Oorlogsverleden - Het verhaal van een soldatenjongen

1940 tot 1945, Rotterdam

Mijn vader had in Rotterdam een goede betrekking als filiaalchef bij een winkel in herenmode genaamd “Au bon marché”. Deze winkel met filialen in Amsterdam en Den Haag was eigendom van een winkelier van joodse afkomst.

Deze pasfoto uit 1939 werd gemaakt voor het lidmaatschapsbewijs van de Jeugdstorm, maar zover is het nooit gekomen omdat toen de groep al ontbonden was.Deze pasfoto uit 1939 werd gemaakt voor het l

Het bedienend personeel bestond ook goeddeels uit joden. Toen het nationaal-socialisme van Hitler zich in Duitsland steeds meer verspreidde en uiteindelijk ook leidde tot de jodenvervolging aldaar, ontstond er een uittocht van joden onder andere richting Nederland. Ze kregen daarbij de hulp van reeds hier gevestigde familie en andere joden. Onder andere door het verschaffen van onderdak en werk. Zo gebeurde ook in de onderneming waar mijn vader werkzaam was. Hij kwam daardoor op straat te staan. Er heerste in die tijd grote werkloosheid en werk vinden was een hopeloze zaak. Het was een hele overgang van filiaalchef naar steuntrekker. Omdat wij in Rotterdam (Jonker Fransstraat, waar ik geboren ben) boven de winkel woonden, moesten we daar ook weg. Dat bracht een reeks verhuizingen op gang. Omdat de financiën steeds krapper werden moest er ook steeds goedkoper gewoond gaan worden in steeds mindere buurten. Tijdens dit proces kwam mijn vader in contact met een buurman die lid was van de NSB. Deze wist mijn vader te overtuigen dat deze partij zou kunnen zorgdragen voor het oplossen van de heersende maatschappelijke misstanden en werkloosheid. Dit speelde zich in de jaren voor 1940 af.

In 1939 ben ik lid geworden van de Jeugdstorm. Een uniform had ik niet want daar hadden mijn ouders het geld niet voor. Ik ging wel regelmatig naar de bijeenkomsten die gehouden werden in een ruimte in een oud pakhuis. Na het plechtig ten tonele voeren van de vlag (in de kleuren oranje, wit en blauw) werden spellen gespeeld. Geluisterd naar voordrachten en het zingen van liederen. Aan het einde van de bijeenkomst werd de vlag ook weer plechtig weggedragen. Met de groep werd in die tijd niet naar buiten getreden omdat dat veel te gevaarlijk was. Nadat de NSB een verboden partij werd is de groep ontbonden. Na de capitulatie is de groep opnieuw geformeerd en kon ook meer naar buiten worden getreden. De activiteiten bleven goeddeels hetzelfde maar er was wel uitbreiding aan gegeven. En de plaats van samenkomen was duidelijk beter. In de loop der jaren heb ik wel meegedaan aan de instudering van de Ruytercantate en ben betrokken geweest bij de uitvoering daarvan.

10 mei 1940

Op de dag van de inval van de Duitse legers in Nederland stonden ’s morgens al vroeg twee rechercheurs voor de deur die mijn vader meenamen zonder te vermelden waarvoor en waarheen. Later bleek dat hij in de gevangenis aan de Noordsingel was opgesloten. Tijdens het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 zijn op die gevangenis ook bommen terechtgekomen, wat kennelijk aanleiding was om alle gevangenen los te laten. Mijn vader is toen te voet in gevangeniskleren naar huis gelopen. Hij was psychisch volkomen van de kaart en het heeft wel even geduurd voordat hij weer de oude was. Gedurende de oorlogsjaren heb ik op de MULO gezeten, waarvan ik in 1944 het diploma –B heb behaald. Die periode is redelijk rustig verlopen ondanks dat er af en toe pesterijen waren en soms ook knokpartijen. Na het behalen van het diploma heb ik me in laten schrijven bij de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam, afdeling Werktuigbouwkunde . Het was de opstap voor de opleiding voor vliegtuigconstructeur.

Soldaat worden

Op (dolle) dinsdag 5 september 1944 kregen we een telefoontje dat we voor onze veiligheid geëvacueerd zouden worden. We moesten ons begeven naar het Maasstation waar een trein voor ons klaar stond. Mijn moeder, een jongere zuster en ik hebben daar gebruik van gemaakt. Mijn vader ging niet mee want hij vond het niet gepast om op de loop te gaan. Ook een oudere zuster ging niet mee want zij had verkering met een jongeman die niet erg sympathiseerde met de NSB en de Duitsers. De trein waarmee we vertrokken stopte uiteindelijk in Westerbork waar we de trein moesten verlaten en onderdak kregen in barakken. Het duurde niet lang of de jongens werden gescheiden van de vrouwen en meisjes die met een trein vertrokken naar veiliger oorden. Na enige tijd werden de overgebleven jongens en ik op transport gesteld en kwamen we in een kamp in Duitsland terecht. De kampleiding aldaar, bestaande uit militairen, begon al spoedig bij ons aan te dringen om toch maar dienst te nemen in het leger vanwege het feit dat we kost en inwoning (barakken) hadden en dat daar toch iets tegenover moest staan. De meesten hadden daar geen oren naar, maar allengs werd de druk opgevoerd en werden er steeds mooiere uitzichten voorgespiegeld. Op het laatst kwam men met een functie van Luftwaffehelfer aandragen. We zouden op plaatsen waar luchtafweergeschut stond opgesteld hand- en spandiensten gaan verrichten. Voor de laatste groep weigeraars, waaronder ik, leek dat acceptabel want er was geen sprake van SS. We hebben een of ander formulier ondertekend. We zijn daar mooi ingeluisd want we kwamen, na van kamp tot kamp verplaatst te zijn, uiteindelijk terecht in de SS-kazerne in Graz. Daar begon onder erbarmelijke omstandigheden een militaire opleiding om klaargestoomd te worden voor het front. In januari 1945 liep ik een dubbele longontsteking op. Die was kennelijk zo ernstig dat ik op bevel van de kazerne-arts spoorslags naar het ziekenhuis gebracht moest worden. In een vrachtautootje met open laadbak werd ik naar het ziekenhuis in Graz gevoerd. Het verplegend personeel bestond voornamelijk uit nonnen die van die mooie grote witte kappen droegen. Zij en de andere zusters hebben er alles aan gedaan om mij weer beter te krijgen. Dat is ze gelukt. Penicilline was er toen nog niet en daarom werd ik bij regelmaat stevig omwikkeld met warm gemaakte lakens. En dat heeft positief bijgedragen aan de genezing. Mijn verblijf in het ziekenhuis heeft mij behoed voor een bloedgroepentatoeage. Nadat ik medisch uitbehandeld was, was ik kennelijk dusdanig verzwakt dat ik niet direct terug naar de kazerne mocht. Wie daar beslissingsbevoegdheid in heeft gehad weet ik niet, maar ik werd overgebracht naar een Erholungsheim in het plaatsje Trofaiach. Tijdens mijn verblijf daar kreeg ik te horen dat mijn vader in Rotterdam op straat was doodgeschoten. Een verzoek om verlof werd niet ingewilligd. Op een gegeven moment werd ik toch weer KV (kriegsverdienstfähig) verklaard en teruggebracht naar de kazerne in Graz. Het regiment waar ik oorspronkelijk bij was ingedeeld was inmiddels vertrokken naar het front. Ik werd derhalve bij een andere groep ingedeeld en nam weer deel aan een militaire opleiding. De wapens die daarbij werden ingezet waren kennelijk overgebleven uit W.O.I. Na verloop van tijd vond de legerleiding het welletjes want er was waarschijnlijk weer behoefte aan ‘kanonnenvlees’. Wij gingen dus op pad met een kleine groep en met dezelfde aftandse geweren en zonder munitie. Dat scheelde wel sjouwen, maar daarmee de oorlog winnen lag ook niet erg voor de hand. Hoe lang en hoeveel dagen we gelopen hebben weet ik niet meer maar op een ‘goede’ dag (dat zal wel 10 april 1945 zijn geweest) kwam een motorordonnans ons vertellen dat de oorlog voorbij was. Vanaf dat moment was de groep stuurloos en ging ieder zijns weegs. Dat heb ik ook maar gedaan en toen ik langs de weg een betonnen paaltje zag heb ik daarop mijn geweer in tweeën geslagen. Dat scheelde weer in het gewicht dat je mee moest zeulen. Op een gegeven moment kwam er een keukenwagen aanrijden op de weg waar we liepen. Desgevraagd mocht ik meerijden en ik dacht bingo, ik heb ook wat te eten. Nee dus, de wagen zag er van binnen kraakhelder uit. Er zat niets eetbaars in. Pech gehad, maar ik hoefde in ieder geval niet meer te lopen. Ik had de chauffeur eerst nog wel gevraagd of hij de goede kant op ging. Volgens hem was dat zo. Na verloop van tijd werden we opgevangen door Amerikaanse legereenheden die ons naar een stuk bouwgrond dirigeerden. Dat was voorlopig het einde van de rit. Er kwamen steeds meer soldaten bij en vrij spoedig was het veld vol. De volgende fase was hekken erom heen en het eerste gevangenenkamp was gerealiseerd. Er waren geen onderkomens, dus moest er zelf maar iets geïmproviseerd worden. Samen met enkele andere soldaten hebben we een gat in de grond gegraven, een soort paardendeken erover heen en dat was ons voorlopige onderkomen. Hoe lang we daar gezeten hebben weet ik niet meer maar ik neem aan dat we successievelijk verplaatst zijn naar een echt kamp met prikkeldraad, uitkijktorens en wat er allemaal meer bij hoort.

Terug in Nederland

Na verloop van tijd werden de Nederlanders toch geleidelijk richting Nederland verplaatst met als laatste fase het transport in goederenwagons richting Amersfoort. Er werd kennelijk een transport van gevaarlijke SS-ers verwacht want toen de trein stil stond en de deuren werden geopend, kwamen we op een perron dat volledig was afgezet door leden van de BS, bewapend met stenguns die vuurbereid werden gehouden. Deze mensen hebben ons ook begeleid tijdens de mars naar het concentratiekamp. Daar aangekomen werden we geregistreerd, kaalgeschoren, ontluisd en van al onze bezittingen beroofd. Hoe lang ik daar heb gezeten weet ik niet meer, maar op een gegeven moment werd ik overgebracht naar een instelling van het Bureau Bijzondere Jeugdzorg aan de Maximiliaanstraat te Rotterdam-Zuid. Vanuit deze instelling heb ik na mijn terugkomst in Nederland voor het eerst middels een gecensureerd briefje contact kunnen zoeken met mijn familie. Na mijn veroordeling (geen dienstplicht mogen vervullen, ontzegging van het stemrecht gedurende tien jaar en ik diende mij te gedragen als een goed Nederlander) werd ik in vrijheid gesteld.

Ik heb toen geprobeerd de draad van mijn technische studie weer op pakken. Omdat we niet over voldoende middelden beschikten om een dagopleiding te kunnen bekostigen heb ik daar vanaf moeten zien. Er bestond wel een mogelijkheid voor een avondopleiding maar die kon alleen worden gevolgd als je overdag in de praktijk werkzaam was. In die tijd was er op dit gebied geen werk te vinden. Om toch een voeling te krijgen met de techniek werd ik tewerkgesteld als ‘jongste bediende’ bij een handelsonderneming in machines, werktuigen en gereedschappen. Omdat de aldaar aanwezige boekhouder graag bij die onderneming vertegenwoordiger wilde worden werd mij gevraagd of ik de boekhouding wilde gaan doen onder voorwaarde dat ik dan wel een boekhouddiploma zou gaan halen. Dat heb ik gedaan en ben in de avonduren een boekhoudopleiding gaan volgen. Dat heeft geresulteerd in het behalen van het Practijkdilpoma Boekhouden, het Staatspractijkdiploma voor Handel en Administratie (SPD) en de akte MO Handelswetenschappen A. Daarmee waren echter de aspiraties voor vliegtuigconstructeur verkeken.