Terwijl dat gebeurde bevond mijn vader zich vlakbij in een kapperszaak, waar hij onder de toonbank kroop. Hij hoorde buiten het geschreeuw van de soldaten die de represaille uitvoerden. Zij deden dat omdat in die omgeving een Duitse militair was gedood. Mijn vader kwam overstuur en wanhopig thuis. Ik herinner me zijn blik, die ik nu alleen verwilderd kan noemen. Hij zei tegen mij: ‘Oh jongen, ga er niet heen.’
Korte tijd later stond ik met een paar grote ogen naar die twintig lichamen te kijken. Ik meen dat zij tegen een vuilnishoop lagen. Door kinderlijke nieuwsgierigheid was ik er eigenwijs toch naartoe gelopen.
Na de bevrijding werd op de fusilladeplaats een eenvoudig monument neergezet. Het werd naderhand kennelijk nodig gevonden om op die plek een blok bovenwoningen en winkels te bouwen. Hiervoor werd het monumentje een eindje verplaatst, wat later voor de indeling van het Zuidplein nog een keer gebeurde. Op de hoek kwam ook een restaurant dat als naam kreeg: Schuttershof.