Mijn vader

Televisie aan, de werkdag is voorbij. Rust. Dr. Quinn loopt geëmancipeerd te doen in de 19de eeuw. O, het is dus zaterdagavond... Straks net als die bewuste avond, nu anderhalf jaar geleden, Karin Bloemen en Commissaris Rex...

Toen keek ik ook naar de televisie, het geluid uit, want anders zou mijn zieke vader er last van hebben. Ik herinner me ook de gedachten die ik had bij ‘Commissaris Rex’. Mijn verbazing over mezelf dat ik niet eens wist of hij elke zaterdag keek naar deze Duitse serie. Mijn schampere gedachte achter mijn verbazing aan: Natuurlijk wel, het is Duits en die herdershond die alles oplost... De leren laarzen ontbreken nog.

Zelfs kijkend naar zo’n onschuldige televisieserie voelde ik me weer in de klem: de man van wie ik in dit leven het meeste hield, lag boven in krampen verwikkeld op zijn bed. Ik wil hem sparen, hem beschermen, maar mijn cynische gedachten omtrent hem kiezen tégen hem.

Vandaag, op deze herfstavond in oktober, schrijf ik dit verhaal over mijn vader. Ondertussen staat inmiddels het journaal aan. Gelukkig, ik hoef niet meer bang te zijn dat mijn vader met mij over het nieuws wil discussiëren. Ik hoef mij niet meer te schamen over Clinton, over Kosovo, over ‘het zootje dat de zogenaamde goeden er van gemaakt hebben’.

Nooit hoef ik meer de huidige maatschappij, de economie, het streven naar democratie te verdedigen. Gelukkig, hij is dood. Nooit meer hoef ik hém te verdedigen.

Sinds kort weet ik dat ik vanaf mijn pubertijd de wereld en alle mensen erin verdedigde naar mijn vader toe en dat ik hem in bescherming nam naar de wereld toe. Het hoeft niet meer, het is voorbij. Ik mag denken en voelen over de wereld en de mensen zoals ik zelf denk en voel.

Hoe ik zelf voelde en dacht over mijn vader was gedeeltelijk onbekend, zelfs nog tijdens het schrijven van mijn boek. Met name de haat die ik voelde naar mijn vader toe was een onbenoemd gevoel. Ik wist dat ik hem liefhad. Ik wist ook dat dat eigenlik niet mocht, want van een SS-er mag je natuurlijk niet houden. Toch heb ik daar wel naar geleefd. Een televisieregisseuse zei zelfs dat mijn boek een grote liefdesverklaring was aan mijn vader.

Hij vond dat bepaald niet, maar durfde zijn boosheid niet naar mij te uiten uit angst mij te verliezen. Allen worstelden wij, mijn zussen en broer, om van hem te blijven houden en het leven voor ons zelf toch draaglijk te houden. Hij was aartsconservatief, er deugde nooit iets, de mensheid ging onherroepelijk ten gronde en als ‘ze’ nou maar gewoon zijn idealen gerealiseerd hadden dan zouden we nu leven in een vreedzame wereld met allemaal volmaakte mensen. Narcistisch heet zoiets. Fonetisch gezien hoef je maar één klank weg te laten, de r. Veel verschil zie ik niet tussen de zeer vele narcisten die onze aardbol bevolken en het nazidom: overcompensatie van minderwaardigheidsgevoelens, het vanzelfsprekend vinden dat je verzorgd wordt, al je wensen vervuld zijn voor je jezelf daarvan bewust bent en jezelf een zeer bijzonder mens vinden. Als de mensen nu maar net zo dachten, voelden en handelden als de narcist komt alles vanzelf goed.

Op een avond, een maand voor zijn dood, tref ik hem aan gebogen over zijn geliefde gedichtenbundel: Der Segen bleibt (Gerhard Schumann). Hij huilt. Op mijn vraag naar zijn tranen, zegt hij: ‘Waarom houden jullie niet van me? Had ik dat allemaal geweten... Waren we maar in Duitsland gebleven, dan hadden jullie al die afwijzingen niet hoeven mee te maken...’

Ik ben stomverbaasd. Hij heeft het begrepen! Het is ineens doorgedrongen. Tot nu toe ontkende hij alle negatieve gevolgen van zijn fout-zijn in de oorlog. Dit had ik allemaal maar verzonnen en alle hulpverlenende instanties hadden die ons aangepraat.

En opeens... Het is gezien, de spijt is betuigd. Nee, niet zijn schuld, maar dat hoeft niet meer van mij. Ik weet inmiddels dat ik geen schuld heb aan zijn keuze, dat ik zijn schuld op mijn schouders genomen had, omdat hij het niet deed en de ‘maatschappij’ die ook oplegde. Ik zelf heb die schuld afgegooid, dus hoefde hij van mij ook niets meer.

Ik zeg tegen mijn vader: ‘Ach, Pa, we vinden het soms moeilijk om met u om te gaan, omdat er in uw ogen nooit iemand deugt, maar we houden wel van u. Is dat niet triest? U denkt dat wij niet van u houden en wij denken dat u niet van ons houdt’. Getroffen kijkt hij me opeens recht in de ogen en schuift mij zijn gedichtenbundel toe: Der Segen bleibt.

Nog steeds staat de televisie aan, terwijl ik dit schrijf. Nee, niet Karin Bloemen dit keer, wel Brigitte Kaandorp: ’Zomaar een grijze dag in februari God heeft zich al weken niet laten zien. Ik denk ook niet dat Hij nog iets om ons geeft’.

Ook al zeer triest. Mijn vader stierf in februari, op die bewuste zaterdagavond, door mij niet opgemerkt, ook voor hemzelf onverwacht. Waarschijnlijk tijdens ‘Commissaris Rex’. Hij zou bij Brigit’s liedje een kort ironisch lachje gehad hebben. Nee, God gaf niets meer om hem, dacht hij. En hij gaf helemaal niets meer om God, dat moest God vooral niet denken dat Hij nog in zijn gunst stond na alles wat Hij hem aangedaan had. Hij zat net als Job op de door God aangerichte puinhopen. Hij zou Hem wel eens willen spreken daarover... En tegelijkertijd had hij zo’n diep verlangen naar de grote Vader...

Ik ben er van overtuigd dat hij diep in zijn hart wist dat hij alleen al door lid te worden van de Nederlandse SS een schuld had. Maar hardnekkig bleef hij z’ n idealen trouw. De Holocaust kon gewoon niet plaats gevonden hebben, want die paste absoluut niet in de hoog intellectuele lessen die hij en andere jongemannen van 17-24 jaar gekregen hadden van Himmler Himself. Hij moest hem wel blijven vereren. Hij zou anders zijn leven voor niets geleefd hebben.

En dan moet je kinderen hebben, die over jou praten in het openbaar, zelfs op televisie... Des te hardnekkiger beet hij zich vast in zijn idealen.

Dan, herfst 1996, wordt hij ziek. Alles is overleefd, de dood van zijn oudste kleinzoon, mijn boek, de dood van mijn zusje, mijn televisieoptredens en als dat alles doorwerkt is, is hij op. Wat er precies, fysiek gezien, aan de hand is, is onduidelijk. Wij, de kinderen, gaan steeds meer voor hem zorgen en weten dat zijn einde in zicht is.

Dan op een avond gebeurt er een wonder. Het is 28 januari. Mijn vader kijkt naar het journaal. Ik zit op het puntje van mijn stoel om weg te lopen zodat ik ook discussies over het nieuws ontloop. Auschwitz herdenking! Ik sta al bij de deur... Een joodse vrouw zegt: ‘En dan zeggen de mensen tegen me... wat handig, heeft u uw telefoonnummer op uw arm geschreven?’ Ik ga door de grond (de schuld aan de joden is kennelijk niet van mijn schouders af), maar mijn vader begint ijselijk sardonisch te lachen.

Een zwarte haat breekt uit mij los. Wat haat ik de nazi in hem! Ik zie die haat letterlijk als een zwarte, vlijmscherpe flard op hem afschieten en die slaat hem links en rechts keihard om de oren. Ik kan hem wel doden op dit moment. Wat er aan mij zichtbaar is, weet ik niet. Er wordt geen woord gesproken. Ik vervolg mijn weg naar de keuken om koffie te zetten.

De volgende dag als ik weer kom om zijn eten te koken, zie ik een ander mens in de grote stoel zitten. Hij kijkt me open aan met warmte in zijn blik. Een mens die vraagt hoe het met mij gaat, hoe ik denk over het huidige kleuteronderwijs, wat ik voel als ik als hulpverlener gesprekken heb met ‘andere kinderen van de oorlog’. Ik weet niet wat me overkomt...

Is dat die nurks? Hij praat over zijn kleinkinderen en ze hoeven niet eens meer naar de universiteit om toch door hem gewaardeerd te worden. Het bleef zo, híj bleef zo. Hij was een ander mens geworden, 12 dagen voor zijn dood. Hij is in staat een arm om me heen te slaan, zijn kleine kleinkinderen op schoot te nemen en zelfs lovende woorden te spreken over zijn buren. Hij is in staat de vader te zijn, waarvan ik wist dat die nog altijd in hem verborgen was. Eindelijk kon hij een liefdevolle vader zijn.

Hij heeft ineens beseft wat hij aanrichtte, heeft hij ineens begrepen dat Auschwitz bestond?

Ach, mijn vader, mijn lieve vader...

Zo verging veel onbegrip, miscommunicatie, misplaatste idealen, haat en andere menselijke tekorten...

Zo verging ook de ouderlijke schuld, de erfschuld, maar de vaderlijke zegen bleef.

En nu is het goed. De verre blik van de televisie heb ik niet meer nodig. Dit verhaal over mijn vader moest ik nog schrijven als een soort laatste hoofdstuk van mijn boek.

Boven en voor dit papier waarop ik dit schrijf staat een zeer grote lidcactus, een erfenis van mijn vader. Een vreselijke, schijndode woestijnplant. In zijn plotselinge onverwacht mooie knoppen groet mijn vader mij met iedere nieuwe bloem.

Wees gezegend en een zegen.

1998

Dit verhaal verscheen eerder in het Bulletin van Werkgroep Herkenning