Toen wij aankwamen op Ojiwan, Ojibway voor The Camp On The Bluff, zag Don, mijn ‘Canadese broer’ het direct: the dock is not in, de aanlegsteiger lag nog niet op zijn plaats, en het was al juli.
De dag tevoren hadden wij de as van mijn vader begraven; die hadden zij tot mijn komst bewaard. Na de begrafenis in kleine kring gingen wij, mijn broer en zus en hun moeder, mijn Canadese stiefmoeder, voor een paar dagen naar het buitenhuis van de familie, waaraan ik zovele dierbare herinneringen bewaar.
Op het eiland Manitoulin wordt het begin van het seizoen oudergewoonte gemarkeerd door de tewaterlating van de aanlegsteigers. De steigers zijn niet alleen nodig als aanlegplaats voor de bootjes maar worden vooral ook door zwemmers als springplank gebruikt. Warm it up for me!' zei mijn vader als ik weer eens verkoeling zocht in het wat'er terwijl het voor hem nog wat vroeg in het seizoen was. Hij dacht dat ik een vis was.
Het Manitou meer, het hart van het eiland, is de gehele winter bevroren. Het kruiend ijs zou vaste steigers kapot drukken; alle aanlegsteigertjes worden dan ook aan het eind van het seizoen binnengehaald en opgeborgen. Sommige oude steigers hebben twee grote wielen en worden als een buitenmodel kruiwagen het water in en uit gereden. Andere staan op ingenieuze in hoogte verstelbare poten. De onze bestond uit twee oude stalen schragen met daarop twee brede planken, de tweede rustend op het eind van de eerste. Tegen de zomer zette mijn vader, met hulp van één van mijn broers of hun zwager, wie er maar in de buurt was, de schragen nauwkeurig op dezelfde plaats in het dan nog ijskoude water. Het ijs wilde wel eens wat rotsen en stenen verschuiven; dan moest een kleinere vulsteen onder een poot van een schraag uitkomst bieden. Naast de steiger lag een simpele scheepshelling, met rails waarover de boot het botenhuis kon in- en uitrijden; nooit bleef de boot ‘s nachts te water; er kon immers altijd een flinke wind (a three day blow) opsteken en het kamp staat aan lage wal.
Mijn overgrootvader, een oil prospector van Schotse afkomst die zich na een verblijf in Perzië in Petrolia (!) had gevestigd, trok elke zomer naar het eiland, met het hele gezin (zijn Canadese vrouw, hun vijf zonen en een dochter) en niet te vergeten de meiden, en vele hutkoffers; het was een hele tocht per auto, schip en paard en wagen. Tenten, kano’s en boten bleven op het eiland achter tot het volgend jaar.
Ook vandaag de dag trekken velen elk weekeind naar hun huisje in Cottage Country, ten noorden van Toronto. Noorderlingen hebben het echter over hun camp. Eerst maakten zij permanente houten vloertjes voor de wegneembare tenthuisjes, later werden het houten huisjes, naast niet te vergeten een kookhuisje en een wc. Weer later werd een groter huis gebouwd, veelal een blokhut, als centrum van een zomers familiegehucht van tenten en hutten. Veel kinderen hebben vanouds een eigen tent of huisje. Rommelen met boten, zwemmen en vissen, vooral veel vissen waren het zomers tijdverdrijf. Merkwaardig genoeg zag ik er vrijwel geen zeilbootjes.
The dock is not in. Brok in de keel, Papa Bech is dood. Een zekerder bewijs van mijn vaders dood was er niet.