Begin februari 1945 kwam de schoonzus van een vriendin van mijn moeder op de fiets van Epe naar Rotterdam om te kijken hoe haar broer het maakte. Ongetwijfeld had ze eten meegenomen van de boerderij.
Toen ze mij, mager bleekneusje, zag, stelde ze voor mij achterop de fiets weer mee terug te nemen zodat ik volop eten kon op de boerderij. We vertrokken ’s ochtends vroeg, ik achterop de fiets met houten banden om ’s avonds laat met beurse billetjes in Epe op de boerderij te arriveren. Het was een emotionele tocht, waarbij de fiets bijna gevorderd werd en we kwartierenlang in een greppel gelegen hadden vanwege beschietingen rondom Apeldoorn.
Een van de dochters van de eigenaar was onderwijzeres. Een paar maal per week liep ik via het Molenpad naar het dorp om les te krijgen van juffrouw Wagenaar. Voor een zevenjarige best een hele tippel en ik deed dat – in oorlogstijd – alleen. Drie maanden ben gebleven.
Als kind begreep ik weinig van de kwintessens van wat er in oorlogstijd gebeurde. Maar haarfijn voelde ik aan waar een positief en negatief labeltje aan bevestigd was. Oorlog, moffen, Hitler, NSB, dat waren negatieve zaken. ‘Vóór de oorlog’, bevrijding, vrede, geallieerden, Canadezen, dat waren positieve dingen. Maar het meest positieve labeltje hing aan ‘God, Nederland en Oranje’. Ik wist dat God met de kerk te maken had, Nederland met rood-wit-blauw en de vlag en Oranje met het koningshuis met zijn prinsesjes.
Epe werd eerder dan Rotterdam bevrijd. Het moment waarop ik hoorde en begreep dat de oorlog voorbij was, weet ik niet meer. Maar wat ik me heel goed herinner is het eerste stukje chocola dat ik bewust opzoog. Nog nooit had ik zoiets heerlijks geproefd! Een andere herinnering is een groot gat in het wegdek, waarschijnlijk door een bom veroorzaakt. Naast dat gat stonden mensen. In het midden zat een jonge vrouw. Mannen waren knipten haar haar af. Sommigen scholden haar uit. Het fijne ervan begreep ik niet, maar ik vond het zielig voor die vrouw.
Wat ik me het allerbeste kan herinneren is het briefje op de boom. Wanneer ik voor mijn lessen het Molenpad was afgelopen kwam er links een vlakte waar bij de bevrijding voertuigen van de Canadezen stonden. En op de hoek van dat terrein, waar de weg links naar Tongeren ging, stond DE boom. Op die boom was een briefje bevestigd. Een briefje van de PRINSESJES! Beatrix en Irene hadden zelf hun naam er op gezet, maar Margriet was nog te klein om haar eigen naam te zetten. Die had getekend met een kruisje. Dat het briefje slechts een afdruk, was drong niet tot me door en deerde ook niet. Een briefje waarin ze schreven dat ze gauw weer in Nederland hoopten te zijn. Een briefje dat ook voor mij bestemd was en dat ik zelf lezen kon. Ik weet nog dat ik allerlei smoezen verzon om maar zo veel mogelijk langs die plek te kunnen komen om weer een glimp op te kunnen vangen van dat briefje.
In de tweede helft van mei 1945, toen heel Nederland bevrijd was, werd ik met een auto van Paul C. Kaizer opgehaald. Toen kon ik in Rotterdam de bevrijdingsfeesten meevieren: allemaal blije mensen die straatfeesten organiseerden en optochten hielden met veel rood-wit-blauw en oranje. Was de oorlog grauw, nu was alles weer kleurrijk en blij. Een tijd om nooit te vergeten!