Ode aan mijn Rudolph Hess

1945, Bandoeng

Nee, deze titel is niet grappig, maar ernstig gemeend. Het doet wat luguber aan, maar is alleen bedoeld om U over te halen deze bijdrage te lezen. Míjn Rudolph Hess redde mijn leven.

Story Archive

Het gaat hier werkelijk over een mijnheer Rudolph Hess, maar natuurlijk niet over de oorlogsmisdadiger die er in het algemeen mee bedoeld wordt.

Mijn mijnheer Rudolph Hess heette echt zo en heeft  in het Jappenkamp mijn leven gered. Hij deed dit samen met de kampapotheker, wiens naam ik helaas vergeten ben (Mijnheer Wijmer of Wijne).

Ik was een jongetje van 11 jaar toen ik van mijn moeder gescheiden werd en in het jongenskamp 15de bataljon in Bandoeng terecht kwam. Dat was voor ons beiden een absolute catastrofe, ik ben namelijk enig kind en we hielden zielsveel van elkaar.

Net als alle andere jongens had ik corveedienst. Meestal was dat op het land onkruid wieden. Soms at ik, door de honger, net uitgekomen maïsplantjes. Helaas werd ik door onze blokleider nooit uitgekozen om als corvee in de Japanse keuken te werken om daar gamellen met etensresten schoon te maken. Daar kon je je heerlijk vol eten, hoorde ik van de jongens die wel uitgekozen werden.

Ik had amoebe dysenterie en werd met de dag magerder. Omdat ik toen ook al een beetje een knutselaar was, kreeg  het in m´n hoofd om voor m´n moeder een paar slippers van hout te maken om ze na de oorlog als verrassing aan haar cadeau te doen.

We mochten eenmaal per dag naar het mannenkamp, en dus ging ik daar naar de houtzagerij om daarvoor een paar stukjes hout  proberen te bemachtigen. Ik keek daar door een raam, en zag een heel erg moeilijk kijkende mijnheer aan hout staan te schaven.

Ik durfde het eigenlijk niet, maar raapte alle moed tezamen. 'Mijnheer, mag ik U wat vragen? Kunt U mij misschien aan een paar houtjes helpen om voor mijn moeder een paar slippers te maken?'

De man keek op en vroeg aan mij  'Hoe heet jij ventje, en waar zijn je ouders?' 'Ik heet Kees Groot, mijnheer, en waar mijn ouders zijn dat weet ik helemaal niet.' Die mijnheer zei:'Loop maar even om het gebouw heen, en kom door de hoofdingang maar hier naar mij toe.'

Nadat ik hem alles over mijzelf had moeten vertellen, kreeg ik wel de twee stukjes hout, maar ik moest beloven de volgende dag weer voorbij te komen.

Toen ik dat natuurlijk gehoorzaam deed, stond er de volgende dag een glas met een wonderlijke drank voor mij klaar. Ik vond het wel een eng drankje, want er leken wel bewegende wurmpjes in te zitten. Ik dronk het met veel moeite op, het smaakte vies. Tot nu toe weet ik nog steeds niet wat voor een drankje dat geweest is.

Daarna kreeg ik de opdracht van hem, mij 's middags bij de mijnheer die over de kampapotheek ging, te melden. Daar werd ik ontvangen door een vriend en collega van deze mijnheer Hess uit de zagerij. Ik kreeg een heel groot stuk dengdeng (heerlijk gedroogd vlees) en wat fruit.

Deze apotheker vroeg aan mij wie mijn blokleider was, en of ik wel eens in de Japanse keuken corvee mocht doen om daar kookgamellen schoon te maken. Toen ik dat ontkende, zei de man niets, maar schudde alleen maar met z´n hoofd.

Ik kreeg ook van hem de opdracht, mij iedere dag weer in de zagerij bij mijnheer Hess te melden, mijn drankje op te drinken, en daarna weer in de kampapotheek bij hem dengdeng en fruit te komen eten.

En de volgende dag gebeurde er iets heel bijzonders. Toen de jongetjes aangewezen werden, om in de Japanse keuken corvee te doen, begon de blokleider met, jij en jij en jij ennnnnnnnnn jij. De laatste jij was ik. Een wonder. Ik geloofde het eerst helemaal niet.

Daarna was ik wel regelmatig op corvee in de Japanse keuken en kon me vol eten bij het gamellen schoonmaken. In de Japanse keuken was er een menselijke Japanse kok die ons jongetjes, met een nors gezicht en veel gebarentaal, stiekem weleens een echt bordje eten voorschotelde.

Hoe mijnheer Hess en de kamp apotheker dat voor elkaar hebben gekregen, is me zelfs nu nog een raadsel. Ik weet alleen dat de apotheker heel veel invloed had, omdat alleen hij over de laatste medicijnen beschikte die er nog in het kamp waren.

Toen de capitulatie een feit was, heeft mijnheer Rudolf Hess via het Rode Kruis mijn moeder op weten te sporen, die doodziek, in het Tjikini ziekenhuis in Batavia lag. Hij heeft mij toen op de laatste trein, bewaakt met overal Gurkha soldaten, tussen Bandoeng en Batavia gezet.

Dat was het verhaal over mijn Rudolf Hess. Als deze man er niet geweest zou zijn, had ik nooit deze postume dankbetuiging voor hem kunnen schrijven. Gelukkig heb ik nooit het contact verloren. Oom Ruud heeft mij ook later weer, samen met zijn echtgenote Tante Jopie, geholpen me in Nederland weer te integreren in het normale leven van na de oorlog.

En dat viel lang lang niet mee. Oom Rudolf Hess, nogmaals heel erg bedankt dat U mij het leven hebt gered.