de rivier op zoek naar vluchtende NSB-ers. Eén van hen tilde behulpzaam de kinderwagen op waarin mijn zusje lag, maar voordat hij de noodbrug opstapte keek hij om naar mijn moeder en schreeuwde haar toe: ‘Jullie zijn toch geen NSB-ers hè, anders gooi ik dit vrachtje zo in het water!’ Mama rechtte haar rug en riep tegen hem, ‘Hoe kom je daarbij, lijken we daarop?’ De BS-man lachte en bracht de kinderwagen met inhoud veilig aan de overkant. Met knikkende knieën volgden we hem en bereikten de andere oever.
Toen we in het centrum van Zwolle aankwamen, ontdekten we dat het er wemelde van de controleposten, want in heel Nederland werd op NSB-ers gejaagd. Ook wij ontkwamen er niet aan en moesten langs een controle, die plaatsvond in een café. Onze persoonsbewijzen werden afgepakt om afgestempeld te worden en opnieuw knepen we hem als een oude dief. Maar dit keer kwam er hulp uit onverwachte hoek. Deze keer kwamen de Amerikanen ons op een heel ongewone manier te hulp. Het was één uur ’s middags en uit een kleine radio die boven de ingang van het café hing klonken de nieuwsberichten. Plotseling brak er paniek en geschreeuw uit: de nieuwslezer berichtte dat de president van de Verenigde Staten, Franklin Roosevelt, overleden was. Voor ons kwam dit bericht als geroepen, want de man die achter het kleine stempeltafeltje zat waarop onze persoonsbewijzen lagen, sprong op en verdween een moment tussen de mensen in het overvolle café. Moeder bedacht zich geen moment, griste onze papieren van het tafeltje en riep tegen ons, ‘Rennen!’. Opgelucht haalden we een paar straten verder weer adem. Op 5 mei 1945 mochten dan eindelijk alle delen van Nederland bevrijd zijn, wij waren nog steeds onderweg. Overal op straat vierden de mensen uitgelaten het einde van de oorlog. De rood-wit-blauwe vlaggen wapperden weer aan de gevels van de huizen en iedereen droeg een oranje strikje of iets wat daarop leek. Om niet op te vallen trok moeder toen bij een klein meisje de oranje strikjes uit haar vlechtjes en bond ze om de mijne.
Het NSB-vrouwenkamp Een paar dagen later belden we bij mijn grootouders aan, maar toen mijn oma de deur opendeed staarde ze ons met grote schrikogen aan, rende naar de telefoon en schreeuwde opgewonden in de hoorn: ‘Ik heb hier nog een paar NSB-ers voor jullie!’ Tien minuten later reed er een vrachtwagen voor waar we nogal ruw op werden gehesen. Tijdens de barre tocht die we achter ons hadden waren we overal doorgeglipt en nu we dachten veilig te zijn, gebeurde er dit! Opnieuw vertrokken we met onbekende bestemming en met de vraag in ons hoofd wat er met ons zou gebeuren. Na een lange rit werd het ons duidelijk: dit keer kwamen we in Nederland in een kamp terecht. Het was een NSB-vrouwenkamp, waar de kinderen van de moeders werden gescheiden om in speciale kinderkampen geplaatst te worden. Omdat moeder onder geen voorwaarde van haar kinderen gescheiden wilde worden, stelde ze alles in het werk om dat te voorkomen. Ze mocht één telefoontje plegen en bezwoer haar schoonouders ons onderdak te geven. Na lang bidden en smeken stemden ze daarin toe. Mama werd echter veroordeeld tot drie jaar huisarrest en haar schoonouders moesten erop toezien dat ze zich daar aan hield (alsof ze enige keus had). Voor moeder betekenden die drie jaar hel, verdoemenis en vernedering die haar schoonmoeder haar ten deel liet vallen. Ze moest poetsen, koken, verstellen en mocht één keer per week op zondag een paar uurtjes in de frisse lucht in de tuin achter het huis, een fikse lap grond die aan de achterkant aan het bos grensde. Dat was het enige plekje waar ze even op adem kon komen en zich kon onttrekken aan de vernederingen van haar schoonmoeder.
Deze grootmoeder was klein en mager en had een schelle stem, die tot op de dag van vandaag in mijn oren klinkt. Ze haatte haar schoondochter niet alleen vanwege haar Duitse afkomst, maar ook omdat ze in zoveel andere dingen van elkaar verschilden. Mijn moeder was ontwikkeld en beschaafd, had smaak en gevoel voor stijl en dat beviel mijn oma allerminst. Bovendien had ze vroeger een heel andere vrouw op het oog gehad als haar toekomstige schoondochter, namelijk de dochter van de dominee uit het dorp, en niet die ‘stadse madam’, zoals ze mijn moeder noemde. Ik had lang haar, dat mijn moeder ’s morgens vlocht en er twee strikjes in bond. Maar mijn oma trok ze er weer uit met de opmerking: ‘Die stadse gewoontes horen hier op het platteland niet thuis’. Als oma iets uit haar handen liet vallen, moest moeder het oprapen, terwijl oma triomfantelijk riep: ‘Kijk, kijk, madam kruipt door het stof!’ Van mijn opa herinner ik me dat hij een lief gezicht had, een goedmoedig karakter had en dat hij natuurlijk niet opgewassen was tegen zo’n dominante vrouw. Hoewel opa postbode was, hielden mijn grootouders koeien, varkens, kippen en konijnen. Ze waren Nederlands-hervormd en iedere zondag gingen ze op de fiets naar de kerk. Ik mocht mee met opa op de bagagedrager en tijdens de preek (waar ik niets van begreep) kreeg ik een pepermuntje. Zouden ze soms bang geweest zijn dat ik er doorheen zou praten? Na de kerkdienst gingen we in de voorkamer zitten. Door de week was de deur op slot, maar op zondag en op verjaardagen ging hij open. Dan werd er koffie gezet, de vrouwen lepelden een glaasje advocaat en de mannen dronken een glaasje boerenjongens. Midden op de muur van de kamer hing een schilderij van Jezus met uitgespreide armen. Ik was er een beetje bang voor, want oma dreigde keer op keer: ‘Pas op, hij hoort en ziet alles en als je stout bent krijg je straf en word je nooit een engeltje in de hemel’. Ik begreep er helemaal niets van, want ik had nog nooit van Jezus of de hemel gehoord, maar toch deed ik moeite om niet stout te zijn, zodat deze Jezus me niet zou straffen.
Gepest op school Ondanks de nare omstandigheden en de spanningen was het in het huis van mijn grootouders voor mij een relatief fijne tijd. Maar helaas, ik moest naar school en in een oogwenk wist iedereen wie ik was, waar ik vandaan kwam en – vooral – dat mijn ouders NSB-ers waren geweest. Zelf wist ik niet eens wat dat betekende, maar voor mij begon de hel. Op weg van en naar school wachtten de schoolkinderen me op. In de winter dreven ze me het portiekje van de kruidenierswinkel binnen, scholden me uit, duwden me van de ene naar de ander hoek – en dat ging verre van zachtzinnig. In de zomer gebeurde hetzelfde, maar dan in het veld, waar de maïs hoog stond.
De blauwe plekken op mijn magere lijfje kunnen mijn moeder, als ze me op zaterdag in de wastobbe zette voor de wekelijkse schrobbeurt, niet zijn ontgaan. Maar ze negeerde ze en zweeg en ik deed dat ook, want ik wilde haar niet nog meer verdriet doen dan ze al had. Ik voelde instinctief hoe moeilijk ze het had. En toch… ik verlangde er stilletjes naar dat ze me een keer in haar armen zou nemen en tegen me zou zeggen, ‘kindje, ik hou van je. En op een dag komt alles weer goed’, maar helaas gebeurde dat niet. Ik voelde me in de steek gelaten en verraden. Mama is tot haar dood, vier jaar geleden, niet in staat geweest liefde en genegenheid te tonen.
Tijdens de schoolvakanties kreeg ik van oma een taak: ik moest leren breien. Iedere ochtend (behalve op zondag), moest ik op een hoge stoel in de erker van de voorkamer gaan zitten. Vervolgens werd de deur op slot gedaan en moest ik pannenlappen breiden met heel dunne pennetjes en nog dunner katoengaren – vier recht, vier averecht en bij het begin van de naald verspringen, zodat er een ruitjespatroon ontstond. Ik was vreselijk bang om me te vergissen, want die Jezus aan de muur keek mee en oma controleerde me ieder kwartier. Als ze een foutje ontdekte haalde ze alles weer uit en moest ik opnieuw beginnen. Mijn vingers deden zeer en werden stijf, ik miste mijn vriendje Robbie, mijn lieve tante Erna en de zure bom van Robbie’s vader. Tante Erna en oma moesten een jaar in het vrouwenkamp blijven. Toen ze uiteindelijk vrij kwamen stonden ze op straat, zonder een dak boven het hoofd, zonder eten, zonder geld; de kleren aan hun lijf waren hun enige bezit. Ze zochten werk als huishoudster en vonden allebei een adres in dezelfde stad, zodat ze elkaar konden opzoeken als ze een uurtje vrij hadden. Intussen was mijn moeder erachter gekomen dat vader nog leefde en in een mannenkamp zat. Eindelijk konden ze elkaar schrijven en op het laatst mocht moeder hem zelfs één keer per maand een half uurtje bezoeken. Ik was jarig en werd acht. Ik mocht een paar meisjes uitnodigen en ik kreeg een kinderfornuisje met pannetjes. Pontificaal zat ik in de tuin op ze te wachten. Het werd drie uur, het werd vier uur en om vijf uur begreep mijn oma wel dat er niemand zou komen. Die nacht heb ik bittere tranen gehuild, van verdriet, teleurstelling en frustratie.
We woonden inmiddels drie jaar bij mijn grootouders, toen op een ochtend een taxi voorreed. Moeder vertelde mijn zusje en mij dat we papa gingen ophalen. We stapten in de taxi, wat ik heel spannend vond, en reden naar het kamp. De auto stopte in een bosrijke omgeving bij een grote ronde poort en daar stond een onbekende man met een koffertje op ons te wachten. Ik moest hem een kusje geven. Tenslotte was hij mijn vader. Februari 1948: de familie Hissink was weer herenigd.
Vader was op 8 mei 1945 opgepakt en tot twee jaar en negen maanden veroordeeld. Nadat hij vrijgekomen was, verhuisden we op 10 februari 1948 samen met tante Erna en oma naar Rhenen, een klein stadje met 15.000 inwoners in het midden van het land. We trokken in bij een gescheiden mevrouw met twee dochtertjes, die even oud waren als mijn zusje en ik. Twee jaar lang woonden we daar in een heel kleine ruimte, maar het waren de mooiste jaren van mijn kindertijd. Ik was tien en mocht eindelijk kind zijn. Toen bouwden mijn ouders hun eerste huis. We kregen ieder ons eigen kamertje en oma zelfs een balkon. Ze heeft er echter niet meer van kunnen genieten, want ze overleed vlak voor het huis werd opgeleverd.
Belast met mijn ouders erfenis Toen ik ouder werd, werd ik me ervan bewust welk een stempel de oorlogsjaren en het gedrag van mijn ouders op me hebben gedrukt. Hoe moeilijk het was me te bevrijden van gevoelens als angst, onzekerheid, verlaten worden, eenzaamheid en van het ‘mezelf onzichtbaar maken’, wat me zo eigen geworden was. Pas toen ik Ernst ontmoette, mijn huidige partner en net als ik een ‘gebrandmerkt kind’, durfden we de confrontatie met het verleden aan te gaan. In het voorjaar van 2002 bezochten we Bad Bevensen en vonden vrijwel onmiddellijk de school, die in 1944-1945 dienst had gedaan als vluchtelingenkamp voor honderden NSB-vrouwen en hun kinderen. Voor mijn ogen speelde zich een film af en voor een kort moment was ik weer dat kleine, eenzame meisje met haar teddybeer achter het raam van de ziekenboeg. Voorts bezochten wij het Rijksarchief in Den Haag, waar we de dossiers van onze ouders opvroegen die daar bewaard werden. Wat deze dossiers vertelden overtrof mijn somberste verwachtingen. Toch hebben die onthullingen me een gevoel van bevrijding gegeven. Ze vertelden me dat ik me niet had vergist, bevestigden mijn intuïtieve gevoel dat er meer aan de hand geweest moest zijn dan alleen de mededeling: ‘We zijn lid geweest, punt uit.’
Als kind moest ik boeten voor hun daden, werd ik belast met hun erfenis. Door de jaren heen is mijn opstelling naar mijn ouders toe niet veranderd. Ze trokken zich terug in hun geïsoleerde twee-eenheid en verdedigden het verleden door te zwijgen. Op zijn sterfbed waren mijn vaders laatste woorden: ‘Als je maar weet dat ik nergens spijt van heb.’ Hij stierf met gebalde vuisten. Na een lang verblijf in het buitenland ben ik teruggekeerd naar Rhenen, het stadje waar ik voor het eerst kind mocht zijn. De spreuk van Goethe boven de ingang van het vluchtelingenkamp zit er bij mij ingebakken: ’Nutze deine jungen Tage, lerne zeitig klüger sein.’
Dit verhaal is eerder verschenen in: Claudine Landgraf en Rosemarie Pfirschke, Kind in oorlogstijd. 13 Europese vrouwen en hun jeugdherinneringen aan WOII (Wormer 2007). Verschenen bij uitgeverij Inmerc.