Tijdens en na de oorlog werden wij, mijn moeder, broers en zussen de paria’s van het dorp Ysselsteyn, terwijl mijn moeder zich altijd verzet heeft tegen de NSB. Het verzet tegen de Duitse bezetting en de NSB waren volkomen terecht. Ik keur de hulp die mijn vader aan de bezetter verleende ook scherp af. Maar toen de oorlog voorbij was gingen de mensen, die geleden hadden onder de bezetting, het zelfde doen met de NSB kinderen. Toen was het kennelijk hun beurt om te onderdrukken en te treiteren. Wat ik hier beweer kan hard aankomen en weerstand op roepen bij veel mensen, waardoor mijn verhaal misschien niet goed overkomt. Ik wil met mijn verhaal duidelijk maken hoe wij als kinderen na de oorlog hebben geleden. Het is al zo lang geleden, maar voor ons is het of het gisteren gebeurd is. Ik wil begrip voor mijn moeder, broers en zussen. Gelukkig waren er ook zeer wijze mensen. In 1943 bracht buurman Vergeld ons een baal rogge, die we fijn maalden in een koffiemolen, en in 1945 waren het mevrouw Vollenberg, mevrouw Van de Ven, mevrouw Linders en nog een paar andere vrouwen die mijn moeder steunden. Ook oom Van Rijswijk hielp, door het land voor haar om te ploegen zodat er gezaaid kon worden. Het merkwaardige was dat de mensen die zelf daadwerkelijk in het verzet gezeten hadden, het opnamen voor kinderen van NSB-ers.
Begin van de oorlog
Ik kom uit een gezin van elf kinderen en heb vijf broers en vijf zussen. Mijn oudste broer is kort na de geboorte overleden en een andere broer is overleden toen ik zes jaar was. De afgelopen jaren zijn er nog vier zussen en twee broers overleden. Ik ben de middelste van het gezin. De sfeer thuis is beklemmend, te vergelijken met de sfeer die zo treffend is beschreven door Franz Kafka in het boekje: ”Brief aan mijn vader”. Er heerste een mengeling van angst en ontzag voor mijn vader. Hij was een man die het moeilijk had met zichzelf en zijn omgeving. Mijn moeder was een evenwichtige, volwassen en lieve vrouw. Mijn ouders waren een van de eerste bewoners van Ysselsteyn, een nieuw peeldorp gesticht in de jaren twintig. Ze openden in 1933 een kruidenierswinkel. In de jaren dertig met de opkomst van Mussert werd mijn vader een enthousiaste aanhanger van de NSB. Veel boeren in Ysselsteyn liepen daar achteraan omdat ze in het dorp onrechtvaardigheid ervoeren in het beleid. Ze konden niet weten wat de gevolgen waren, dat konden ze niet overzien. Om de cirisis te bestrijden mocht de tweede groep boeren minder vee houden en produceren dan de eerste groep. Vader behoorde tot de tweede groep. In 1936 werd mijn vader gekozen tot leider van de actie groep, die zich verzette tegen deze in hun ogen onrechtvaardige regelgeving. Hij bezat de sociale vaardigheden echter niet om vorm te kunnen geven aan zo’n actiegroep en na drie maanden viel de groep uit elkaar. Die regeling is tot stand gekomen door dr. Poels. Als later die naam viel reageerde mijn vader alsof hij door een wesp gestoken werd. Voor zover ik begrepen heb was er in die tijd voor het nieuw gestichte dorp een regeling getroffen, waarbij alleen de eerste tien á twaalf boeren subsidie kregen. Men kreeg een lening van 8000 gulden en men moest zelf 3000 á 4000 gulden hebben. De eerste 10 jaar hoefde men geen rente en aflossing te betalen. Daarna werd de rente en aflossing 14% per jaar. De tweede groep boeren waar mijn vader toe behoorde kreeg een minder gunstige subsidieregeling. Mijn moeder zei dat mijn vader zeer slechte en onvruchtbare grond gekregen had. Na 9 jaar in 1930 heeft mijn vader de boerderij verkocht en heeft hij 500 meter verder een nieuw huis gebouwd, waar veel minder grond bij was. Daar heeft hij in 1933 een kruidenierswinkel geopend. Hij ging daar ook groente verbouwen die zaterdag op de markt in Helmond werd verkocht. Er ging in die tijd steeds meer een anti-joodse stemming heersen. Zo kende wij het spelletje “jud ophangen”. Je zet een lucifer rechtop en zet de andere schuin met de koppen tegen elkaar, je steek de lucifer aan (niet bij de kop) en als het vlammetje dan bij de koppen komt wordt de lucifer omhoog getrokken. Als kind van tien jaar oud begreep ik niets van de gedachte die achter dit spelletje schuil ging. Mijn vader was een onberekenbare man. Wij waren liever niet bij hem in de buurt. Als hij in de kamer was gingen wij naar de keuken en als hij in de keuken was gingen wij naar de kamer. Van het dienstmeisje heb ik later gehoord dat ik als kleuter van 4 jaar een heel vrolijk en open kind was. Op een dag stond ik voor het winkelraam te springen en te dansen van plezier. Mijn vader heeft me toen verschrikkelijk uitgelachen en bespot. Vanaf dat moment was mijn spontaniteit verdwenen, hoorde ik later van mijn moeder en de kinderoppas. Ik denk echter dat dit niet de enige aanleiding was. Een andere ervaring uit die tijd, die ik me heel goed kan herinneren, is van toen ik negen jaar was. Ik had een bananendoos vol luciferdoosjes gespaard, waarmee ik ‘s avonds in de hoek van de kamer speelde. Ik gebruikte de doosjes als een soort lego blokjes samen met kartonnen platen. Hiermee bouwde ik bruggen en bouwwerken waar ik met speelgoedauto over heen kon rijden. Op een zeker moment na het lezen van de krant gooide hij zijn schoen op mijn bouwwerk en de hele wereld stortte in. Hij lachte er ook nog vals bij, waarop mijn moeder zei: ”Waarom doe je dat?”. Op dat moment had ik in huilen moeten uitbarsten maar ik gaf geen kik. Vanaf die dag had ik bijna elke nacht een nachtmerrie. Pas op mijn dertigste heb ik hulp gezocht en werd het me duidelijk wat gebeurd was. De pesterijen op school, voortkomend uit het feit dat mijn vader NSB-er was, begonnen in 1941, toen ik twaalf jaar was. Dat bestond vooral uit negeren, najouwen en nawijzen. Ik kon geen vriendjes krijgen en stond altijd alleen. Die eenzaamheid was vreselijk. Dit heeft tot mijn 14e geduurd, tot ik naar het seminarie vertrok in Uchelen. Zelf begreep ik in het begin niet waar de pesterijen om gingen, mijn moeder zei: ”Zeg maar niks terug, dat maakt het alleen maar erger”. In 1941 ben ik ook misdienaar geworden en ik kon goed opschieten met de pastoor. Later ging het mopje rond dat de pastoor aan de kapelaan vroeg: ”Hoe vind jij zo gemakkelijk misdienaars?” De kapelaan antwoordde: ”In de tuin zaai ik elk jaar nieuwe misdienaars die ik in de herfst kan oogsten.” De pastoor kon namelijk maar moeilijk misdienaars vinden, hij was iemand van ‘mijn wil is wet’. Hij kon geen enkel compromis accepteren. Daardoor was hij niet geliefd bij de parochianen en bij de misdienaars. Toen de oorlog daadwerkelijk naderde was hij de eerste die vluchtte. De kapelaan, die veel geliefder was in het dorp dan de pastoor, steunde de parochianen en troostte de mensen als er oorlogsslachtoffers vielen. Als ik in de vakantie niet vlug genoeg thuis was van het misdienen in de kerk werd mijn vader woedend. Als ik dan vijf of tien minuten later op het land was om te helpen leverde dat wel eens klappen op van hem. Op een keer ging ik naar school en werd ik gevolgd door een heleboel kinderen die alsmaar liepen te schelden en te jouwen. Mijn vader stond toevallig thuis achter het raam en zag wat er gebeurde. Hij pakte de fiets, ging achter de kinderen aan, die daarop snel uit elkaar stoven. Dit optreden van mijn vader verbeterde mijn positie op school bepaald niet. In juni 1943 werden er in onze tuin pruimenbomen vernield, vermoedelijk door jongeren uit het dorp. Mijn vader ging naar de plaatselijke agent en zei: ”Als je dit niet goed uitzoekt dan ga ik naar de Ortskommandatur“. Hij noemde een paar namen van personen die hij verdacht, want hij dacht dat de Duitsers dit beter aan zouden pakken. De agent heeft die personen bezocht en deze jongeren duidelijk gemaakt welke gevaren er voor hen dreigden. Daarna is er ook niets meer gebeurd tot juli 1944, toen er een baksteen door onze winkelruit vloog. Door het gezegde van mijn moeder, zeg maar niks terug dat maakt het alleen maar erger, heb ik de gewoonte ontwikkeld niet voor me zelf op te komen. Later heb ik dat wel wat verbeterd, maar het lukt lang niet altijd en vaak reageer ik te laat. Op het einde van de lagere school, in 1943, heb ik tegen de pastoor gezegd dat ik pastoor wilde worden. Het verschil tussen alle soorten priesteropleidingen kende ik toen niet. Mijn vader wilde dat het een Duitse of Italiaanse orde zou zijn, het moest passen in zijn politieke gedachtegoed. Zo kwam ik op het seminarie van de Salesianen in Uchelen terecht. De pastoor zei: ”Zeg er maar niets van dat je vader lid is van de NSB, ik kom op een later tijdstip en zal het dan allemaal wel uitleggen.” Ik had geen moeite met het Spartaans regime dat er heerste. Wel heb ik in de eerste maanden vaak gehuild, hoewel ik geen heimwee had. Zelf denk ik dat het een opluchting was dat de pesterijen en het negeren gestopt waren. Omdat hier niemand wist dat ik een kind van een foute ouder was. Aan de andere kant zat ik met een groot geheim en voelde me een soort verrader. De lagere school van mijn Ysselsteyn had een laag niveau, het gevolg was dat het eerste rapport uit allemaal onvoldoendes bestond. Op het overgangsrapport van het eerste jaar stonden echter allemaal voldoendes. De achterstand had ik goed ingelopen en ik ging tevreden met vakantie. Mijn broer Jan werd door mijn vader gedwongen om ook bij de NSB te gaan. Op 27 mei 1943 kwam er een verordening van de Duitse bezetter dat alle jongens van 18 naar Duitsland moesten gaan om daar te werken. Mijn vader zei: ”Ik maak je lid van de NSB en dan hoef je niet te gaan.” Mijn broer durfde niet te protesteren, ik zou het ook niet gedurfd hebben. Ik kan nog precies de plek aan wijzen waar we buiten stonden toen dit gebeurde. Ik stond met gezicht naar het westen, vader naar het oosten en Jan naar het noordwesten. Zo moest mijn broer Jan ook elke avond mee op onderduikers jacht. In de herfst van 1943 heeft de ondergrondse een plan gemaakt om mijn vader en Jan te liquideren. De zoon van onze naaste buurman Vergeld zei: ”Als jullie dit doen stap ik uit de ondergrondse dit wil ik niet op mijn geweten hebben.” De aanslag is toch gepland maar op de avond dat de aanslag zou worden uitgevoerd kwam mijn vader niet opdagen. Als landwachter ging hij elke avond met een jachtgeweer op stap om onderduikers op te pakken, maar die avond ging hij toevallig niet op stap. Mijn moeder had als gelovige vrouw bij mijn vader een medaille van Maria in de jas genaaid, om haar te vragen haar man te beschermen.
Op de vlucht
Ik was inmiddels 15 jaar oud. Toevallig zou ik op ‘dolle dinsdag’ (5 september 1944) terug naar het seminarie in Uchelen gaan. Maar op die dag reden er geen treinen en ontstond er paniek onder de NSB-ers. Met een andere NSB-er uit het dorp werd het plan gesmeed om in de nacht van dinsdag op woensdag te vluchten. Hij kwam met een boerenwagen met vier rubberen banden. De hele dinsdag werd besteed aan inpakken en spullen verbergen. Vader verborg zijn administratie onder de mesthoop. Een dag later werd alles door de ondergrondse weer opgegraven en de stukken werden na de oorlog als bewijs gebruikt. Ook de voorraad van de kruidenierswinkel werd ingepakt, zelf heb ik nog een Chinese vaas en ander porselein in de grond verstopt. Wat wij niet wisten was dat de ondergrondse ons doen laten observeerde. Mijn oudere zus Mien wilde niet mee vluchten. Hoe de twist met mijn ouders verliep weet ik niet, ze is uiteindelijk wel mee gevlucht. Nadat alles was opgeladen, het paard ingespannen met daar achter een personenwagen Chevrolet, zijn we om half vier in de nacht vertrokken. De boer had zijn moeder ook meegenomen, ik denk dat zij in de zestig was. We zaten tussen de bagage en af en toe liepen we naast de wagen. Om elf uur waren we in Duitsland in Kaldenkirchen, waar de auto, paard en wagen verkocht zijn en wij op de trein zijn gestapt naar Mönchengladbach. Bij de verkoop moest de auto worden weg gebracht, en omdat er geen benzine in zat werd de auto in zijn vrij gezet. De weg liep naar beneden en er zat in bocht in. Ik stond op de treeplank en hield me vast aan het regengootje, terwijl de auto steeds harder ging. In bocht stond ik doodsangsten uit want ik kon me bijna niet vasthouden, met uiterste inspanning is het gelukt. In Mönchengladbach moesten we overstappen. We konden de bagage niet op tijd in de trein krijgen en mijn zus Truus en Jan reden met de bagage weg. Toen de trein vertrok stond mijn zusje Mien met grote angstogen voor het raam van de trein, verstard, als aan de grond genageld. Dit voorval kan ik mij niet zo goed meer herinneren, maar bij mijn zus Koos staat het nog zo helder voor de geest alsof het net gebeurd is. Later hebben we Truus, Jan en Mien weer gevonden in Düsseldorf. Hier kregen we eten uit een gaarkeuken, waaraan we de etenswaren uit onze winkel hebben weggegeven. Op het station in Düsseldorf nam ik de twee jachtgeweren op mijn schouders waarmee ik liep te paraderen over het station. Op een zeker moment werd ik aangehouden door een Duitse officier die iets zei wat ik niet begreep, dus liet ik hem zien dat de geweren niet geladen waren. Toen riep ik mijn vader en die moest de papieren laten zien waarna de jachtgeweren in beslag werden genomen. Ondertussen stond onze koe thuis de hele dag te loeien omdat ze niet gemolken werd. Harrie Vergeld, de zelfde jongeman die niet met de aanslag op mijn vader wou meedoen, heeft zich over de koe ontfermd. Hij vond dat het beest niet hoefde te lijden, omdat mijn vader bij de NSB was. We hebben overnacht op het station in de passage. De volgende dag gingen we met de tram naar een ander station in de stad. Wat ik nog weet van de stad Düsseldorf is, dat het een grote steenvlakte was van allemaal puin. Alleen de tramrails waren vrij gemaakt. Ergens stond nog een muur overeind van ongeveer 20 meter hoog en 4 meter breed en boven aan die muur hing een badkuip. Verder was alles verwoest. Nog steeds vraag ik me zo nu en dan af wat er met de mensen gebeurd is die deze badkuip gebruikten. Bij het station zijn we overgestapt op de trein naar Hannover en vandaar gingen we met de trein richting Hamburg. We zijn wel een beetje slingerend door Duitsland gereisd. Ik denk dat men ook niet goed wist waar ze ons moesten heen sturen. Bij het plaatsje Tosted, zo’n veertig kilometer voor Hamburg, zijn we opgevangen in de theaterzaal van Tosted, die ingericht was voor vluchtelingen.
Tosted
In het begin moesten we op het land aardappels rapen, samen met enkele andere mensen. Het was hard werken en ik kon de aardappelrooier niet meer goed bijhouden. Een Poolse vrouw schoot mij te hulp en deed een deel van mijn werk. Nog steeds ben ik haar dankbaar voor dat gebaar. Na ongeveer een week kwam er een Duitse officier naar de theaterzaal, bij wie iedereen zich moest melden. Vader werd naar de Volkssturm in Berlijn gestuurd, waar hij moest leren omgaan met de Panzerfaust . Jan ging ergens naar een legeronderdeel in Wurzburg. Daar is ook veel druk op hem uitgeoefend om toe te treden tot de SS maar dit heeft hij niet gedaan. Moeder mocht bij de kinderen blijven. Truus ging werken als huishoudelijke hulp. Mientje ging ook zoiets doen en Koos moest gaan werken in een fabriekje voor appelcider. Aan mij werd gevraagd wat ik wilde worden. In een flits dacht ik: bij een bakkerij heb je altijd wat te eten, dus koos ik voor bakker. Op de eerste dag dat ik op de bakkerij werkte, het brood lag klaar om in de oven geschoven te worden, vloog er een Engelse bommenwerper over, achtervolgd door een tiefflieger. De bommenwerper liet zijn bommen vallen en een bom viel vlak naast de bakkerij, op de plek waar een Poolse vrouw aan het werk was. Ze kreeg de bom letterlijk op haar hoofd. De baas zei later: “Het was maar een Poolse vrouw”. Ik vond dat verschrikkelijk, temeer daar een andere Poolse vrouw mij eerder zo goed had geholpen. Alle ramen vlogen eruit en het brood lag vol met glassplinters. De glassplinters werden er afgeveegd met de handstoffer en daarna werd het brood in de oven geschoven. In de bakkerij werkte ik samen met een Duitse leerling, dat ging eerst goed. Op een dag kwamen bij de bakkerij verschillende dozen met koekjes binnen. Dit was een zeldzaamheid. Toevallig moest ik de kelder aanvegen en terwijl ik bezig was kwam toevallig de vrouw van de baas langs en zei: “Je moet beter onder de kast vegen want daar ligt ook veel stof.” Terwijl ik onder de kast veegde kwamen er twee zakken met koekjes te voorschijn. De koekjes waren gestolen door het dienstmeisje en de bakkersleerling. Ze vroegen later aan mij of ik die koekjes aan mevrouw had gegeven, maar ik wist van de prins geen kwaad. Vanaf die dag begonnen er pesterijtjes. We moesten elke morgen om vier uur beginnen. Op een ochtend ontplofte bij mij de bom en ik greep mijn medeleerling in zijn nekvel en zei dat hij moest ophouden met pesten. De fransman, die daar ook werkte en een volwassen kracht was, pakte mij beet, gaf me een draai om de oren en zei: ”Bist du verrückt!” Ik begreep toen nog niet dat deze man mijn leven redde. Enkele uren later toen de baas aanwezig was zag hij de nagels van mijn handen in zijn nek staan, want het bloedde iets. Hij vroeg: ”Wat heb jij in je nek?” Hij antwoordde dat het niks was. Ik kneep hem als een oude dief, bang dat hij zou praten. De baas vroeg gelukkig niet verder, want een buitenlander die een Duitser slaat was in die tijd ondenkbaar. Het resultaat was wel dat we vanaf die dag goed met elkaar konden opschieten. De baas Ziebeck moest als er alarm was naar het station om het luchtgeschut te bedienen. Ik denk dat de baas ongeveer 40 jaar was, en doordat hij een functie had die van levensbelang was voor de maatschappij hoefde hij niet in dienst. Hij had een zoontje van ongeveer anderhalf jaar op een zekere dag hoorde ik dat hij tegen zijn vrouw zei: “Laten we Helmuth maar laten ruimen" . Het verbaasde mij dat zijn vrouw niet feller protesteerde. Na de oorlog, in de jaren 70, heb ik gehoord dat de verhouding tussen vader en zoon nooit goed geweest is. Helmuth is kunstenaar geworden. Zijn vader is in de jaren zestig aan een hartaanval overleden. Intussen was mevrouw Theunissen (de moeder van de boer die met ons gevlucht is) naar een bejaardencentrum gebracht en na het eerste griepje was ze dood. Ik heb het vermoeden dat hier euthanasie is gepleegd. Op een nacht zagen we in de verte een felle vuurgloed. Ik denk achteraf een bombardement op Harburg of Hamburg. Mijn medeleerling vertelde op een zeker moment, dat blindgangers werden opgegraven door mensen die ter dood veroordeeld waren, en dat zij daarbij ook veel slaag kregen om ze goed te laten voelen dat ze straf verdiend hadden. Zo werden ook de concentratiekampen gelegitimeerd. Als een blindganger ontplofte was het niet erg, want die mensen waren toch al ter dood veroordeeld. Dus voor zulke gevaarlijke karweien werden veroordeelden gebruikt.
Terug naar Nederland
In januari 1945 kwamen in Tosted veel vluchtelingen uit het oosten van Duitsland die op de vlucht waren voor de Russen. Hitler bepaalde toen dat de Nederlanders naar hun eigen land terug moesten. Zo werden we in enkele goederenwagons gezet, richting Groningen, omdat het zuiden al bevrijd was. De trein stond onderweg vaak stil omdat de rails gebombardeerd waren en weer gerepareerd moesten worden. Twee dagen later kwamen we in Winschoten Nederland binnen. Ik kan me weinig herinneren hoe we die twee dagen doorgebracht hebben in die goederenwagons. In Nederland werden we ondergebracht in een NSB-opvang, een soort hotel of school. Na een dag werd er gevraagd of iemand de wc schoon wilde maken. Mijn vader dwong mijn zussen dat te doen, hij wilde goede sier maken. Ongeveer na een week werden we overgeplaatst naar Assen, waar we een nette woning kregen. Achteraf denk ik dat het een woning van een joods gezin is geweest. Na ongeveer twee weken moesten we weer vertrekken naar Coevorden met de tram. Onderweg was er op een zeker moment paniek, toen er een tiefflieger over kwam over en iedereen uit de tram vluchtte. Een invalide man kon zelf niet uit de tram komen en moest eruit gedragen worden, en zijn begeleider was nergens te zien. Hij begon te vloeken en ketteren, waardoor ik erg van streek raakte. In Coevorden kwamen in een schoolgebouw en kregen we eten uit de gaarkeuken. Mijn moeder kwam in het ziekenhuis te liggen, waarom weet ik niet. Na een paar weken kwamen de Canadezen dichterbij en mijn vader wilde weer vluchten. Moeder werd uit het ziekenhuis gehaald en wij gingen op pad naar het noorden. In het plaatsje Dalen stond bij de molen een kruiwagen. Mijn zus Truus vroeg aan een Duitse soldaat, die daar dekking zocht, of zij die kruiwagen mocht meenemen. Dat mocht. Lenie zei later: ” Truus, je mag toch geen kruiwagen stelen!” Truus antwoordde: ”Ik heb dat niet gedaan want ik heb het eerst aan die soldaat gevraagd.” Wij liepen daar midden op straat en de kogels vlogen ons om de oren. We zagen wel lichtflitsen maar we wisten niet dat het kogels waren. Wel hoorden we constant schieten, het mag een wonder heten dat er niemand van ons geraakt is. Mijn vader had wel door wat er gebeurde, hij was in dienst geweest tijdens de eerste wereldoorlog maar hij zei niets. Moeder ging op de kruiwagen zitten, maar na korte tijd voelde ze zich nog slechter en is ze weer gaan lopen. De bagage werd op de kruiwagen gezet wat wel gemakkelijker was. Moeder knapte weer snel op. We liepen elke dag zo’n 25 tot 30 km. Ik had een fietskaart van Nederland en zo konden we de weg vinden. Op de grens tussen Drenthe en Groningen ontmoette we iemand uit Helmond die mijn vader kende. Hij zei: ”Vergeet die hele NSB en ga naar de stad Groningen, in de Harmonie vangen ze vluchtelingen op uit het hele land.” Zo zijn we in de Harmonie in Groningen terecht gekomen, als gewone vluchtelingen, zoals er zovelen waren in die tijd. Ik dacht dat Groningen op 10 of 16 april 1945 werd bevrijd.
Bevrijding
Een dag na de bevrijding werden er al mensen opgepakt. In de Harmonie die heel erg vies was, heeft vader zijn NSB-papieren vernietigd en door de wc gespoeld. De wc was alleen maar een doorlopende varkensvoedertrog. De vloer van de zaal was bedekt met stro en de afscheidingen bestonden uit strobalen. Ik heb daar luizen opgelopen. Vlak bij mij in het stro lag een meisje dat was wezen stappen op eerste Bevrijdingsdag, midden in de nacht begon ze over te geven in het donker. De volgende dag stonk ik nog naar het braaksel. Na de bevrijding van Groningen zijn we op de derde dag vertrokken met de kruiwagen. Ik heb verschillende oranje speldjes voor ons allemaal gemaakt. Op straat was het groot feest, de Canadezen deelden chocolade uit. Toch gingen wij liever over binnenwegen, omdat overal BS-ers stonden te controleren. Een controle die ik me kan herinneren was die bij Coevorden. Ons werd gevraagd: “Waarom gaan jullie niet langs de kortste weg naar huis?” Ik vermoed dat wij geluk hadden bij de controles, omdat onze achternaam in onze geboortestreek eigenlijk verkeerd werd uitgesproken. Wij heten Philipsen, maar in Ysselsteyn zei men altijd Flipsen. Bij controles zochten ze dus de familie Flipsen. Ik denk dat het dus fout op de lijst stond. We liepen elke dag ongeveer 25 kilometer, regelmatig bedelend langs de deur om een boterham. ’s Nachts vroegen we bij een boer onderdak wat bijna altijd lukte. Vooral de kleine kinderen wekten vaak medelijden. Een keer kwamen we bij een familie in Assen in een grote schuur met lemen vloer terecht, de koeien stonden onder het zelfde dak. Voorin werd gekookt en gegeten. Maar de ontvangst was zo ontzettend hartelijk dat ik deze gastvrije mensen mijn hele leven niet kan vergeten. De volgende moeilijke controle was bij Westerbork (geopend op 26 april 1945), daar zaten al veel mensen gevangen die fout waren geweest. De gevangen moesten hardlopend op klompen en met gevangeniskleren aan, door het dorp rennen. Het zag er niet best uit. De foute Nederlanders werden hard aangepakt door de BS-ers en de bevolking en wij liepen dus ook het gevaar opgepakt te worden. Voor zover ik weet zijn er de eerste vier maanden na de oorlog zijn 89 NSB-ers omgekomen. Op het moment dat mijn vader uit het kantoor kwam, keek hij zeer gespannen. Hij greep de kruiwagen en rende bijna weg. Wat ze hem daar gevraagd hebben heeft hij nooit gezegd. Bij de IJssel aangekomen moesten we oversteken met een roeiboot, mijn moeder zei later dat ze daar doodsangsten heeft uitgestaan. Uiteindelijk zijn we naar Zevenaar gedirigeerd waar we met ddt-poeder werden ontsmet. In de truck naar Zevenaar zat ook een man die uit het concentratiekamp kwam. Hij zei: “Als ik wist dat hier NSB-ers bij zaten, dan zou ik ze met een touw aan de vrachtwagen binden en ik zou er met plezier naar kijken.” Als jongen schrik je, zwijg je en laat je niet merken wat je voelt. Je stelt je alleen voor dat je achter die vrachtwagen bungelt. We hebben in Zevenaar meer dan een maand gewoond. Het was voorheen het jongensinternaat van Zevenaar, nu was het gesloten wegens oorlog- omstandigheden. Op een dag moesten we ineens opstappen, in een militaire truck en gingen we naar Venlo.
Bijna thuis
In Venlo werd Huize Nazareth ons opvanghuis. We kregen er elke morgen biscuitpap. Mijn vader zat vaak de hele dag in een hoekje weggedoken en op een middag was hij plotseling verdwenen. Mijn moeder is hem toen gaan zoeken, uiteindelijk vertelde iemand dat hij opgepakt was. Die dag kon mijn moeder hem niet meer bezoeken. Een paar dagen later lukte dat wel, hij was toen wel bont en blauw geslagen. Hij kwam uiteindelijk in de gevangenis terecht. Enkele weken later stond er weer een legertruck voor ons klaar om ons naar Ysselsteyn te brengen, onze geboorteplaats. Daar aangekomen bleek ons huis bezet te zijn door een boer, wiens boerderij in de oorlog flink was beschadigd. De winkel was bezet door een bakker. De boer wilde ons niet binnenlaten. De kinderen van die boer hebben mijn zusje en jongste broer later flink gepest. De chauffeur zei dat de boer ons moest binnen laten, omdat het huis van ons was. Toen maakte een uniform nog veel indruk en konden we het huis binnengaan. Maar al gauw kwamen er BS-ers, die zich er mee bemoeiden, en na veel gesteggel werden we naar een andere boer gestuurd, die NSB-er was. Hij moest ons maar onderdak geven, zeiden de BS-ers. Ook begonnen ze mijn moeder er van te beschuldigen dat ze naar de NSB-vergadering was geweest. Hoewel het, in onze ogen, een beetje een asociaal gezin was hebben ze ons toch onderdak gegeven. Naar men zei zou hun dochter met de fransman, die bij mij in de bakkerij werkte, gevreeën hebben. Het zou gebeurd zijn tegen de muur van de bunker in Tosted. Nu zij zwanger bleek te zijn werd zij de paria van het dorp. Het kind is in augustus geboren en direct na de geboorte door de moeder gedood. Bij de bevalling was niemand aanwezig. De moeder moet wanhopig geweest zijn, omdat het kind van een dochter van een NSB-er nooit door de gemeenschap zou zijn geaccepteerd. Dit laat de tragedie zien van de kinderen van NSB-ers. Het was niet prettig dat we bij deze familie onderdak moesten vragen. Wel kan ik heel veel waardering opbrengen voor deze familie dat ze ons gratis onderdak gaven, we zijn daar enkele maanden gebleven.
Weer thuis
De wethouder en de pastoor van het dorp hebben er hun best voor gedaan dat we weer terug konden naar ons eigen huis. Tevens heeft hij de boer er op aangesproken dat zijn kinderen mijn zussen en broer zo pestten. Moeder had dit overlegd met de wethouder. Moeder schaamde zich rot want zij was een keurige huisvrouw maar hier liepen de kippen en de kat door de keuken en de kippen poepten op het aanrecht wat mijn moeder vreselijk vond. Met de zoon van die familie heb ik veel met oude munitie gespeeld, met buskruit kon je heerlijk knallen zoals glazen flessen laten ontploffen. Je moest niet te veel knallen want dan kwam de politie kijken. Gevaarlijk was het natuurlijk wel maar dat besef je niet in die leeftijd. De pastoor vroeg me of ik weer misdienaar wilde zijn, wat betekende dat ik dagelijks in de kerk moest zijn. Dat deed ik, omdat ik ook de priesteropleiding wilde gaan doen. Moeder wilde dat het land weer bewerkt werd en een oom heeft toen het land omgeploegd. Bij een buurvrouw ging ik om pootgoed vragen; eerst wilde ze weigeren maar toen zei ze: ”De vrouw en kinderen kunnen er niets aan doen wat er gebeurd is, dus die moeten er niet voor boeten.” Hiermee was er een begin gemaakt met de goodwill, die langzamerhand ontstond in het dorp.
Mijn leven na de oorlog
Ik twijfelde eraan of ik weer naar het seminarie zou gaan. Mijn moeder vond dat ik werk moest gaan zoeken als ik niet verder wilde studeren. De pastoor stelde voor dat ik een novene zou houden en na 9 dagen een beslissing moest nemen. Zo gezegd zo gedaan. De zevende dag van de novene kwam er een brief van het seminarie in Uchelen. Voor mijn primitieve geloof was het een teken van Boven, het bewijs dat ik weer naar het seminarie moest gaan. Men had van uit het seminarie al tweemaal eerder een brief gestuurd, die was steeds als onbestelbaar terug gekomen. Begin juli ben ik naar het seminarie gegaan. Maar het viel mij erg zwaar, andere leerlingen waren al langer bezig dat jaar. Nog steeds liep ik daar rond met een groot geheim. Op een zeker moment ben ik naar de rector gestapt en heb hem huilend verteld dat ik zoon van een NSB-er was. Waarom heb je dat niet eerder verteld, was de vraag. Ik zei dat de pastoor tegen mij gezegd had dat hij het zelf wilde komen, om het uit te leggen. Na twee dagen was ik geen priesterstudent meer want, werd mij gezegd, ik had te veel moeite met de studie. Terwijl ik in het eerste jaar goede resultaten had laten zien. Pas later besefte ik dat dit vreemd was. Jaren later heb ik bedacht dat de ware reden waarschijnlijk was, dat ik de zoon van een NSB-er was en zo iemand mag geen priester worden. In het seminarie ben ik toen begonnen met de opleiding van meubelmaker. In 1946 begon de congregatie met een technische school in Leusden, in het voormalige klooster, dat bezet was geweest door de Duitsers. Daar hadden we een leraar Nederlands die een boek wilde schrijven over het verzet in Twente, hij las elk hoofdstuk aan ons voor. Ter Schure heette die leraar. Hij was toen een aardige man, wat echter niet zo bleef. Later, als bisschop van ’s-Hertogenbosch, raakte hij besmet met het gif van de macht en was hij niet aardig meer. Door de verhalen van die leraar begonnen de gruwelen van de oorlog tot mij door te dringen. Ik begon te beseffen en te voelen dat het ook mijn schuld was dat de joden werden opgepakt, met alle gevolgen van dien. Zoals je ook wel eens hoort dat kinderen, die door hun vader misbruikt zijn het onterechte gevoel hebben dat het hun eigen schuld is. Op school waren in tijd ook veel kinderen uit Indonesië, die konden bij de directeur geen kwaad doen. Wij hadden daar de uitdrukking voor: een doosje tana en je bent de man (tana is bruine schoensmeer). In 1948 ben ik in het noviciaat van de congregatie ingetreden. Die intrede duurde een jaar. Van dat jaar heb bijna ik geen herinnering van mijn trauma. Na dat jaar in oktober ben ik naar Turijn in Italië vertokken om de meubelmakers opleiding te voltooien. Het begin was zwaar en moeilijk totdat ik er een paar vrienden kreeg. Het opgeruimde karakter van de Italianen deed mij goed. Het jaar 1950 was het heilige jaar en in Rome had men te weinig gidsen voor de catacomben. Zodoende ben ik enkele maanden gids geweest in de catacomben. In 1952 ben ik terug gekomen naar Nederland; ik werd hulpleraar aan de school van de congregatie in Leusden. Op het einde van het schooljaar werd de leraar ziek en heb ik de lessen toen waargenomen. Het schooljaar 1953 kreeg ik mijn eerste klas en ben ik begonnen met studie leraar bouwkunde. De school was ook tegelijk ook internaat. We hebben in die jaren zeer hard gewerkt. Van morgens zes tot ‘s avonds tien uur. Dit kwam doordat het een school was met internaat. We werkten zowel op school als op het internaat. Als ik ‘s avonds naar de cursus in Utrecht ging nam iemand anders waar op de slaapzaal. Huiswerk voor de cursus gebeurde veelal op zaterdag en zondag, hoewel het vaak moeilijk was om tijd te vinden om te studeren. Want ook op zaterdag en zondag waren de leerlingen aanwezig. In de vakanties werd er door de leraren en begeleiders een toneelstuk in gestudeerd. Ook waren de vakanties de gelegenheid om wat te verbouwen of op te knappen. De sfeer was goed, er heerste een soort van pioniersgeest. In die tijd kreeg ik steeds meer last van nachtmerries. Ik zocht hulp bij de psychiater en zijn conclusie was dat het te maken had met mijn ‘nare’ vader. Hij nam daarmee mijn vader af, wat me later weer is opgebroken is. Met 45 jaar kreeg ik een burnout. In die tijd maakte ik kennis met het boekje van Franz Kafka “Brief aan mijn vader”. Ik was geschokt, het tekende zo goed de sfeer van vroeger thuis. Al enkele jaren begon ik rond 5 mei last te krijgen van schuld gevoelens, en had ik moeite om tv te kijken als er iets over de oorlog werd gezegd. Dit is zo gebleven tot ik 56 jaar was. Toen kwam als een donderslag bij heldere hemel het besef, dat ik geen schuld had aan wat in de oorlog was gebeurd. Sindsdien heb ik er geen last meer van. Toen ik 52 jaar was ben ik uit het klooster gegaan, samen met een vriend. Daarna ben ik gelukkig getrouwd en word ik zeer gewaardeerd door mijn vijf stiefkinderen. Ook alle kleinkinderen vinden mij een leuke opa. Met sommige zwagers, die inmiddels overleden zijn, heb ik nooit durven praten over het feit dat mijn vader NSB-er was. Zelf vind ik dat ik van al mijn broers en zussen het beste door de problemen ben heen gekomen. Misschien dat mijn broer Harrie er nog beter doorheen gekomen is, hij had een gezin en was later populair in Ysselsteyn. Hij is zelfs uitgekozen tot Prins Carnaval van Ysselsteyn. Bij zijn plotseling overlijden was de kerk te klein en wilde men zijn vrouw aan alle kanten helpen.
Mijn vader (1891-1978)
Mijn vader is geboren in Oirlo in de boerderij die Valkenhorst heet. Veel weet ik niet van het gezin waarin hij geboren is. Losse opmerkingen van mijn moeder zijn me bijgebleven. Zoals: wanneer de kinderen de klompen van hun vader hoorde waren ze onmiddellijk stil. Persoonlijk heb ik het gevoel dat mijn vader altijd dacht: ik moet alles alleen opknappen en niemand wil mij helpen. Aan de andere kant wilde hij door niemand geholpen worden. Hij kon een charmeur zijn voor vreemden, maar niet voor zijn vrouw en kinderen. Hij wilde ook aardig gevonden worden door de omgeving. Na het huwelijk is hij gaan wonen in het pas gestichte dorp Ysselsteyn in 1921, daar kocht hij een boerderij. In 1930 verkocht hij de boerderij en heeft hij een nieuw huis gebouwd. Er was vijf hectare grond bij waar hij tuinbouw uitoefende. De opbrengst werd verkocht op de markt van Helmond. Ook heeft hij in die jaren een kruidenierswinkel geopend. Hij kocht een T-Ford die betaald is door de erfenis van mijn moeder. Moeder wilde het geld liever besteden aan de kinderen, die sliepen in primitieve bedden en op strozakken. De auto heeft volgens mijn moeder veel meer geld gekost dan dat hij opbracht. Met de T-Ford ging hij in de omliggende dorpen fruit en groente opkopen, die hij zaterdag op de markt ging verkopen. De Kristallnacht op 9 november in 1938 werd door mijn vader goedgepraat. Mijn moeder vond het verschrikkelijk. Mijn vaders typische commentaar was: “Geij begriept er niks van, geij ziet te stom”. Discussie gesloten. Tijdens ons verblijf in Tosted (september 1944 tot januari 1945), toen mijn vader naar Berlijn moest om een opleiding voor Volkssturm te volgen, was hij trots omdat hij de bolsjewieken ging bestrijden. Maar toen hij na een maand met verlof kwam was het net een puber die zijn moesie gemist had. Hij hing de hele dag om mijn moeder heen. In de jaren 41-45 werd mijn vader steeds fanatieker; zo ging hij bij de landwacht (een onderdeel van de NSB) waardoor hij een jachtgeweer kreeg. Hij ging bijna elke avond op onderduikersjacht, mijn broer moest met hem mee. Volgens het proces dat na de oorlog speelde, heeft hij op een avond op een onderduiker geschoten. Volgens mijn broer heeft hij niet geschoten, maar heeft een collega landwachter in de lucht geschoten. Na de oorlog werd mijn vader voor poging tot moord veroordeeld tot 20 jaar. In de krant waarin verslag wordt gedaan over dit proces, staan twee rechtszaken naast elkaar. In de ene zaak gaat het om iemand die een moord gepleegd heeft en 12 jaar krijgt. In de zaak van mijn vader gaat het om een waarschuwingsschot, waarvoor de aanklacht poging tot moord was en hij dus 20 jaar kreeg. Mijn vader verkeerde in de naïeve veronderstelling dat, als de pastoor op de preekstoel maar vergiffenis voor hem vroeg aan de mensen in Ysselsteyn, hij zo terug zou kunnen komen. Mijn moeder moest dit aan de pastoor gaan vragen. Terwijl hij nota bene bij het proces veroordeeld was tot 20 jaar gevangenis. In de gevangenis in Leeuwarden ben ik een keer bij hem op bezoek geweest samen met mijn moeder samen. Het enige commentaar dat we toen van hem kregen was: de kippen verzorg je niet goed, elektriciteit had je niet mogen nemen, je wordt opgelicht, water mag je ook niet nemen en tabak mag je ook niet verbouwen enzovoorts. Na een half uur was het bezoekuur om. Toch ging mijn moeder hem elke maand hem opzoeken, ondanks de hoge reiskosten en het gemopper. In 1952 kreeg hij een hartaanval in de koepelgevangenis in Breda. Persoonlijk denk ik, was hij toen maar overleden, dat had ons later ontzettend veel leed bespaard. Met de algemene amnestie in Nederland in 1955 is mijn vader weer vrij gekomen. Thuis dachten ze dat hij nu wel veranderd zou zijn. Maar ze kwamen van een koude kermis thuis, binnen enkele dagen was het weer hommeles. Van de AOW, die in die tijd nog aan de man werd overgemaakt, weigerde hij ook maar een cent aan moeder te geven voor het huishouden, met het motief dat ze het toch maar over de balk gooide. Hij vereenzaamde in het gezin, dit speelde al toen ik klein kind was. Als kind probeerden hem op alle mogelijke manieren te ontwijken en dat gebeurde nu ook weer, daardoor vereenzaamde hij steeds meer. ‘s Middags ging hij een uur slapen, heerlijk voor ons want dan konden wij spelen naar hartenlust. Als moeder na zes uur zei dat ze nog bonen moest plukken voor het eten van de volgende dag, gingen we met plezier naar het veld om bonen te plukken, terwijl ik er eigenlijk een hekel aan had om op het land te werken. Een klacht indienen of hulp vragen was niet mogelijk; als er iemand van de hulpverlening kwam werden ze door de charme van mijn vader volkomen ingepakt. Hij verbouwde groente en zei dan: ”Ik heb nog een mooie bloemkool voor je.” Ook neven en nichten vonden hem aardig. Hij was altijd heel charmant voor iedereen, behalve voor zijn vrouw en zijn kinderen. Uiteindelijk is hij opgenomen in een verzorginghuis. Na het sterven van mijn vader heb ik de kerkdienst samengesteld. Ik heb gebruik gemaakt van de tekst uit het Lucas evangelie over de tollenaar Zacheüs. Hij nodigt de tollenaar (foute mensen) uit om uit de boom te komen, omdat Jezus met hem wil eten. De pastoor begon de preek met: “Iedereen weet wat er gebeurd is in het leven van meneer van Philipsen”. Hij deed een oproep om mijn vader niet te veroordelen. Veel kerkgangers belden later de pastoor op omdat ze zeer boos waren, omdat hij dingen opgerakeld had en omdat zij niet begrepen dat ze niet mochten oordelen. Neven en nichten begrepen ook niet waarom wij unaniem mijn vader een nare man vonden, want zij vonden hem aardige man. Nog niet zo lang geleden vroeg een oud collega naar aanleiding van mijn verhaal, of mijn vader misschien last had gehad van NPS (narcistische persoonlijkheidsstoornis) Tevens gaf hij mij een lijst van symptomen die bij NPS horen. Het gaat om de volgende kenmerken: - gevoelens van grootsheid en eigen belangrijkheid (overdrijven van bijvoorbeeld prestaties, talent, kennis, contacten en persoonlijke eigenschappen en eisen als superieur beschouwd te worden, ook als prestaties hiertoe geen aanleiding geven); - geobsedeerd zijn door fantasieën over succes, roem, (al)macht, genialiteit (het cerebrale narcisme), schoonheid of seksuele prestaties (de somatische narcist) of een ideale, blijvende liefde; - zich zelf zien als uniek en menen dat men alleen begrepen kan worden door even unieke en speciale mensen (of instellingen); - enorme behoefte aan bewondering, aandacht en bevestiging of gevreesd of berucht zijn. - geloven dat men meer rechten heeft dan anderen. Willen dat anderen zich aanpassen aan onredelijke verwachting van voorkeursbehandeling; - manipulerend en anderen gebruiken om doelen te bereiken; - een onderontwikkeld inlevingsvermogen. Geen rekening houden met behoefte of opvattingen van anderen; - vaak jaloers, wat gepaard kan gaan met woede. Dit leidt tot paranoïde wanen, vanwege denken dat anderen jaloers zijn en zich op de zelfde manier gedragen; - arrogant gedrag. Zich superieur voelen, boven de wet verheven en alom aanwezig (magisch denken). Kwaad worden bij tegenspraak door mensen die als minderwaardig worden beschouwd. Had mijn vader een narcistische persoonlijkheidsstoornis? Ik heb niet de medisch psychologische opleiding om dit te kunnen vaststellen. Wel herken ik de beschreven eigenschappen voor 95% terug in het handelen van mijn vader. Ook herken ik vele facetten terug uit de verhalen van mijn moeder. Ook mijn zus herkent veel terug in mijn vader. Ik kan het handelen van mijn vader niet vergeten. Dat hij gewelddadig was kun je niet direct beweren, Wel oefende hij een verstikkende psychologische druk uit. Ik ben niet haatdragend. Ik kan het nu wel begrijpen, maar vergeven weet ik niet. Hoe ik nu tegen hem aankijk? Ik vind het een miezerig, triest en zielig persoon, die niet in staat was om het leven vorm te geven. De reactie van het dorp Ysselsteyn en omgeving op het optreden van mijn vader spreekt voor zich. De ondergrondse maakte plannen om een aanslag te plegen, zo gehaat was mijn vader (de aanslag mislukte). Door deze vermeende stoornis van mijn vader is het hele gezinsleven verwoest.
Mijn moeder (1896 – 1973)
Mijn moeder kwam uit een warm boerengezin. Haar moeder overleed toen zij een jaar of elf was. Haar moeder werd geopereerd aan de galblaas in Maastricht, aanvankelijk was de operatie geslaagd maar later kwamen er complicaties waaraan ze is overleden. Vanaf dat moment zorgde mijn moeder voor het gezin. Koeien naar de wei brengen melken, koken, wassen enzovoorts. Moeder vertelde wel eens dat ze met de koeien over het spoor moest en dat ze doodsangsten uitstond, zo bang was ze dat er een trein zou aankomen. Hoe ze mijn vader heeft leren kennen weet ik niet. Moeder kon heel zuinig leven, ze kon van een dubbeltje een kwartje maken zonder de kinderen te kort doen. Ze hield het huishouden keurig bij en zorgde goed voor het gezin. Ik kan mij herinneren dat op een zeker moment iemand zei: ”Wat hebben jullie weinig vliegen.” Bij veel boeren zag je in die tijd dat de keuken zwart was van vliegen. Tijdens de oorlog begon de kruidenierswinkel steeds slechter te lopen omdat niemand meer bij NSB-ers wilde kopen. Moeder heeft er erg onder geleden dat de kinderen buiten hun schuld werden uitgesloten en gepest. Moeder was een gelovige vrouw en hield er min of meer het motto op na van een zin uit het Onze Vader: “Uw wil geschiedde”. Het leed werd er echter niet minder om. Op een dag zei mijn vader: ”Geij ziet te stom, Geij mot maar meegaan naar de NSB vergadering dan snap je het wel”. Voor de lieve vrede is zij één keer mee geweest, maar ze werd alleen maar versterkt in haar mening dat je daar het heil niet moest zoeken. Na de oorlog werd haar verweten dat ze pro NSB was omdat ze een keer naar de vergadering van de NSB geweest was; het tegendeel was waar. Gedurende het vluchten en alle ellende die dat met zich meebracht, heeft mijn moeder zich dapper gedragen. Na de oorlog, tijdens ons verblijf bij het boeren NSB-gezin heeft zij aan haar oom gevraagd het land om te ploegen. Moeder zaaide er tabak op, wat door sommige bewoners dom gevonden werd; die dachten dat de tabak het jaar daarna al lang van de bon zou zijn. Maar de tabak bleef dat jaar nog een schaars artikel, wat gunstig was voor de prijs. Pas het derde jaar is moeder er mee gestopt om tabak te verbouwen. Moeder probeerde de relatie met het dorp te herstellen. Zo ging ze op een dag met de boerenbond uit, maar in de bus wilde niemand naast haar zitten. Uiteindelijk kwam er gelukkig toch iemand naast haar zitten, mevrouw Vollenberg. Zij ging er van uit dat mijn moeder aan het hele gebeuren in de oorlog geen schuld had. Moeder is tot het einde van haar leven vriendin met haar gebleven.
In jaren dat mijn vader vast zat wist mijn moeder van het gezin een gelukkig gezin te maken. Op de bijgaande foto kun je dit duidelijk zien. Ik zelf sta er niet op omdat in die jaren niet thuis was. Met de algemene amnestie begon de ellende weer opnieuw, mijn vader kwam thuis. De vrede was van korte duur. Koos ging de strijd aan met mijn vader om zijn tirannie te breken. Uiteindelijk gingen zowel mijn moeder als mijn zus er aan onderdoor, evenals mijn jongste broer en jongste zussen. Mijn vader vereenzaamde thuis en ging zijn heil zoeken buiten de deur. Hij verzuimde daar niet bij mijn moeder flink zwart te maken. Op een dag had mijn moeder bijvoorbeeld de overhemden gewassen maar nog niet gestreken. Terwijl er nog gestreken overhemden in de kast lagen trok hij een ongestreken overhemd aan. Hij ging naar de familie en verkondigde daar dat zijn vrouw zo’n kreng was dat ze zijn overhemden niet wilde strijken. Hij vroeg of zij dat voor hem wilden doen. Toen moeder dit hoorde schaamde zij zich vreselijk. Op haar 65e kreeg mijn moeder darmkanker. Nadat mijn vader in het verzorgingshuis terecht kwam, is zij bij mijn zussen Koos en Sophie gaan inwonen, die in die tijd een huis gebouwd hadden in Deurne. Moeder heeft daar nog enkele gelukkige jaren gehad, tot ze op 72 jarige leeftijd overleed. Op haar sterfbed zei ze: ”Ik heb me in mijn leven zo ontzettend moeten schamen.” Wij durfden er niet naar te vragen, maar we begrepen wat ze bedoelde. Persoonlijk heb ik er veel moeite mee dat zij in haar leven zo onrechtvaardig is behandeld. De zin “Uw wil geschiedde” uit het Onze Vader maakt me nog steeds kwaad. In mijn ogen is haar strijdbaarheid in de kiem gesmoord, doordat ze er van overtuigd was dat wat haar overkwam de wil van God was.
Truus (1923 – 1976)
Truus was mijn oudste zuster. Ze was een spontaan meisje waar je veel mee kon lachen. Ze heeft de pesterijen op de lagere school niet meegemaakt. Moeder vond dat ze kan niet zo goed kon poetsen, dat deed ze met de franse slag. En als zij boodschappen deed was het huishoudgeld veel eerder op dan wanneer een andere zus boodschappen deed. In onze winkel werd ook brood verkocht. Truus moest twee of drie keer per week op de fiets brood halen in een naburig dorp. Het waren lange broden van 80 cm lang die ze in tassen aan het fietsstuur vervoerde. Vrienden kon Truus genoeg krijgen, want op een keer had ze met vier jongens afgesproken: op elke hoek van het huis stond een jongen. Hoe het precies afgelopen is weet ik niet. Later is er nog vaak over gelachen. Ook Truus moest op vrijdag bonen plukken, die zaterdag naar de markt gingen. Op een dag regende het en zij pakte een groot broeikasraam van 180 x 90 cm Ze legde dat broeikasraam op haar rug zodat ze niet nat zou worden tijdens bonen plukken. Mijn vader sliep tussen de middag altijd een uur en toen hij aan kwam lopen schrokken we, benieuwd hoe dat af zou lopen. Het commentaar was later: ”Stut mie die fots met un raom op der rug.” Truus is als dienstmeisje gaan werken in Venlo in het begin van de oorlog. De enige vraag die ze thuis kreeg was waar het geld bleef. Nooit vroeg mijn vader hoe het met haar ging. Op dolle dinsdag was Truus toevallig thuis en heeft ze fantastisch meegeholpen om de boel in te pakken. Ook onderweg naar Tosted was zij een stabiele factor. Met onze trektocht door Groningen, Drenthe, Overijssel, en Gelderland durfde zij het beste te bedelen. Mensen konden aan onze uitspraak horen dat wij uit het zuiden kwamen. Ze vroegen dan waarom wij gevlucht waren voor de bevrijders. Nu zou ik zeggen: een goede vraag. Destijds riepen zulk soort vragen bij mij schroom op om te bedelen. Truus was ook degene die de kruiwagen versierde tijdens de vlucht. Eenmaal weer in het geboortedorp is zij als dienstmeisje gaan werken, omdat pastoor Hillebrand dit wenste. Een man vinden was in deze omstandigheid, een meisje met een NSB-verleden, ondenkbaar. De pastoor heeft haar onder druk gezet om het klooster in te gaan. Uit eindelijk heeft ze dat gedaan. Ze is nooit gelukkig geworden in het klooster. Ze koos als naam zuster Magdala, een naam die, zoals ik later begreep, iets te maken had met het lijden van Christus en boeten voor de zonden. Zelf trek ik hieruit de conclusie dat ze zich mede schuldig voelde voor de fouten van vader. Voor haar zelf is het nooit duidelijk geworden met welke problemen ze kampte. Ook heeft ze niet de moed gehad om uit het klooster te gaan. Als de problemen haar te groot werden kroop ze in bed. Mijn zus is overleden doordat ze zonder te kijken de uitrit van het klooster uit fietste en daardoor door een taxi frontaal geschept werd. Ze was op slag dood. Ze was die middag bijzonder opgewekt aan tafel geweest. Ik denk dat ze besloten had er een punt achter te zetten. Bewijzen zal ik het nooit kunnen, maar ik denk zo. Toevallig liep ik met een vriend een paar honderd meter daar vandaan toen mijn zus aangereden werd. Toen we de klap hoorden zeiden we tegen elkaar: dat zal een flinke deuk zijn, niet wetende dat het mijn zus was. Ze is 53 jaar geworden.
Jan (1924-2009)
Jan vond ik als kind een leuke broer. Op 14 jarige leeftijd is hij bij een tuinder gaan werken. Later heeft deze tuinder een hele positieve brief over Jan geschreven voor het proces. Mijn herinnering aan Jan in de oorlog beginnen in de tijd dat hij in de arbeidsdienst moest. Ik ben daar eenmaal op bezoek geweest en ik herinner mij dat hij zei dat hij honger had. Verder weet ik nog dat ze liederen moesten zingen in gelid met de schop in de hand. Hij vertelde me korte tijd geleden dat de laatste dag een super zware dag was geweest, alleen hoefde hij die dag niet mee, omdat hij naar hij later begreep een zoon van een NSB-er was. Op 7 mei 1943 vaardigde Hitler een bevel uit dat alle 18 jarige mannen naar Duitsland moesten gaan om daar te werken. Een maand later kwam ook voor hem de oproep. Vader zei ik: maak je lid van de NSB dan hoef je niet naar Duitsland. Mijn broer durfde niet te weigeren en mijn vader tegen te spreken. Ik zou dat ook niet gedurfd hebben. Volgens mij hebben verschillende ooms hem aangeboden onder te duiken. Op de zelfde manier moest hij van zijn vader later ook mee met de landwacht. In Tosted werd hem gezegd dat hij zich moest melden bij een bepaald bureau. Daar werd volgens hem veel druk op hem uitgeoefend om zich bij de SS te melden. Dit heeft hij resoluut geweigerd, wel heeft hij toegestemd om bij aan- en afvoer te gaan werken (voedsel, kleding en uitrusting voor de soldaten). Op een bepaald moment moesten ze eten brengen naar een legergroep. De Duitse chauffeur ging, toen hij vliegtuigen hoorde, onder struiken en bomen staan. Zo kregen de soldaten geen eten. Later gaf de Duitser de schuld aan de Nederlanders. De Nederlanders werden voor een executie peloton gezet, maar uiteindelijk ging de executie niet door. Kort daarna kwam de bevrijding en konden de Nederlanders naar huis. In Limburg aangekomen is Jan opgepakt. Op het proces wilde hij wel erkennen dat hij fout was geweest. Zijn vader probeerde de schuld naar hem toe te schuiven volgens de krant. Toen hij weer vrij kwam is hij werk gaan zoeken en heeft een vakopleiding gevolgd. Kennis maken met een meisje was heel moeilijk. Op een zeker moment ging hij bij de ouders van zijn meisje om de hand vragen en haar ouders zeiden: ”Als je iemand vermoord had en dan om de hand van onze dochter was komen vragen hadden we ja gezegd, maar nu je lid van de NSB geweest bent gaat dit huwelijk niet door”. Van de lieve vrouw die hij nu heeft had de vader ook bezwaar, maar de dochter zei dat ze toch met hem trouwde. Later heeft haar vader het huwelijk van zijn dochter alsnog goedgekeurd en is hij bij zijn dochter en schoonzoon gaan inwonen.
Mien (1926- 1989)
Van Mien kan ik mij niet zoveel herinneren. Als kind en ook later was ze erg zenuwachtig. Ze tekende en kleurde graag. Ze had talent voor schilderen zoals later bleek. Als vader wat aan haar vroeg dan zag je dat ze in paniek raakte, waardoor ze niet verstond wat er gezegd of gevraagd werd. Zo kreeg ze de naam dove kwartel, terwijl ze helemaal niet doof was. Op latere leeftijd kreeg ze een gehoorapparaat dat ze na korte tijd in de hoek gooide. Met dolle dinsdag wilde ze niet meevluchten. Uiteindelijk is ze wel mee gegaan, maar ik kan me van haar niets herinneren van de tijd in Duitsland en latere trektocht door Nederland. Nadat mijn oudste zus Truus naar het klooster ging is zij later ook gegaan, niet van harte denk ik, maar onder druk van de pastoor. In het klooster werd ze erg opstandig, zodat ze buiten het klooster is gaan wonen. Ook heeft ze schildercursussen gevolgd en mooie schilderijen gemaakt. Ze is tegen dezelfde problemen aangelopen als Truus. Bijna 20 jaar geleden is ze door een verkeersongeluk om het leven gekomen, nadat een brommer door rood licht reed.
Koos (1927)
Koos is mijn oudere zus, zij was al van de lagere school af toen de pesterijen goed begonnen. Ze moest van haar vader na de lagere school als dienstmeisje gaan werken omdat haar vader centen wilde zien. Zelf was ze liever naar het vervolg onderwijs gegaan. Ze heeft zich bij haar eerste baan vaak erg eenzaam gevoeld. Met haar speelde ik vroeger veel samen, we hebben samen veel insecten gevangen. Krekels en grote groenen sprinkhanen kwamen rond ons boerderijtje niet meer voor, daarvoor moesten we op zoek gaan bij de buren. Ook vlinders als koninginnepages waren zeldzaam geworden. Tussen de middag als vader zijn middagdutje deed konden wij heerlijk spelen. Toen wij met dolle dinsdag vluchtten was Koos in Ysselsteyn. Na de oorlog heeft ze de gezinsopleiding gevolgd en enkele jaren in de gezinszorg gewerkt. Daarna in een wasserij waarna ze cheffin in en modemagazijn is geworden. Toen vader na de algemene amnestie weer thuis kwam brak er een moeilijke tijd voor haar aan. Toen vader opgenomen werd in een psychiatrisch huis heeft zij samen met haar zus Sophie een huis in Deurne laten bouwen. Moeder heeft daar nog enkele gelukkige jaren gehad. Koos zorgde ook voor haar jongste broer en zus die beschermd woonden. Ze kwam krachtig op voor de belangen van broer en zus. Koos heeft later een man leren kennen waar ze 5 jaar gelukkig mee is geweest hierna is hij overleden. Nu woont ze in een bejaarde woning.
Harrie (1933 – 1988)
Harrie heeft als eerste de pesterijen op school volledig meegemaakt. Hij kon met ontwapenende eenvoud iemand tegemoet treden. Maar tegen de pesterijen op school was geen kruid op gewassen. Zelfs de onderwijzer gaf onterechte onvoldoendes. Ook aan de plechtige communie mocht hij niet deelnemen. Na de oorlog is hij aan het werk gegaan en tijdens de diensttijd heeft hij een meisje leren kennen waarvan haar vader door de Duitsers was mishandeld. Voor haar vader is het verleden geheim gehouden; hij was al ziekelijk door de mishandeling in de oorlog. Harrie heeft twee dochters. In het dorp is hij heel populair geworden. Hij werd zelfs tot prins carnaval gekozen. Hij had een baan bij de gemeente en in zijn vrije tijd verbouwde hij groente, die aan de deur verkocht werd. Hij vond het heel erg toen zijn dochters op school werden uitgescholden voor NSB-ers. Zijn dochters waren op school ook graag gezien; ze konden overal aan meedoen en toch werden ze soms uitgescholden voor NSB-ers. Harrie is in 1988 plotseling overleden aan een hartstilstand. Bij de begrafenis was de kerk te klein. Zijn dochter, mijn nicht heeft vier kinderen en mijn andere nicht heeft drie kinderen. Dus ze hebben niet meer de naam van haar vader, wat niet wegneemt dat zelfs zij er bijvoorbeeld op school nog steeds mee geconfronteerd worden. Mijn andere nichtje kreeg bij haar huwelijk ook problemen, totdat de vader van haar man zei: ”Dat haar grootvader fout is geweest, daar kan de kleindochter niets aan doen.” Zij heeft nu een andere naam, waardoor ze er in de nieuwe woonplaats geen last meer van heeft gehad.
Herman (1935 – 2008)
Herman heeft de pesterijen op school met volle lagen over zich heen gekregen. Concrete feiten kan ik niet noemen, omdat ik in die tijd niet meer thuis woonde. Hij had het moeilijk op school, ook omdat hij geen briljante student was. Door bemiddeling van de pastoor heeft hij de schoenmakersopleiding gevolgd in een internaat in Nijmegen. Ik denk dat hij licht autistisch was, alles moest een strakke structuur hebben. Na het diploma ging hij bij een schoenhersteller werken. Hij had veel behoefte aan structuur, was een pietje precies en werkte daardoor niet snel. Ook de sfeer thuis maakte het er niet beter op. Herman begon steeds meer binnensmonds te praten, en dit werd steeds erger. Hij kon zich niet verwoorden en na een jaar kreeg hij ontslag en kwam hij in de sociale werkplaats te werken. Tevens is hij opgenomen in een project beschermd wonen. Hier heeft tot zijn pensioen gewerkt. In 2008 is hij overleden aan longkanker. Herman is vanaf de jaren ‘70 relatief gelukkig geweest.
Sophie (1936 – 2006)
Sophie was de zus die het meest geleden heeft door de gezin- en oorlogssituatie. Ze was zeer gesloten en vertelde thuis niets van wat haar over kwam. Moeder is op een zeker moment naar de wethouder gestapt om het probleem te bespreken dat Sophie en Lenie op school steeds gepest werden. Vanaf die tijd werd ze door de buurtkinderen niet meer uitgejouwd. Op school is ze wel eens tegen de muur gedrukt; hoever de handtastelijkheden gegaan zijn weten we niet. Ze werd er nachts incontinent van waarvoor ze zich ontzettend schaamde. Later is ze in de verpleging gegaan. Ze was altijd vriendelijk en voorkomend, maar haar leed hield ze altijd verborgen. Ze zou over niemand ook maar een kwaad woord kunnen zeggen. Na haar pensioen heeft ze een danspartner ontmoet, waarmee ze daarna heeft samen gewoond. Ze kreeg darmkanker maar niemand mocht het weten. Zelfs toen ze heel erg ziek was mocht haar vriend niet verder mee dan tot in de hal van het ziekenhuis. Ook hij wist niet meer dan dat ze kanker had, hoewel hij haar liefdevol tot het einde verzorgd heeft. Pas nadat ze gecremeerd was heeft de familie gehoord dat ze overleden was. Ze kon leed en verdriet niet met anderen delen.
Lenie (1938 – 2006)
Lenie was de jongste en kreeg als kind de volle laag van de pesterijen. In die dagen woonde ik niet meer thuis en heb maar flarden gehoord van de pesterijen. Lenie was ook niet in staat om zich thuis uit te spreken. Op latere leeftijd was ze, net als Herman, moeilijk te verstaan, wat contact met de omgeving sterk bemoeilijkte. Dat zij en haar broer allebei last kregen van onverstaanbaarheid had te maken met het feit dat wij thuis altijd zachtjes moesten praten in verband met mijn vader. Toen Lenie vastliep is zij op sociale werkplaats gaan werken, waar ze is gebleven tot haar pensioen. Ze kwam ook in een beschermd wonen project. Ze vereenzaamde daar ook heel erg en kroop de hele dag weg in haar bed. De hulpverlening was ook zeer matig. Op een zeker moment bracht ze haar uitkering onmiddellijk naar de kerk als ze die ontvangen had. Ook was ze er op een zeker moment van overtuigd dat ze zwanger was en ze begon haar eigen dieet te volgen. De gevolgen waren desastreus voor haar gezondheid. Ze was volgens mij erg ongelukkig. Ze is twee jaar geleden plotseling overleden.
Nawoord
Dit is het verhaal van ons gezin, beschadigd door de keuzes van mijn vader in de oorlog. De oudere kinderen hadden last van schuldgevoelens, en mijn oudere zussen maakten geen kans op een huwelijk en kwamen in het klooster terecht. De jongere kinderen zijn erg gepest op school, en waren niet in staat het verdriet daarover te verwerken. Twee van hen konden het gewone leven niet aan en moesten beschermd wonen en werken. De enige die echt een gezin heeft kunnen stichten is Harrie, en gelukkig ben ik in mijn latere leven ook getrouwd. Mijn nichtjes, de dochters van Harrie, worden ook nu nog geconfronteerd met het oorlogsverleden van hun grootvader. De een werkt in de bejaardenzorg en regelmatig wordt haar gevraagd: “Woa ziede geij drenne van?” Als ze erachter zijn uit welke familie ze komt wordt het stil. Pas geleden kwam het zoontje van mijn andere nichtje uit school en vroeg aan haar: ”Mamma, wat is een NSB-er? Op school zeiden de kinderen dat ik een NSB-er was.” Mijn nichtje schrok; verontwaardiging en boosheid maakten zich van haar meester. Het is onbegrijpelijk dat de achterkleinkinderen nog met de gevolgen van oorlog geconfronteerd worden. Dit illustreert goed hoe erg het moet zijn geweest voor de NSB-gezinnen in de oorlogsjaren en vlak daarna, en hoe lang de gevolgen voortduren... Vandaar de titel van mijn verhaal: “Mijn tachtigjarige oorlog “.
Leusden, 23 maart 2009