VIII. Terug in het land van onze kindertijd

07-2009

We gaan voor het eerst terug naar het land van onze kinderjaren, mijn zus en ik. Met een groepsreis. Einddoel is het wereldcongres van de Doopsgezinden, ook wel Mennonieten genoemd. Dat vindt plaats in Asunción, Paraguay. Wij reizen met een dubbeldeks touringcar van Rio de Janeiro, via Curitiba in Paraná en de Iguaçu-watervallen ( de drie landengrens) naar Paraguay.

Daar bezochten wij eerst de Chaco, die meer dan de helft van het grondgebied van Paraguay beslaat. Mijn zus en ik reisden in omgekeerde volgorde. Ooit waren wij met een schip via Rio naar Buenos Aires gereisd, en van daar door naar Paraguay. Eerst woonden we in de Chaco en kort in de hoofdstad Asunción. Toen een jaar in de kolonie Volendam in Oost-Paraguay. De overige vier jaren in de kolonie Witmarsum op de hoogvlakte van Paraná- Curitiba was daar de dichtstbijzijnde stad. Immigranten die het zuidelijker in Brazilië niet gered hadden begonnen hier opnieuw. Zo kwam het dat wij in ’52 over de rivier de Paraguay naar de watervallen reisden en vandaar nog een dag en een nacht in de bak van een vrachtwagen naar Witmarsum. Met kisten vol boeken.

Deze mennonitische kolonisten stamden oorspronkelijk vooral uit het gebied aan de Waddenzee: waar nu Nederland ligt, en Noord-Duitsland. Tsarina Catharina de Grote van Rusland bood hun plaats om te wonen. Een paar eeuwen hebben zij daar hun eigen geloof en hun West-Europese cultuur kunnen bewaren. Hun dagelijkse taal was een mix die in Europa niet meer voorkomt. Hun officiële taal was Duits. Zij ontgonnen woeste gebieden en werden welvarend. Na de Revolutie zag Stalin hen als volksvijanden, en hij zette een uitroeiingprogramma op. In 1939 begon een Nederlandse predikant, S.H. Gorter, een actie om een deel van hen vrij te kopen. Duizenden legerden zich in tentenkampen bij Moskou, terwijl de onderhandelingen liepen en er geld binnenkwam vanuit mennonitisch Europa en Noord-Amerika. Uiteindelijk lukte het een deel van hen om weg te komen. De latere Witmarsummers hoorden bij de gelukkigen. In Europa naderden toen de verschrikkingen van fascisme en nazisme. Zij ontkwamen daaraan door snelle migratie naar Zuid-Amerika. Ook Paraguay en Uruguay namen een aantal van hen op. Na de oorlog arriveerde nog een golf immigranten, gedecimeerd en berooid. Met hen was mijn vader meegereisd na zijn vlucht uit Nederland. Als gezin hebben wij maar een jaar onder hen gewoond, in Volendam (Paraguay).

Nu, 52 jaar na ons vertrek, reden wij Witmarsum (Paraná) weer binnen. Mijn zus Martje, mijn man, en nog veertig anderen. Mijn man keek en fotografeerde. Wij omhelsden, lachten en huilden. En we keken ook, met heel andere ogen. Zodra ik Witmarsum terugzag, wist ik: Hier was ik thuis. De reisleiding was zo attent ons drie nachten achter te laten. Later konden we weer meerijden naar Iguaçu met een Amerikaans-Canadese bus. Onze groep ging intussen logeren in twee Nederlandse kolonies, vlakbij. Wat troffen wij aan? Onze buurvrouw, om te beginnen. Zij woont nu bij het gezin van haar jongste zoon. Op dezelfde plek. Ons huis, midden op de eerste heuvel boven het centrum, staat er nog. Een houten pioniershuis. Verbouwd, met een ander erf, zonder de anderhalve hectare bouwgrond er om heen. Zonder stal met koeien en een varken. Zonder eendenvijver. Nog wel met kippen en honden. De heuveltoppen achter ons zijn nu bedekt met Canadese dennen, om erosie tegen te gaan. Mensen spraken ons aan op straat: “Ik heb bij jullie op de lagere school gezeten.” Ze riepen ons toe: “Zijn jullie nu Postma’s dochters?” In ons huis woont weer een predikant: de dominee voor de Portugeestalingen in de kolonie. Hij is ooit geadopteerd uit een sloppenwijk. Zijn vrouw is Duitstalig. Thalea en Anselmo heten ze. Hij wordt nu politieke afgevaardigde voor Witmarsum in de deelstaat Palmeira. Zij hadden een zoon en twee kleindochters in huis, want het was wintervakantie. Raffaëlla van acht volgde ons met grote ogen door het huis. De kinderslaapkamer is nu voor haar en haar zus. Ik moest huilen, en legde in mijn beste Portugees uit aan Raffaëlla: “Ik was net zo oud als jij nu, ik sliep in jouw kamer…” Zelfs onze geheime bergplaats is er nog. Mijn dagboek en de eerste Donald Duck – jaargangen zijn weg. Onze buurjongens hadden van de stripverhalen gesmuld, vertelden ze. En dat oude schrift, ja, dat konden ze niet lezen, dus dat was weggegooid.

Het leven is zwaar daar, nog steeds: landbouw, bosbouw, veeteelt, schnabbeltjes. Ons buurgezin is een lunchroom voor toeristen begonnen. De huidige bewoonster van ons huis ruilde twee jonge rashondjes voor een stierkalf terwijl wij daar waren. De zoon die diergeneeskunde studeert ging hem wel castreren. Hij zou worden vetgemest in de schuur. Het diepgewortelde gevoel “ze willen me niet” is daar niet begonnen. Dat weet ik nu. Ik herinner mij nog best wel de harde omgang met kinderen en dieren. Het plagen op school, de strijd om het bestaan. Als het kon trok mij terug in mijn eigen wereld, in de heuvels met de hond, in boeken. Maar die angst omdat ik er eigenlijk niet mocht zijn, die was er niet. Mijn ouders genoten aanzien. Ik voelde nu weer de gastvrijheid en de familiezin. Wij werden wij ontvangen alsof we nooit weggeweest waren. Na al die jaren. Het gevoel van uitgestoten zijn moet pas in Nederland begonnen zijn, vanaf 1957. Dan kan het ook nog overgaan. Ik begrijp nu ook waarom mijn zus altijd vond dat ik overdreef. Zij kende dit gevoel niet: ze had Nederland tussen 1963 en 2000 niet intensief meegemaakt. Ze werkte als internationale tolk in Hamburg.

Na deze reis heb ik vier maanden aan slapeloosheid geleden. Als ik mijn ogen dicht deed was ik weer daar. En ik heb nagedacht: hoe zou het geweest zijn, daar opgroeien? Er kwamen daar akelige dictaturen. Waarschijnlijk hadden onze ouders ons toch naar Europa gestuurd om te studeren. Naar Nederland, als mijn moeder haar zin gekregen had. Ik kwam er niet uit. Nu communiceer ik via e-mail en facebook met vrienden in Witmarsum. Veel tijd hebben ze niet voor me, maar dat hoeft niet. Het is goed zo.

Wij horen veel kneuterigs over Nederland, tegenwoordig. En toen schoot mij ineens het verhaal van de Vliegende Hollander te binnen. Waren wij niet ooit een zeevarende, koloniserende handelsnatie? Tegenwoordig is dat meer een mondiaal, vliegend en internettend volk. De meeste oorspronkelijke Nederlanders zijn thuis in dit land. In mijn werk als pastor heb ik er ook veel ontmoet die niet alleen door de oorlog getekend waren, maar ook door migratie: terugkomen uit Nederlands Indië/ Indonesië, de hele wereld door voor Shell, weer naar een ander land voor de diplomatieke dienst… telkens hoorde ik het verhaal van nergens helemaal gehecht zijn. En zo kwam ineens dat beeld bij mij op, van die schipper die zeilt over de wereldzeeën, die nooit thuiskomt… Het is een beeld, meer niet, gelukkig. Ik hoef niet fysiek te zwerven en honger en kou te lijden. Echte vervolging en doodsangst, dat heb ik gezien op andere plaatsen. Op dit ogenblik blijft het ons bespaard hier. Ze zullen mij nu niets meer aandoen, hier in Nederland. Misschien heb ik er met mijn openlijke woede aan bijgedragen dat ze anderen ook met rust laten. Mijn dochters voelen zich hier zeker van zichzelf. Ze houden van hun werk, ze hebben vrienden. Het ziet er naar uit dat ik mijn pensioen ga halen. Dan kan ik weer op reis. En schrijven. Ik hoor bij Nederland. En ik hoor ook aan de overkant van de oceaan. Net als de Vliegende Hollander.