Verwarring

1946

In 1946 kwam ik samen met mijn moeder en zus Bea in Den Haag wonen. Wij arriveerden in Rotterdam met de MS Tabinta, één van de eerste voor burgervaart omgebouwde troepentransportschepen van na de oorlog.

Bert van Rheeden wandelend naast zijn dierbare pleegouders, (tante) Ans Sander-Groeneweg en (oom) Karel Sander, 1954.

Maar mijn moeder was niet opgewassen tegen de zeden van de Nederlandse samenleving; zij keerde tweemaal terug, in 1947 en in 1952. In 1947 kwam ik terecht bij de familie Van der Leeuw en na mijn moeders tweede vertrek bij het Hollandse gezin Sander-Groeneweg in Zuiderpark in Den Haag. Daar woonde ik tot 1959 en ik ging er in 1955 naar de Haagse Academie. 

Tussen 1959 en 1968 was ik tekenleraar, eerst in Amsterdam, na 1962 in Groningen aan de Tweede Christelijke HBS (na 1968 beter bekend als het Augustinuscollege). Ik aanvaardde een benoeming aan de ‘Academie Minerva’ waar ik tot 1976 lesgaf in kunstgeschiedenis, koptekenen en nog wat kleine vakken. In 1976 verhuisde ik naar het westen.

Ik leerde de Indonesische taal [Bahasa Indonesia] en intussen meldde ik mij bij Prof. H.L.C. Jaffé voor een promotieonderzoek naar de geschiedenis van het teken- en kunstonderwijs in de 19e en 20e eeuw, inclusief die in het voormalige Nederlands-Indië. In 1983 vertrok ik voor een driemaandelijkse studiereis naar Indonesië. Ik verbleef voornamelijk in het DGI Guesthouse, een pension waarin voornamelijk onderzoekers van het Koninklijk Instituut voor de Tropen [KIT] verbleven. Voorts bezocht ik Bandung, en Yogya waar ik de academies bezocht.

Door mijn Nederlandse [=witte] opvoeding door Hollandse pleegouders, die zelden in Indische leefomgevingen verkeerden, houd ik het gevoel verscheurd te zijn tussen Indisch/Chinees-Indische habitat en de Nederlandse.  Achteraf bezien, zijn mijn zus en ik hardhandig losgerukt uit het koloniale Indië en haar cultuur en gedumpt in een puur Hollandse samenleving die destijds nauwelijks notie over Indië had.

Het eerste wat ik hoorde in de jaren vijftig van de leraar Nederlands op de middelbare school dat Indische mensen zich verraden door hun uitspraak, bijvoorbeeld van een zachte S. Als ik mijn stem terughoor, hoor ik het onvervalst Indisch accent, terwijl ik meer dan veertig jaar les en colleges heb gegeven. Mijn echtgenote zegt dat zij het vooral horen kan in mijn voorliefde voor klanknabootsingen of onomatopeeën.

Toen mijn zus en ik begin 21e eeuw meer contact hadden, lagen we soms dubbel van de lach als we stukken van Tjalie Robinson lazen, hier geciteerd uit Rudy Kousbroeks ‘Oostindisch kampsyndroom’.

‘Als ik remmen, ken niet meer. Te laat. Natierlijk ik indjek mijn rem tot mijn poot bijna srobotdoor-en-door tot de asfalt, maar al feels te laat. Ik samber die fietser: ‘Goebrak-Njieieiek-grèsèk-grèsèk-grèsèk – Blak!…ik doet mijn ohendih, Tjalie, en dan ik hoort: plek-toing-plok-pret-njk. Ik deng: dese, wat is dat, fallen op mijn caar. Ik doet open mijn ohen en dan Lie, ik bijna faltflou…homdoelilliah mijn Hot mijn caar hij is fol met vlees, Lie, vlees-adoeoeh- nooit meer ik eet vlees. Ik worthevetaar-vegitar…laatmaar was deze woor, als maar niet eten vlees…’