Mijn kleine oorlog

1945, Lekkerkerk

Ons gezin woonde tijdens de gehele Tweede Wereldoorlog in Lekkerkerk, mijn geboorteplaats. Onze straat, in het buurtschap Opperduit, heette Scheepmakerstraat. Een toepasselijke naam, omdat vlakbij onze ‘schepen gemaakt’ werden op de werf van Duyvendijk, buitendijks gelegen aan de brede rivier de Lek.

Story Archive

Door de bezetter gedwongen werden er middelgrote boten voor de Duitsers geproduceerd. Steeds weer als zo'n schip bijna klaar was, werden de Engelsen ingelicht, en ja hoor, de RAF bombardeerde dan zo doeltreffend, dat er een grote schroothoop overbleef. Er vielen ook nog wel eens slachtoffers. In mijn herinnering herhaalde zich dit gebeuren elk half jaar. Als er weer een verdwaalde bom in het weiland viel, gingen mijn vader en ik scherven zoeken. Leuk voor een jochie van vijf of zes jaar, dat een zorgeloos leven had. Ook aan eten en drinken geen gebrek, met al die boerderijen om ons heen.   Nu hadden de Duitsers langs de Lekdijk, rondom de werf, tientallen schuttersputten gegraven, die eigenlijk alleen tijdens de luchtaanvallen gebruikt werden. Die putten waren zo'n anderhalve meter diep en voor mij en mijn vriendjes ideaal om verstoppertje te spelen.

Op een zonnige lentedag, de bevrijding was niet ver weg meer, had ik me weer eens onderin in zo'n put verstopt, toen er een bewapende soldaat met zo'n typische Duitse helm langs fietste. Hij moet mij opgemerkt hebben, want hij stopte en gebaarde me tevoorschijn te komen. Ik stond daar naast zijn fiets en zag , dat hij een vriendelijk gezicht had. Er zit een duidelijk ‘fotootje’ in mijn hoofd, dus ik weet nog precies hoe hij er uitzag. Op één of andere manier voelde ik totaal geen angst. Hij streelde me een paar keer door mijn lichtblonde haren en zei iets in het Duits, wat ik niet begreep.      Ik fantaseer er nog wel eens over. Zei hij: ‘Speel maar lekker verder, knul’  of misschien: ‘Ik heb ook zo'n mooi ventje thuis”.  We zullen het nooit weten, maar zoiets moet het geweest zijn. In ieder geval stapte hij weer op zijn fiets, zwaaide me gedag en vertrok.

Mijn moeder raakte bijna overstuur toen ik het haar vertelde. Ze zei: ‘Aart , het kan zijn , dat er ook goeie Duitsers zijn; , maar ze verbood me om nog ooit in die schuttersputten te spelen, en ik moest nog dichter bij huis blijven.

Een paar weken later zei ze opeens, dat de oorlog afgelopen was. Ik kreeg ook mijn vrijheid weer terug. Mijn ‘Kleine Oorlog’ was voorbij.