Het begin
Ik was nog net geen 14 jaar, toen, in Juni 1944 het gerucht rondging dat de geallieerden in Frankrijk waren geland en dat zij er in waren geslaagd een bruggenhoofd te vestigen op bezet grondgebied. Onze radio had in die tijd de geest gegeven, zodat wij niet meer in staat waren heimelijk de geruchten bevestigd te krijgen via radio Oranje. Eindelijk zou dan het einde van de oorlog nabij zijn, zo luidde de algemene gedachte. Onder het Duitsgezinde bevolkingsdeel werd het al snel erg onrustig, want bij een mogelijke bevrijding zou er een "Bijltjesdag" komen, hetgeen zoveel moest betekenen dat er koppen zouden vallen. En dat niet alleen in figuurlijke zin, zo was de heersende gedachte!
Op 5 September van dat bewuste jaar 1944 was het dan zover: Dolle Dinsdag! Vrouwen en kinderen eerst! Nog zie ik op die bewuste middag zo'n W.A.-man in zijn protserige zwarte uniform met mijn vader in de vestibule staan praten. Dat beloofde niet veel goeds, want dergelijke figuren waren bij ons niet bepaald tot de vaste bezoekers te rekenen. We moesten weg en wel zo snel als maar enigszins mogelijk was. In de avond zou er een trein richting Duitsland in Hilversum stoppen om vluchtelingen mee te nemen naar veiliger oorden.
De opdracht was: één koffer per persoon en verder zoveel mogelijk kleding aan als je maar dragen kon. Het was niet verstandig speelgoed mee te nemen, want dat nam alleen maar plaats in, die nuttiger gebruikt kon worden. Als kind ervaar je bij zo'n gebeuren een zekere spanning en dringt de ernst van de zaak echter nauwelijks tot je door. Bij het inpakken van mijn koffer, die natuurlijk veel te groot was voor de zaken die ik tot mijn eigendom kon rekenen kon ik echter geen afstand nemen van mijn kunstschaatsen, vastgeschroefd aan een paar oude schoenen. Dat was mijn hele persoonlijke bezit! Van een oom had ik kort voor ons vertrek een paar nieuwe juchtleren hoge schoenen gekregen met van die dikke spekzolen. Helemaal blits en naar later zou blijken hebben die mij goede diensten bewezen tot na het einde van de oorlog.
Op reisOver was het met het veilige en beschermde leventje van het enig kind. Afscheid nemen van mijn “Oranje-gezinde” vriendjes was er evenmin. Daar was geen tijd meer voor. Zij zouden het de volgende dag wel merken. Vader bracht ons naar het station, want hij kon niet mee vanwege zijn kantoor dat hij niet in steek kon laten. De zaken moesten goed worden afgewikkeld. Afscheid nemen werd een vluggertje want de trein zou weer snel vertrekken. De treinen reden bij voorkeur in de nacht, vanwege het gevaar beschoten te worden door geallieerde jachtvliegtuigen. Zoiets was namelijk al eerder gebeurd met een trein die bij daglicht uit Amsterdam was vertrokken en bij Diemen werd beschoten, waarbij een flink aantal doden te betreuren was.
Tegen het krieken van de volgende dag passeerden we het station Bentheim vlak over de grens in Duitsland. Na een korte stop vertrok het hele spul verder Duitsland in, daglicht of niet. We waren immers veilig over de grens in het "beloofde" land! Nauwelijks enige kilometers verder werd de trein abrupt tot stilstand gebracht en uit het raam van onze coupé zagen we de machinist en zijn helper in paniek van de stoomlocomotief springen en roepen: "Fliegeralarm!!" Een Britse jager was zo correct eerst een waarschuwing te geven door laag en dwars over de trein te vliegen om de passagiers de gelegenheid te geven de trein te verlaten. Dat was bepaald niet aan dovemansoren gericht. Alle hens "van" dek dus! We lagen nog maar net met onze neus op de grond in een langs het spoor lopende greppel, en ja hoor, daar kwam de jager voor de tweede keer dwars over en schoot onze loc aan flarden. Nog zie ik van onder mijn arm de enorme stoomwolk tientallen meters omhoog schieten. Gelukkig kwam het vliegtuig niet meer terug; het karwei was gedaan.
Wel weet ik dat de mannelijke passagiers het een uitgelezen gelegenheid vonden zich weer eens met kwast, zeep en heet water te kunnen scheren, want dat laatste was er in overvloed. Een stom gezicht al die mannen rondom die loc met een bekertje en de scheerkwast in de weer met hun baard.
Hoe lang we daar hebben gestaan tot een andere locomotief onze trein weer in beweging bracht kan ik me niet herinneren, maar het leek wel een eeuwigheid. Onze magen begonnen dus ook danig te knorren, want voor eten van overheidswege kon hier niet gezorgd worden. Enkele mannen waren op verkenning gegaan en waren er in geslaagd bij een boerderij een zij varkensvlees op de kop te tikken. Onze allereerste "barbeque" in het nabij gelegen bosperceeltje!!
De bestemming's Avonds laat in het donker arriveerden wij op de geplande plaats van bestemming; een klein stadje Wittingen; ergens op het platte land, tussen Hamburg en Bremen. Op het stationsplein stonden een aantal platte boerenkarren om het volk naar een schoolgebouw in die stad te brengen. Eén van deze karren echter kwam uit een nabij gelegen boeren dorpje en het leek ons beter de grote meute vaarwel te zeggen en plaats te nemen op weg naar Suderwittingen.
Het dorp was eigenlijk niet meer dan een klein, met kinderhoofdjes belegd straatje, enkele boerderijen, een café en natuurlijk een piepklein kerkje. Aldaar werden we "ingekwartierd" bij een van de grotere boerderijen, een soort hofstede met een royaal binnenplein. Voor ons was een van grotere schuren als slaap- en eetruimte ingericht. In het midden een grote houten tafel met dito banken daaromheen. Langs de wanden een dikke laag stro, dat als slaapplaats diende, enige paarden dekens en een met stro gevulde linnen zak voor gebruik als hoofdkussen. Iedereen had zo'n 3 meter ter beschikking. Als afscheiding met de buren dienden de meegebrachte koffers. Moe van de reis sliepen we als rozen.
In een van de bijgebouwen was een kookruimte ingericht, annex waslokaal met een handbediende waterpomp waar je je kon wassen. Vrouwen en kleine kinderen eerst! Hoe de ingrediënten voor het eten bezorgd werden is mij altijd ontgaan. Ik had wel andere belangstelling zoals met de boer mee het land op en helpen bij het rooien van b.v. aardappelen. Tijdens de "lunchpauze" kwam de boerin met de maaltijd en een groot kleed waarop iedereen kon zitten. Nog herinner ik mij het zelf gebakken boeren brood dat de boerin zo tegen haar borst in plakken sneed. Varkens- of ganzenvet en een klein beetje zout er op: heerlijk!
Opnieuw op reisNatuurlijk kon dit leventje niet langer zo doorgaan, zo hadden de autoriteiten verordonneerd. Er moest gewerkt worden en wel zo snel mogelijk! De mannen werden te werk gesteld in de industrie en als zij geluk hadden kon dit bij voorbeeld in de nabij gelegen melkfabriek in Wittingen. De vrouwen moesten er ook aan geloven, maar dan moesten zij eerst verlost worden van de zorgen voor hun kinderen, waarbij een leeftijdgrens voor die laatsten werd gesteld op 13 jaar. Dat was volgens mij de leeftijd, waarop zij leerplichtig waren op de lagere school.
Zo ontving ik, alsmede een tweetal lotgenoten op een dag een heuse oproep om binnen een week te verschijnen bij een zogenaamd "Wehrertügigungslager", dat – naar later zou blijken een soort (her)opvoedingskamp was voor kinderen van 14 tot 17 jaar. (de categorie van 18 jaar en ouder was verplicht in het leger de dienstplicht te vervullen). Naar later zou blijken kon zo'n lager beschouwd worden als voorportaal van het leger, want de oefeningen weken niet veel van het "echte" werk af. Bij de oproep was een vervoerbewijs gevoegd alsmede een soort van doorlopende eetcoupon, waarmee je gratis kon eten als daar tenminste gelegenheid voor was. Plaats van bestemming: Seeboden bij Spittal, gelegen aan de Milstättersee in het uiterste puntje van het tegenwoordige Oostenrijk, dicht bij de grens met Joegoslavië. Niet bepaald naast de deur dus.
De eerst mogelijke trein vertrok uit Bremen, dat ik via Wittingen per trein kon bereiken. Maar eerst met de melkwagen ( dit keer met volle melkbussen) dus naar Wittingen om daar over te stappen op de trein richting Bremen. Moeder zag dit allemaal bepaald niet zitten. Het afscheid werd geen pretje, wat een understatement genoemd kan worden. Zoals gezegd reden de treinen bij voorkeur 's nachts vanwege het gevaar beschoten te worden.
Er moest kennelijk veel gereisd worden, want de treinen puilden uit van de passagiers, veelal militairen die om wat voor reden dan ook onderweg waren. Zitplaatsen in de coupés kon je als jongeling wel vergeten. Tussen de vele reisgenoten moest je dan een plekje op de grond in de gangen zien te vinden. En maar met die ellendige koffer sjouwen. Wat heb ik dat ding vervloekt! 's Morgens bij het krieken van de dag stopte de trein in een plaatselijk station(netje) en dan kon je even luchten.
Ook gebeurde het midden in de nacht dat de trein ver voor Augsburg stopte omdat je vanuit het raam in de verte kon zien dat er daar een flink bombardement was geweest. Een fel rode gloed boven de stad was het sprekende bewijs. Gelukkig was het station in deze grote stad gespaard gebleven en konden we daar vroeg in de ochtend aankomen. Dat bood ons de mogelijkheid iets te eten te bemachtigen, want onze magen konden wel weer wat gebruiken.
Kartoffelsuppe, waaraan we inmiddels al gewend waren, konden we krijgen op vertoon van onze eetvoucher. Ze hebben ons niet verwend. Zo vervolgden we onze reis naar het stadje Rosenheim, vanwaar wij met het lokale treintje naar Spittal reisden. Een schitterende reis door de Oostenrijkse Alpen. Hier was alles pais en vree en het geheel maakte de indruk dat er totaal geen oorlog was.
De aankomstIn Spittal werden we opgewacht door een militaire vrachtwagen die ons naar de plaats van bestemming bracht (Deutsche Gründlichtkeit ten top!). Seeboden werd het voorlopige eindstation, een gehucht tegen een berghelling, waar een soort barakkenkamp was ingericht en we de gelegenheid kregen eerst eens grondige schoonmaak te houden. Dat was beslist geen overbodige luxe want na ca.3 dagen onderweg geweest te zijn, zonder ook maar de geringste mogelijkheid tot een minimale wasbeurt, waren onze boordjes niet bepaald brandschoon.
Na de douchebeurt (van hooguit 3 minuten, want Ordnung muss sein” ) werden onze kleren uitgereikt bestaande uit een soort overall, hoge schoenen, een soort duitse jagerspet en een leren koppel, voorzien van de gesp "Gott mit Uns". Immers: oorlog voeren deden alle partijen met de bijbel in de hand. Geen leger zonder aalmoezenier of legerpredikant!
Je moest het eigen ondergoed en de blouses maar dragen, maar dat moest wel gemerkt worden om verwisseling tijdens de was te voorkomen. Onze groep bestond uit ca. 14 knullen in leeftijd variërend van 14 tot 17 jaar, allen afkomstig uit de kring van vluchtelingen. Als vertegenwoordiger van de groep moest een kameroudste worden gekozen, waarbij de keuze viel op iemand die echt de oudste was. De dagelijkse oefeningen waren op militaire leest geschoeid: veel lichamelijke oefeningen, marsen, "Hinlegen Aufstehen", wapenleer en heuse schietoefeningen met een klein kaliber (6 mm.) geweer op de schietbaan en niet te vergeten de nachtelijke droppings. Met behulp van kompas en de stand van de sterren moest je maar zien weer "thuis" te komen. Eigenlijk best wel interessant.
Ook werd het tijd een briefje naar beide ouders te schrijven, waarbij gebruik gemaakt kon worden van de gratis "Feldpost", de postafhandeling voor alle militairen. Dat dit bijzonder effectief was bleek uit de antwoorden van de ouders, die binnen ca. 1 week binnen kwamen.
Vader had inmiddels gezelschap gekregen van oom Gerard en samen trokken zij er met de fiets en het (zelfgebouwde) aanhangkarretje op uit om helemaal in Friesland wat eten bij elkaar te scharrelen. Onze trouwe hond Hertha had het ook niet zo best, maar leefde tenminste nog. Mij werd op het hart gedrukt vooral goed op mezelf te passen. Mijn konijnen waren inmiddels opgepeuzeld.
Moeder schreef dat ook zij inmiddels, na mijn vertrek uit Suderwittingen, was opgeroepen om de handen uit de mouwen te steken. Zij was overgeplaatst naar Wolfsburg, de plaats waar de fabrieken van Volkswagen waren (en nog steeds zijn). Zij was ingedeeld bij de afdeling Pantzerfaüste, waar zij moest helpen die krengen in elkaar te zetten. Wel wat ander werk dan wat ze gewend was als meewerkend echtgenote op het accountantskantoor. Bovendien adviseerde zij mij na beëindiging van het verblijf in Seedorf terug te reizen naar ons stekkie in Suderwittingen. Tegen die tijd zou er iets voor mij geregeld worden wat ik daarna zou kunnen doen.
In Seeboden was het inmiddels gaan sneeuwen, maar van echte wintersport was in die tijd geen sprake. De kinderen van de hoger gelegen boerderijen gingen met de slee in een rot vaart naar beneden, naar de school. Naar inschatting hadden ze na schooltijd tenminste een of twee uur nodig om lopend naar terug huis te gaan.
De “plicht” vervultNa ca. 6 weken eindigde onze "diensttijd" en wij keken er naar uit om weer te kunnen vertrekken. Maar zo eenvoudig zou dit niet gaan, zo bleek ons toen de bewuste dag van ons vertrek was aangebroken. Allemaal in gelid 's morgens tijdens het appèl, maar wel in onze eigen kleren.. De baas van het spul hield een korte toespraak en vertelde ons dat er nog goede mogelijkheden voor ons waren. Er was namelijk dringend behoefte aan manschappen, die na een korte opleiding dienst konden nemen bij de afdeling "Flak". Bij ons heette dat luchtafweergeschut.
Wie daar belangstelling voor had werd opgedragen, want verzoeken deed men daar niet, om naar voren te treden. Iedereen bleef echter stokstijf staan, met uitzondering van een mager knulletje, dat ons al eerder duidelijk had gemaakt dat hij bij zijn ouders toch niets meer te zoeken had. (gescheiden en massa's ruzie in de tent of iets dergelijks) Hoe het met die knul is afgelopen weet ik niet, maar ik heb zo'n flauw vermoeden dat het er niet best voor hem heeft uitgezien.
De "oogst" was dus bijzonder mager, hetgeen voor de "baas" aanleiding was ons voor lafaards uit te kafferen. Wel wilde hij ons nog één kans geven en mocht ook dit niets opleveren dan was hij genoodzaakt ons te laten overplaatsen naar nog veel strenger kamp en zouden wij de tocht naar het station in Spittal te voet en in marstempo moeten afleggen. Toen ook dit niet het door hem gewenste resultaat opleverde konden we onze koffers halen en aan de beloofde mars beginnen.
Wat heb ik die verrekte zware koffer opnieuw vervloekt en in het bijzonder die rotschaatsen die ik zonodig moest meebrengen. Maar weggooien kwam ook niet in mij op!
RetourAfgepeigerd kwamen we in Spittal bij het station aan en tot onze niet geringe verbazing kregen wij daar van de begeleiders onze vrijvervoerbewijzen met een geldige eetvoucher voor de terugreis naar onze plaats van vertrek. Men had simpelweg blufpoker met ons gespeeld!
Zo begon de terugreis naar Suderwittingen, die niet veel afweek van de ervaringen die wij op de heenreis hadden opgedaan. Opnieuw enige dagen onderweg. Tijdens de reis van Spittal naar Rosenberg door het mooie Alpenland hoorden we een aanzwellend en gierend geluid en van schrik doken we allen op de vloer van de coupé; je weet maar nooit! Loos alarm was het: een tegemoet komende locomotief had kennelijk een uitgelopen wiellager dat de oorzaak van het lawaai kon zijn.
Eenmaal in Wittingen aangekomen bofte ik dat ik weer met de melkkar kon meeliften naar het eindpunt van de reis. Het was inmiddels middernacht en in de grote schuur heerste absolute stilte. Iedereen was in diepe rust. Om niemand wakker te maken scharrelde ik in het donker zachtjes naar een vrij plekje op het stro en viel in een diepe slaap zoals ik in geen tijden had beleefd.
Volgende ochtend: verbaasde blikken om mij heen! Echter alleen van wat oudere vrouwen en een enkele man op leeftijd. Van het aantal oorspronkelijke bewoners was weinig meer over. De tewerkstelling had het aantal lotgenoten danig gereduceerd. Iedereen was verbaasd over mijn onverwachte terugkomst.
Het werd tijd om op te staan en mijzelf op een grondige schoonmaakbeurt te trakteren in het pomp- annex kookhok. Voor zover ik mij kan herinneren stond ik daar nog maar nauwelijks of de hele wereld begon om mij heen te draaien en was ik "van de aardbodem" verdwenen. Totaal uitgewoond, "total collapse" dus!
Hoe lang deze toestand geduurd heeft kan ik met geen benadering zeggen. Wat ik wel weet was, toen ik weer bij kennis kwam, dat moeder bij mijn bed zat met een dokter. Het zal wel een dag of misschien twee geduurd hebben. Tijdelijk verlof voor haar aanvragen, reispapieren in orde maken en dan nog de reis van Wolfsburg naar mij toe, dat doe je niet in een paar uur. Toen ik weer eenmaal op de been was keerde zij weer terug naar haar werk.
AugustendorfVoor mij werd de afspraak gemaakt door te reizen naar een tante die met haar jongens onderdak had gevonden in het plaatsje Augustendorf. Dit dorp, gelegen in een uitgestrekt moerasgebied met slechts een handvol boerderijen, bevond zich hemelsbreed tussen Bremen en Hamburg, in de buurt van Gnarrenburg. Onderdak vonden we in een piepklein schooltje met slechts 2 leslokalen,, waarvan er een voor ons was ingericht. Het hoofd van de school ene Herr Bastein woonde in het aangebouwde huis met echtgenote en zoontje (via via heb ik later vernomen dat hr. Bastein samen met enkele nog aanwezige mannen direct na afloop van de oorlog werden doodgeschoten door een op drift geraakte en dolgedraaide Russische bende ex-krijgsgevangenen die uit hun gevangenis waren ontvlucht)
Voor mij betekende het verblijf in Augustendorf opnieuw meewerken op het land en met de boer, boerin en gezamenlijk eten: gebakken aardappelen met spekkies! Nooit honger gehad dus. 's Avonds werden we uitgenodigd bij de dochter Gretchen Otten, een meiske van ca. 15 jaar om daar aan de keukentafel wat spelletjes te doen. Inmiddels was het omstreeks Maart/April 1945 toen het er naar uitzag dat Duitsland wel eens de oorlog zou kunnen verliezen. Mocht dat zo zijn dan hadden de autoriteiten er geen behoefte aan om ook nog verantwoordelijk gesteld te kunnen worden voor het aantal in hun land verblijvende vreemdelingen.
Terug naar NederlandWe moesten dus maar weer terug naar Nederland. Gevolg: op een zekere ochtend werden wij op een boerenkar naar het nabij gelegen stadje Gnarrenburg gebracht, waar een locomotief met slechts één goederenwagon voor ons gereed stond. Wel wat minder luxueus dan tijdens de heenreis, maar er lag tenminste een ruime hoeveelheid stro op de bodem. Een kleine deputatie was met ons mee gekomen om afscheid te nemen, waaronder Gretchen!.
Over de reis kan ik kort zijn: aankomst in de stad Groningen en na registratie met mijn tante en haar beide zonen in Scheemda bij particulieren (zeer tegen hun zin en begrijpelijk) ingekwartierd. Moeder was inmiddels ook in Nederland teruggekeerd en bij puur toeval via de administratie was zij tot de ontdekking gekomen dat haar zoontje in Scheemda zou moeten zijn. Op de goed geluk is zij op eigen houtje op zoek gegaan en warempel haar jochie weer terug gevonden. Wat een weerzien!!!
Omdat de inwoning in Scheemda voor ons allen niet toereikend was werden wij overgeplaatst naar het dorp Westerlee en ondergebracht bij een grote herenboerderij van de familie Engelkens. Hoewel de boer en boerin zeker geen sympathieën had met de Duitsers werden wij daar ruimhartig ontvangen. Wij kregen de mooie voorkamer en sliepen in de daar aanwezige bedstee, met donzen dekbed en schonen lakens!. Het zou ons daar aan niets ontbreken.
De boerderij lag aan de plaatselijke hoofdweg en achter het huis bevonden zich de bijbehorende landerijen tot aan een spoorlijn, ca. 1 km. van het huis. Omdat de oprukkende Polen dachten dat achter die spoorlijn zich mogelijk Duitse eenheden konden bevinden hebben zij hun geschut in stelling gebracht om daar een eind aan te maken. Wel beangstigend voor ons want de granaten vlogen met een gillend gegier vlak over onze boerderij. Boer Engelkens vond het raadzaam om met z'n allen in de aardappelkelder onder het huis te duiken om beschutting te zoeken: zandzakken voor de deur en de kleine raampjes van de kelder.
Het einde in zichtLang zou ons gezamenlijk verblijf daar niet duren. De Poolse brigade rukte steeds verder op; de Duitsers waren op terugtocht. Een ongeordende troep militairen met paard en wagen, sommigen op de (gestolen) fietsen en anderen sjokten er te voet achter aan. Verslagenheid al om, al leek het er op dat ook zij blij waren dat het er kennelijk binnenkort voor hun op zat. Tot zover hadden ze het vege lijf kunnen redden. Zo ergens in April 1945 werd Groningen bevrijd en daarmee brak een nieuwe episode in ons leven aan.
Moeder werd gearresteerd en met een jeep afgevoerd naar een klein schooltje. Wellicht dat zij bezwaar had aangetekend tegen het feit dat zij opnieuw van haar zoontje werd gescheiden, of het arrestatieteam had mij vergeten; ik weet het niet. Feit was echter dat men mij nog die zelfde middag ook kwam ophalen; per fiets nota bene, De dienstdoende ambtenaar, voorzien van een baret om aan te tonen dat hij gemachtigd was, wenste kennelijk geen flater te begaan, stuurde met één hand en met de andere hield hij mij stevig vast, bang als hij was dat ik mogelijk van plan zou zijn te vluchten. Nadat alle arrestanten waren verzameld werden we met een legertruck afgevoerd naar Scheemda, waar we werden ondergebracht in een grote loods van een of andere graanhandel. Opnieuw een bedje van stro en de koffers ter afscheiding met de buren. Op dat punt hadden we reeds de nodige ervaring opgedaan.
Aangezien, naar de mening van de autoriteiten op grond van mijn leeftijd, ik geen kwaad gedaan zou kunnen hebben werd het mij toegestaan vrij rond te lopen. De weg naar Westerlee was te voet best te doen en dus besloot ik het er op te wagen en boer Engelkens te vragen of ik overdag niet bij hun kon komen werken als hulpje en manusje van alles.
Ik kreeg een vaste taak toegewezen: kippen voeren en de paarden verzorgen en als de tijd daar rijp voor was helpen op het land.
Op 15 Augustus kwam boer Engelkens het land opgelopen en opgetogen vertellen dat Japan had gecapituleerd, waarop de knechten als uiting van hun vreugde hun petten in de lucht gooiden.
Terug naar HilversumVoor zover ik weet verbleven wij tot ergens in September in Scheemda toen wij per legertruck naar onze woonplaats werden getransporteerd. Daar aangekomen werden we weer geregistreerd, waar ik geconfronteerd werd met de toenmalige secretaris van mijn voetbalclub. Ik voelde mij bepaald niet op mijn gemak! Wat zou hij van mij denken? De man was als gemeente ambtenaar mede belast met een goede administratie van de teruggekomen families. Na deze ceremonie naar Naarden: de Weeshuiskazerne alwaar de minderjarige kinderen van de ouders werden gescheiden om vervolgens te worden overgebracht naar het toenmalige sanatorium Heideheuvel in de Hilversumse wijk Trompenberg.
Pro Juventute ontfermde zich over ons en mij werd als toeziend voogd een zekere heer van Asch van Wijk toegewezen. Ik kan achteraf zeggen dat die goede man zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt om mij behoorlijk te begeleiden en er zorg voor gedragen heeft mij ergens goed onder te brengen in een pleeggezin aangezien het verblijf in Heideheuvel slechts tijdelijk kon zijn. Uit gesprekken die hij met mij voerde bleek hem dat ik nog een oom en tante had en bovendien een groot aantal vriendjes in de directe omgeving van ons ouderlijk huis. Als vergoeding voor de opname van een kind werd het pleeggezin een zeker bedrag uitbetaald.
Om welke reden dan ook: ik werd ondergebracht bij de ouders van vriendje, schuin tegenover ons oude huis, dat inmiddels was "ingepikt", want zo voelde ik dat, door onze buurman die de huurwoning met het kantoorgebouw goed kon gebruiken als ruimte voor zijn praktijk als pedicure. Bij toeval kwam ik op een dag oog in oog te staan met deze heer, waarbij hij mij uitnodigde in "ons" huis een kijkje te nemen. Ik kon het niet en bedankte voor deze grote eer.
Mijn, bij ons inwonende oude opa was inmiddels bij dochter en schoonzoon ingetrokken en gelukkig hadden die "zijn" bezittingen uit de boedel kunnen redden, waardoor waardevolle familiezaken bewaard zijn gebleven. De rest van onze huisraad was namelijk geconfisqueerd en lag onder een afdak bij de glashandel, 4 huizen verderop. Ik kon er naar kijken maar durfde er niet aan te komen.
Vader was kort na de bevrijding opgepakt en opgeborgen in het kamp Ondertussen moest ik zien de draad weer op te pakken. Ik had de H.B.S. destijds onaangekondigd verlaten. Er bleef dus niets anders over dan mij met hangende pootjes op het privé adres van de directeur te melden met het verzoek of ik a.u.b. weer op school mocht komen. Als ik mij netjes zou gedragen dan kon ik komen. Ik voelde mij niet bepaald erg happy: beide ouders in het gevang, en een leef- woonomgeving waar geen warmte was. Ik voelde mij "Alleen op de Wereld". Als de nood het hoogst is, is echter de redding nabij.
Wat ik niet wist was dat een andere vriend met zijn ouders over mijn situatie had gesproken. Zij hadden tijdens de oorlog een neef als onderduiker onderdak verleend en blijkbaar was er nu plaats vrij voor een vervanger. Dus was ik van harte welkom en heb daar een fantastische tijd gehad. Het risico dat zij liepen om als middenstanders een "NSB-kind" in huis te nemen namen zij door mijn opname in de familie op de koop toe. Ik hielp 's Zaterdags bij het schoonmaken van de slagerij en haalde voor de koelinstallatie met de transportfiets zware staven ijs van de ijsfabriek.
Familie herenigdIntussen was er veel tijd verstreken om uit te zoeken of pa c.q. ma misschien toch ergens tijdens de oorlog iets fout hadden gedaan, hetgeen blijkbaar niet het geval was. Zij werden in vrijheid gesteld en mochten gaan. De familie werd herenigd, maar waarheen?
Gelukkig heeft dit niet lang hoeven te duren, want kort daarna werd ons het aanbod gedaan een riante kamer met grote serre en een grote slaapkamer op zolder te betrekken in een kast van een huis. Voor mij begon hier het nieuwe leven, voor mijn ouders brak een tijd aan van sappelen. Het kantoor bestond niet meer en de praktijk moest weer van de grond worden opgebouwd, het huis worden ingericht enz. enz. (al onze bezittingen waren immers totaal geconfisqueerd en bij het “Beheersinstituut” kon de minimaal benodigde huisraad worden opgehaald).
Het enige dat uit de voorliggende tijd was overgebleven waren schulden. Want alles was geliquideerd behalve de belastingen en niet te vergeten de kerkelijke "omslag", die beiden als een molensteen om de nek bleven hangen. Iedere maand verscheen de deurwaarder, die overigens zeer begripvol was en bereid was een gunstige afbetalingsregeling te treffen.
De contacten met de klasgenoten van de H.B.S. waren , wat mij betreft zeer afstandelijk. Ik kon niet inschatten wat zij van mijn achtergrond wisten en had er hoegenaamd geen enkele behoefte aan daar zelf mee op de proppen te komen. Bovendien kon ik voor de aangeboden leerstof, met uitzondering van de meer exacte vakken en sport, weinig belangstelling opbrengen.
Buiten school was voor mij "de beer los": voetbal, feesten, zeilen, zwemmen, boksen, judo in de sportschool noem maar op. Ik had een hoop in te halen en zou bij gevolg de 4e klas op het nippertje moeten doubleren, voldoende aanleiding om mij op te leggen dan maar een baantje te gaan zoeken, want men was niet langer van plan goed geld naar kwaad geld te gooien. Veel geld was er trouwens toch al niet!
Nu deed zich voor mij een unieke kans voor om met mijn vooropleiding op te gaan voor de opleiding als verkeersvlieger bij de K.L.M. Bij deze opleiding werden de kosten door de maatschappij betaald en de cursisten kregen daarbij ook nog voldoende zakgeld. Dat leek mij wel aantrekkelijk, dus snel aangemeld.: 1e gesprek, 2e gesprek en vervolgens een psychologisch onderzoek aan de Witte Vrouwensingel in Utrecht., allemaal met bevredigend resultaat. Het wachten was op een oproep voor een laatste heuse vliegtest. Intussen had moeder nogal wat bezwaren geuit tegen deze gang van zaken. Zij zag het bepaald niet zo zitten dat haar enig kind ooit ergens hoog in de lucht aan de gang zou zijn. Er ging in die tijd nogal eens wat mis met de vliegtuigen.
Aangezien ik er ook nog steeds niet volledig gerust op kon zijn dat ik wel degelijk het beoogde doel bij de K.L.M. zou halen en het risico van voortijdige afkeuring niet geheel uit te sluiten viel, had ik mij intussen - mede op aandrang van moeder – ook opgegeven voor de toenmalige M.T.S aan de Plantage Muidergracht in Amsterdam. Uiteindelijk heb ik voor de laatste mogelijkheid gekozen en deze zonder onderbreking volbracht. Het 3e jaar van deze opleiding diende een praktijkjaar te zijn, dat ik grotendeels doorbracht op scheepswerf E.J. Smit en Z'n in Westerbroek (Gr.)
Tijdens een van de zeldzame weekeinden thuis ontmoette ik bij de familie van mijn vriend ene Pauli. Zij was bevriend met Ali,de zus van mijn goede vriend. Eenmaal weer thuis heeft Pauli tegenover haar zus Wil kennelijk zo hoog opgegeven omtrent mijn persoontje, dat hieruit een contact is ontstaan dat tot op de dag van vandaag voortduurt.
Toen Wil haar ouders van onze relatie op de hoogte stelde kreeg zij van haar Pa te horen of zij wel wist dat ik de zoon was van een NSB-er. Haar vader had er namelijk al lucht van gekregen en via zijn zakenrelaties had hij reeds voldoende informatie verzameld. Zorgzaam als hij was wilde hij wel alle naadjes van elke kous weten. Het is verder ook nooit meer ter sprake gebracht.
En zij leefden nog lang en gelukkig!!!