Hij was NSB’er, groepsleider nog wel en dat is hem niet in dank afgenomen, door de bevolking van De Lier, een dorpje in het Westland. Mijn vader was tuinder en het ging heel slecht met de economie en daar mijn vader pro-Duits op economisch gebied was (ik neem een deel uit zijn proces-verbaal over), voelde hij aan, dat het Nederland bij een welvarend Duitsland eveneens goed zou gaan. Hij zag Duitsland als achterland en afzetgebied. Hij was o.a. lid van het Agrarisch Front en van de Nederlandse Landstand, was lid van de Nederlandse Volksdienst en bekleedde daar de functie als Buurtschapshoofd.
Hij is heel korte tijd lid geweest van de Weerafdeling (nog geen jaar). Omdat hij groepsleider van de NSB was mocht hij geen lid meer zijn van de WA. Ook heeft hij een uniform van de WA gedragen. Van de Landstand was hij boerenleider, van de Landwacht is hij nooit lid geweest. Hij gaf winterhulp en heeft ongeveer 700 Ausweisen (werkvergunningen) getekend. Uit brieven blijkt ook dat hij mensen te eten heeft gegeven, in de vorm van een zak aardappelen en groenten en dat hij er vaak niets voor wilde hebben of de kostprijs berekende. Hij had een hekel aan de zgn. zwarte handel en heeft daar ook over geklaagd, omdat de politie er niet veel aan deed en het hoofd van de politie zelf clandestien olie thuis had. Er is toen huiszoeking gedaan en deze persoon heeft hem met nog enkele andere heren aangehouden. Hij heeft ongeveer 18 maanden in het interneringskamp gezeten.
Mijn moeder moest niets van de NSB hebben en heeft mijn vader vaak gezegd, dat hij bij de verkeerde partij zat. Hij heeft dit nooit willen inzien, tot zijn dood toe zelfs. Hij ontkende de Holocaust, zei dat dit een leugen was en was antisemiet, ondanks het feit dat zijn grootmoeder een jodin was. Mijn ouders zijn de gereformeerde kerk uitgezet, ook mijn moeder, die nooit het gedachtegoed van mijn vader heeft gesteund.
Op 16 mei 1945 is mijn vader gearresteerd. Mijn moeder hoorde enkele dagen van tevoren dat ze zwanger was. Ze heeft naar haar eigen zeggen, 6 weken op een hooizolder gezeten en werd gefouilleerd door een jongen van n.b. 17 jaar. Mijn broer is ergens ondergebracht, maar daar weet ik niets van. Hier wil ik ook niet verder op ingaan. Alles werd voor mij verzwegen. Later vond ik brieven van mijn vader aan mijn moeder, die hij schreef vanuit het interneringskamp. Ze moest buiten het hek blijven en ik (3 weken oud) lag in een reiswiegje. In die brief aan mijn vader bleek, dat ze behoorlijk depressief was. Haar huis was leeggehaald. Ze had zelf wijn gemaakt en die 7 flessen waren ook spoorloos. Haar radio was weg. Zij had iemand warm eten gegeven, die stond te bedelen om suikerbieten. Die vrouw heeft later een brief geschreven om te vragen of mijn vader vrijgelaten mocht worden. Mijn moeder vond het huis dat ze kreeg aangewezen vreselijk en heeft te kennen gegeven, dat ze er geen stofdoek aan vuil zou maken.
Dat heeft ze ook nooit gedaan, maar ook niet aan het huis, dat mijn vader later liet bouwen op zijn eigen tuin, aan de Burgerdijkse weg in De Lier. Alles liet ze vervuilen. Als kind leed ik hier vreselijk onder. Ik ging bijvoorbeeld 1 keer in de 3 weken in de douche, die stond vol dozen, en moest dan helemaal leeggeruimd worden. Ik kreeg zo ongeveer, om de 10 dagen schoon ondergoed. Later toen ik naar school ging, kreeg ik nette kleren aan, maar zodra ik thuiskwam kreeg ik de kleren van mijn broer aan. Sommige mensen noemden mij “Kareltje”, mijn vader noemde mij Kees. Kareltje vond ik wel leuk, maar Kees vond ik verschrikkelijk.
Ik heb maar even op de kleuterschool gezeten, want volgens mijn moeder hadden ze daar luizen. Ik mocht nergens heen. Soms ging ik buiten, dat was het terras, de boomgaard of de schuur spelen en dan keek ik of mijn moeder het niet zag. Dan tijgerde ik door het hoge gras langs de slootkant naar de buren, fam. Keizer, en daar speelde ik. Daar kreeg ik koffie met gekookte melk, echte boerenmelk van de koe en een koekje. Ik genoot, thuis kreeg ik melk met een vel. Dan kokhalsde ik. Als ik thuis kwam moest ik voor straf naar boven en werd ik opgesloten in een grote kleerkast. Daarin stond de kinderwagen en hingen de pakken van mijn vader. Uren zat ik te kijken naar de lichtspleet onder de deur, te wachten tot de deur weer open ging. Ik heb doodsangsten later uitgestaan, als ik alleen was en het donker was. Mijn moeder kon best lekker koken maar ze deed dit zelden. Later toen ik op school zat, at ik warm als ik thuis kwam, dat kon om 16.00 uur zijn, maar dat kon ook later of eerder zijn, we aten haast nooit met elkaar. Mijn moeder schepte het bord vol en ging dan naar buiten kippen voeren. Maar terug naar de tijd dat ik 7 jaar werd. Een maand daarvoor ging ik naar de lagere school. Omdat mijn ouders niet wilden,dat ik er achter zou komen dat mijn vader NSB’er was, ging ik naar Delft op school. ’s Morgens een dik kwartier lopen, dan met de bus naar Delft, daarna vanaf het station de Bolk naar de Delftse schoolvereniging, ongeveer een half uur lopen. Na schooltijd ging ik al gauw naar het sportfondsenbad om zwemmen te leren. Ook had ik blokfluitles. Deze laatste les begon om 17.00 en mijn lerares, juf. Jenssen, vond dat ik niet op straat hoefde te wachten en ik mocht van haar direct uit school naar haar toe komen en met de 2e jaars leerlingen meedoen. Later heb ik haar nog eens gebeld om te zeggen dat ik dat zo had gewaardeerd. Ze is reeds overleden. Mijn moeder had me de eerste keer gebracht en verder moest ik het zelf doen. Alleen naar school, alleen naar het zwembad, en alleen naar fluitles en dan weer naar de bus. 7 Jaar oud. Iedere morgen als ik de deur uitging zei mijn moeder: ”denk erom je kop ervoor en laat je niet uithoren”. Ik snapte daar niks van natuurlijk. Ik kreeg brood mee, geen drinken, geen fruit en een half rolletje pepermunt. Iedere dag stond er een jongen, die groter was dan ik mij op te wachten en hij vorderde dat halve rolletje pepermunt (King). Als hij het niet kreeg, dan….Ook heeft hij eens mijn fietsje boven de sloot gehouden. Mijn vader kwam er achter en is naar zijn ouders toe gegaan. Die jongen moest beloven, dat hij het niet meer zou doen. De andere ochtend…..stond hij er weer. Ik werd vreselijk gepest, uitgejouwd en gekleineerd. Een lied ken ik nog: “iepelepoep zat op de stoep, kom laten we vrolijk wezen.” Een keer kwamen een paar kinderen bij ons aan de deur, altijd achterom, de voordeur werd nooit gebruikt, daar stonden dozen voor. Mijn moeder deed heel aardig tegen ze en vroeg wat ze wilden en toen schreeuwden ze: “poepkont poepkont”. Het gezicht van mijn moeder verstarde op dat moment. Het was vreselijk, eerst die vriendelijke lach en toen die immens verdrietige blik, er stonden tranen in haar ogen. Je zult mij nooit het wordt poep of kont horen zeggen. Ook onze kinderen mochten dat niet zeggen. Het had zo’n lading voor mij. Het huwelijk van mijn ouders was een ramp. Mijn vader sloeg mijn moeder en bedreigde haar met een broodmes, zo’n broodzaag met hele fijne tandjes. Hij draaide haar vinger om en schreeuwde vreselijk tegen haar. Dan rolde zijn ogen door zijn hoofd. Ik was doodsbang voor hem. Mijn broer heeft wel eens bij de varkens in het hok moeten slapen en eens sloeg hij hem met een leren riem, met de gesp raakte hij hem. Ik huilde van angst. Het waren vreselijke momenten. Tegen mij heeft hij vaak gezegd, dat ik nog erger was dan mijn moeder. Dan dacht ik, ”dat is erg”. Op school werd ik ook gepest, maar ik dacht dat dat erbij hoorde. Het was een school waarop allemaal kinderen van “stand” zaten, kinderen van specialisten, hoogleraren, fabrieksdirecteuren, huisartsen, enz. En mijn vader was tuinder. Ik paste daar niet tussen. Als je zo weinig hygiëne hebt gekend, ruik je ook niet lekker. Thuis werd het “toilet” nauwelijks doorgetrokken, het werkte ook niet. Vreselijk gewoon zoals dat eruit zag. Geen haak erop om af te sluiten, geen wc bril, en in plaats van toiletpapier, een stukje krant. Ook moest ik al heel jong in de tuin werken als ik vakantie had, of op woensdagmiddag prinsessenboontjes of aardbeien plukken, midden in de zomer, als de zon brandde. Ik weet nog dat ik me weleens helemaal niet goed voelde. In de 2e klas kreeg ik les van de vrouw van het hoofd van school. Zij zei eens tegen me: “weet je wat jij later moet doen, met een schort voor en lucifers in je hand, garen, band en elastiek verkopen”. Ik voel me nog staan, 8 jaar oud. Mijn moeder droeg altijd een jasschort met grote gaten. Die plagerijen gingen heel in het geniep. De juf was daar heus niet bij natuurlijk. Maar één keer was er een juf, die het in de gaten had, en zij heeft de klas een behoorlijke uitbrander gegeven. “Carla is net zo’n kind als jullie, ik wil niet dat jullie haar zo plagen”. Voor het eerst nam iemand het voor me op. Dat was wat! In de eerste klas had ik ook een lieve juf. Ik begreep vaak het lesmateriaal niet, en ik dacht dat ik dom was. Later is gebleken, dat ik dyslectisch ben. Maar daar hadden we toen nog nooit van gehoord. Beide “juffen”heb ik heel kort geleden ontmoet. Een geweldig fijn weerzien. De lieve juf ging trouwen en ik was de lieve juf kwijt! Ik ging over naar de 4e, kreeg weer een fijne meester, maar ook hij ging van school en deze toestand herhaalde zich een aantal malen. In de 5e klas kregen wij een leraar, die geen orde kon houden. Een bende was het en een groot deel van de klas bleef zitten. Dit gaf veel vragen. Mijn moeder is gaan praten met het hoofd, want ik had erg mijn best gedaan en ook hard gewerkt aan mijn huiswerk. Ik deed altijd mijn best, maar door de dyslexie had ik veel moeite met mijn concentratie. Er is toen overeengekomen, dat ik de hele vakantie huiswerk moest maken, een leraar zou dat nakijken en dan mocht ik voorwaardelijk naar de 6e klas, maar wel op een andere school. De nieuwe klas was echt leuk. Ik werd helemaal geaccepteerd en maakte een fijn schooljaar mee. Dat was op de Prinses Marijkeschool. Ik was inmiddels op de fiets naar school gegaan. Het was ongeveer 9 km van huis. Er ging een grote groep scholieren van die leeftijd naar Delft en ik vond het fijn, dat ik niet alleen naar school hoefde. We wachtten op elkaar en als je niet meer ging liet je het even weten. Op een middag fietsten we naar huis. Ik reed naast Coby. Zij woonde op de zelfde weg als ik, op een grote boerderij een paar km. verder. Ineens riep iemand achter me “Joh, vuile rot mof.” Ik keek om en Bea die dat had geroepen, keek de andere kant op, alsof ze niets gezegd had. “Waarom doet ze dat”, vroeg ik? Coby (overigens een schat van een meisje) wist me haarfijn te vertellen, dat mijn vader NSB’er in de oorlog was geweest. Ik bevroor gewoon. Dat kon toch niet. Mijn vader een verrader. Bea was nooit aardig tegen mij geweest, dus ik dacht dat het wel niet waar zou zijn. Thuis heb ik gelijk aan mijn moeder gevraagd of het waar was en mijn moeder bevestigde het.
Na de lagere school ging ik naar de Mulo op de Hugo de Grootstraat, de Oranje Nassauschool. Het was hard werken en het was niet een echt gezellige klas. Bovendien voelde ik me verdrietig, door de sfeer thuis en allerlei andere omstandigheden, die ik hier niet wil beschrijven. Maar het was echt vreselijk. s ‘Avonds huilde ik me in slaap. In de 3e klas had ik veel meer moeite met de leerstof en ik was heel vaak ziek. Angina met hoge koorts. Ik werkte hard, soms tot diep in de nacht. Een keer kwam mijn moeder er achter en ze kwam de slaapkamer binnen. Ik was met aardrijkskunde bezig. Ze vroeg me wanneer ik klaar was. Nog voor ik wat kon zeggen, kwam mijn vader binnen en beukte op de rug van mijn moeder. Vreselijk was dat. Ik voelde dat het mijn schuld was. Ik wist me geen raad! Ik ging voorwaardelijk over naar de 4e klas, volgens het schoolhoofd, omdat ik zo hard had gewerkt, maar eigenlijk was ik anders blijven zitten. Een hele aardige man was dat, die hart had voor de leerlingen. Daarvoor was er een ander schoolhoofd, die mijn buren goed kende, hij was nooit aardig en ik was bang dat hij er achter zou komen, dat mijn vader bij de NSB had gezeten. Ik was blij toen hij van school ging. Mijn amandelen moesten eruit volgens de huisarts, maar mijn vader vond dat flauwekul. Volgens hem wilde ik alleen maar wat mankeren. Ik was altijd verkouden en had vaak koorts, maar….. ik wilde alleen maar wat mankeren! Toch ben ik geholpen, 16 jaar oud. Mijn vader was niet verzekerd en dat heeft hem een kapitaal gekost. Ik was ongeveer 6 weken niet op school vanwege ziekte en toen ik weer terug kwam begreep ik niets meer van de lessen. Maar mijn ouders wilden dat ik examen deed, desnoods 2 maal. Ik wilde liever de 3e nog een keer, want dan had ik meer grip op de leerstof. Na dat vele verzuim ging het helemaal niet meer en ben ik naar de klassenlerares gestapt en heb ik gevraagd of ik terug mocht naar de 3e. En dat mocht. Een paar weken later heb ik het pas tegen mijn ouders verteld. Maar toen kwam ik in een hele fijne klas terecht. We hadden lol met elkaar, maar we konden ook heel serieus zijn. Uit die tijd heb ik een fijne vriendin overgehouden, Nel. Tot op de dag van vandaag zijn wij bevriend en wij zien en spreken elkaar regelmatig. Ik heb mijn mulotijd afgesloten met een diploma. Mijn broer haalde met weinig inspanning z’n HBS. Mijn vader zei dat hij het niet had verdiend. Ik haalde met veel geploeter mijn mulodiploma en daarvan zei mijn vader, dat ik het wel had verdiend. Mijn broer kreeg 100 gulden en ik 25. Ach verschil moest er zijn. Ik handwerkte graag. De juffrouw van de 1e klas wist het nog. 80 Jaar inmiddels. Dat bleef mijn hobby tot op heden. Op de mulo hadden we een handwerklerares. Op een dag mochten we een loper voor op de radio of tv maken. Heel zacht geel was de stof en het dmc-garen was roze en groen. Hele zachte kleuren. Geweldig vond ik en na verloop van tijd mochten we het thuis afmaken. De andere week had ik het af. Ik had er zorgvuldig aan gewerkt. Toen ik het inleverde keek de juffrouw het helemaal na. De voor en de achterkant, toen keek ze mij aan en zei:”dat heeft je moeder geborduurd”. Ik was zo gekwetst en heb die loper later weggegooid. Ook was er een leraar die in een kwade bui zei: “je komt uit de steeg, jij”. Ik dacht dat ik er dom uit zag.
Nog even over het pesten op de lagere school. Ik heb altijd gedacht, dat dat kwam omdat mijn vader NSB’er was, maar dat bleek anders. Vorig jaar stond er op internet een oproep: Carla Iwema gezocht. De beschrijving klopte helemaal. Ik werd gezocht, omdat ze mij zo hadden geplaagd en er spijt van hadden, ze wilden hun excuses aanbieden namens de hele klas. Ik heb terug gemaild dat ik dit geweldig vond dat mensen dit deden. Prompt kreeg ik weer een mailtje met een telefoonnummer. De andere dag heb ik gebeld. We maakten een afspraak en hebben een ontmoeting gehad. Dit was hartverwarmend. Ik ben waarschijnlijk gepest omdat ik “anders rook”. De lucht die ik verspreidde zal absoluut niet prettig zijn geweest. Het gaf veel troost, ook wat het andere verdriet betreft. Maar ze hebben niet geweten van een NSBverleden. Mijn moeder vond dat ik maar veel onder de mensen moest komen, “want dan leerde ik het wel”. Ik probeerde contact te krijgen en dat lukte wel aardig. Toen ik 16 jaar oud was kwam ik met een interkerkelijk zendingcentrum in aanraking en daar vond ik het fijn. Daar leerde ik ook mijn man Ger kennen. Hij begreep me en ik voelde best veel voor hem. Onder druk van mijn vader en nog enkele mensen heb ik het uitgemaakt, eigenlijk met de gedachte, dat ik weleens net zo’n huwelijk als mijn ouders zou kunnen krijgen en dat wilde ik niet. Toen ik zo’n jaar of 18 was is de vriendschap weer opgebloeid en ik durfde het aan. Toen ik bij Ger thuis kwam kreeg ik al gauw te horen dat zijn ouders wisten, dat mijn vader bij de NSB had gezeten. Een zwager, die bij de politie werkzaam was, had hem gearresteerd en toen die zwager mijn naam had gehoord, wist hij gelijk wie ik was. Vreselijk vond ik dat. Mijn vader was op zijn zachtst gezegd behoorlijk chagrijnig tegen me. Ik begreep er niks van, hij was nooit hartelijk, maar dit …Ineens barstte hij tegen me uit, “naar mij informeren, maar dat kan ik ook.” Het bleek dat de vader van Ger bij de gemeente naar mijn ouders had geïnformeerd en dat het verhaal van de zogenaamde zwager uit de lucht gegrepen was. Die informatie kon hij gemakkelijk krijgen, omdat hij zelf bij de woningdienst in Schiedam werkte. Ik geloofde mijn vader niet, maar wel de ouders van Ger. Dat waren immers christenen, die logen niet. Later, toen ik het dossier van mijn vader mocht inzien, bleek dat hij helemaal niet was gearresteerd door die zwager. En dat het hele verhaal uit de lucht gegrepen was. Mijn vader vond Ger helemaal niks, maar mijn moeder zei, je moet haar vrij laten anders raak je haar kwijt. Ik besloot met Ger verder te gaan, maar mijn verkeringstijd is een werkelijke hel geworden. ’s Zaterdagsavonds werd er altijd een bidstond gehouden. Om 19.00 uur begon dat en om 23.00 was het ongeveer afgelopen. Ik sliep bij de zussen van Ger (er waren er 4 thuis). Eerst werd er gezongen bij het orgel en daarna een “preek”, door zijn vader, en daarna bidstond, op je knieën op de stugge vloerbedekking. Ik had geen knieën meer over. Eens zei hij in een preek over vergeving, “Zelfs als je een kind van een NSB’er was, zelfs dan vergaf God al je zonden”. Het was voor mij zo moeilijk en ik deed alles om lief gevonden te worden. De familie sloot zich aan bij een sekte en ik moest mee, anders kreeg ik geen toestemming. Mijn vader wilde pertinent niet dat ik er heen ging en zei, dat als ik naar die sekte ging, ik geen toestemming voor een huwelijk zou krijgen. We waren al verloofd en de foto van Ger, op het tafeltje naast mijn bed, werd weggehaald. Ik mocht geen eieren meer eten van mijn vader, want dan zou de verliefdheid alleen maar toenemen. Ook noemde hij mij een “lichtekooi”, wat niet minder betekent dan, dat ik een hoer was. Maar aan de andere kant werd me duidelijk gemaakt, dat ik de Heer meer moest gehoorzamen, dan mijn ouders en wie vader of moeder liefheeft boven Mij is Mij niet waardig. En als ik niet mee ging naar Den Haag, daar waren de samenkomsten, dan kreeg ik van de ouders van Ger ook geen toestemming. Gevolg: wachten tot je 30 bent. Toen was het zo, dat als een paar ouders geen toestemming gaf, je voor de kantonrechter kon trouwen, maar twee paar ouders, dat kon niet dan moest je wachten tot je dertigste. Ger studeerde theologie en stond ook onder druk. Ik was telefoniste op de TH. in Delft, afd. bouwkunde, boetseren en decoratieve dienst. Ik besloot die zondag mee te gaan en als mijn ouders er om vroegen, zou ik het eerlijk zeggen. Ik ben gegaan en dat heb ik geweten. Toen ik thuis kwam, vroeg mijn vader of ik toch naar Den Haag was geweest en ik zei “ja”. Toen heeft mijn vader me vreselijk mishandeld. Hij heeft me werkelijk verrot geslagen, sorry voor het woord, maar ik heb er geen andere uitdrukking voor. Mijn bovenarm was gewoon zwart en hij heeft mijn keel gruwelijk dichtgeknepen. Ik herinner me nog de blauwgebloemde gordijnen en dat mijn moeder riep:”pas op voor haar bril”. De tijd erna was vreselijk. Ik was kapot. Voelde me verschrikkelijk en ben pas op aanhoudend aandringen van de vader van Ger naar de politie gegaan. Die is gaan praten bij mijn ouders en ik ging naar de buren, fam. Hanemaayer waar ik een boterham kreeg met leverworst. Wat vond ik dat lief. Ook zij vertelde dat er bij haar ook was geïnformeerd naar het verleden van mijn vader, maar dat hij geen verkeerde dingen had gedaan. Hij wist waar de joden zaten, maar hij heeft ze nooit verraden. Later zei de andere buurman Keyzer dat ook. De politie zei, dat ik maar beter niet meer naar die sekte kon gaan en dat ik over een dik jaar 21 was en dat ik dan zelf kon beslissen. Het is een vreselijk jaar geworden, ik raakte zwaar depressief en kreeg anti depressieve medicijnen voorgeschreven. De behandelend psychiater sprak met mijn vader en hij moest beloven, dat hij mij met rust liet. Hij beloofde het, maar na korte tijd wilde ik naar Ger gaan, maar mijn bougie was uit mijn brommer verwijderd, dus ik kon niet weg. Ik besloot om mij niet meer te verzetten, ik ging toch het huis uit! Ik had een fantastische baan en mocht op mijn kamer Ger ontvangen van mijn baas. Hij wist van de thuissituatie en leefde erg mee. Als Ger vakantie had, kwam hij naar mij toe, ook belden wij regelmatig met elkaar. En zo kropen de laatste maanden voor mijn 21e verjaardag voorbij. Een dag voor mijn 21e verjaardag ben ik het huis uitgegaan. Mijn vader wilde niets meer met me te maken hebben, en wilde ook geen hand. Ik zou bij de ouders van Ger gaan wonen en ik had gekozen voor andere ouders, zei hij. Mijn moeder huilde. Ik vertrok. Mijn buurmeisje bracht me naar mijn werk en van daaruit ging ik ’s avonds naar Schiedam.
De andere dag “vierde” ik mijn 21e verjaardag. Die dag gaf een dubbel gevoel. Ik dacht, dat ik er wel gauw bovenop zou zijn, maar het tegendeel was waar. Ik belandde van de ene in de andere ellende. Ik moest met iedereen breken. “Mijn ouders moest ik vergeten. Ja ik had geen ouders meer, ik had nu nieuwe ouders”. Mijn naam was een schande. Familie, vrienden, met iedereen moest ik breken, maar dat heb ik niet gedaan. Ik moest met grammofoonplaten langs de deur en zeggen dat dat ten bate van Israël was. Er was toen net een oorlog aan de gang. Er stond een “boodschap” op en daar draaide het om. Ook moest ik naar een aantal dominees van de gereformeerde kerk in Delft. Ik heb dit één keer gedaan. Na zo’n dag of tien kreeg ik al te horen, dat ik misschien wel weer naar huis moest. Waarom is nooit duidelijk geweest en het is ook niet gebeurd. Ik geloofde alles wat er werd gezegd, want ik ging ervan uit dat gelovigen niet logen. Ik werd vreselijk geplaagd en uitgelachen. Ik moest hard worden zeiden de ouders van Ger, want ik was maar een kasplantje en ik kwam van het boerenland. Er werd van alles gezegd bijv.:De vader van Ger zou in het verzet hebben gezeten, bruggen opgeblazen hebben in Frankrijk en in een concentratiekamp hebben gezeten. Dit alles was helemaal niet waar, maar ik ging me steeds schuldiger voelen. Ik moest mij laten dopen want dan was ik ervan af. Alles deed ik. Want ik wilde eruit komen. Ik kreeg steeds meer last van eczeem en een hardnekkige netelroos zorgde ervoor, dat ik niet meer naar mijn werk kon. Ik meldde mij ziek. Het sadisme was vreselijk, meer dan eens werd er met me gesold. Een pot thee stond op het elektrisch theelichtje, er werd ingeschonken, suiker in de kopjes gedaan, geroerd en dat gloeiend hete lepeltje werd tegen mijn gezicht aangehouden. Dat gezicht, helemaal opgezet van de netelroos en eczeem. Als ik zei, dat het pijn deed, dan riep de hele familie, 4 zussen, een broer en nog eens de ouders erbij: ààààch. Of als ze iets gek vonden, was het huuuuh. Een keer vroeg ik waarom hij dat deed, en toen zei de vader van Ger: ”ik mag dat, want ik heb de oorlog meegemaakt of hij zei dat hij de Hongerwinter had meegemaakt. Deze opmerkingen werden nogal eens gemaakt. Van de arts kreeg ik antidepressiva maar op een keer moest ik ze geven aan die vader en hij gooide ze in de wc. Ik had dit al eerder moeten doen, dus dit was de 2e keer. Ik had ook medicijnen voor mijn huid. Alles werd weggegooid. De reactie was vreselijk. Het had achteraf veel weg van een cold-turkey. Toen de arts vroeg waar mijn medicijnen waren, zei ik dat ik dat niet wist, hoewel ik wel degelijk wist wat er was gebeurd. Hij vroeg het aan de vader van Ger en die zei: “ik zou het niet weten” en ook de moeder van Ger zei hetzelfde. Ik heb toen enkele dagen in het ziekenhuis gelegen. Wij wilden gaan trouwen. We zouden in gaan wonen, Ger zou zijn studie in Utrecht afmaken en ik zou blijven werken. Nu bij een houthandel in Schiedam. Ger had 5 zussen en een broer. Een van zijn zussen was huishoudster bij de leider van de sekte, zij had enorm veel invloed op het gezin. Alles wat ik vertelde aan de ouders van Ger werd met haar gedeeld. Een keer beet mijn moeder mijn vader toe, dat hij haar alleen maar als fokzeug had gebruikt. Dat vond ik zo erg. Ik vertelde dat tegen de vader van Ger en de andere dag had ik de oudste zus, die bij de sekteleider werkte aan de telefoon. (Op mijn werk werd ik vaak gebeld, want dat mocht van mijn chef en het stoorde niemand.) Ze zei: “We hebben zo gelachen, dat je moeder alleen maar als fokzeug is gebruikt.” Ik kon gewoon niet reageren, ik was versteend. Dus alles werd doorgebrieft en om mijn verdriet werd hartelijk gelachen. Toch heb ik dat niet durven zeggen. Stel je voor dat ik alles ”kwijt” zou raken. Voor we trouwden zei de vader van Ger, dat wij maar gauw moesten gaan trouwen, want dan was ik die naam tenminste kwijt, want dat was zo erg, die naam van mij. Ik heb jaren mijn meisjesnaam gehaat, sprak die naam heel onduidelijk uit. Wij trouwden 10 mei 1967. Eerst was ik bij de kantonrechter geweest, want ik kreeg geen toestemming van mijn ouders. Het was geen groot feest en ieder jaar denk ik op bepaalde dagen er weer aan terug. Dat ik nooit in verzet ben gekomen. Ik slikte gewoon alles wat me werd aangedaan. Na een paar maanden raakte ik zwanger. Ik was zo blij, want ik hield veel van kinderen. Het was geen makkelijke tijd, want in dat huis werd ik absoluut niet ontzien. 11 April was Ger klaar met zijn studie en 14 april werd onze dochter geboren. De familie had een kleinzoon gewild en ook had dit kind “vernoemd” moeten worden vond men. Wij deden dat dus niet. De reactie was, “nu word ik op één hoop gegooid met “die uit de Lier”. 3 Maanden later kreeg ik te horen, dat ik een slechte moeder was. Ik was stapeldol op onze dochter en ik ben toen huilend met mijn dochter naar een vriendin gegaan. ’s Avonds was er een vreselijke ruzie tussen Ger en zijn vader. We kregen een huisje, klein en totaal uitgewoond, maar we waren op onszelf. We woonden echter wel vlakbij de ouders van Ger. Het contact met mijn ouders was weer “wat hersteld”. Mijn vader heeft zelf gebeld en toen wij niet meer inwoonden, kwam hij iedere zaterdag langs. Hij bracht altijd iets van de tuin mee of van de veiling. Op een keer nam hij een hele kist komkommers mee. Wat moet je daarmee als je met z’n tweeën bent dacht ik (onze dochter was nog een baby) en ik kwam op het idee om er een paar zelf te houden en de rest aan de moeder van Ger te geven. Met haar grote gezin was dat best fijn. Ze hielden veel van komkommers. Ik bracht de kist met komkommers en zij was er erg blij mee. Een paar uur later kwam de broer van Ger met de komkommers en de boodschap:”wij eten niets van de tuin van een NSB’er”. Er is toen iets in mij kapot gegaan. Het was verschrikkelijk. Altijd moest ik boeten voor het verleden van mijn vader. Onze 2e dochter werd geboren en toen ze zo’n week of 6 oud was ging hij haar zitten pesten. Ik was op visite en ik zei er wat van. Toen ben ik de deur uitgezet. Vanaf toen ben ik van mij af gaan bijten. Kort nadat ik er uit was gezet, kwam de broer van Ger en ik moest de huissleutel van het ouderlijk huis inleveren. Een paar dagen later kwam die broer zeggen, dat Ger moest thuis komen. Ger heeft toen gezegd, dat als ik, Carla niet welkom is, hij ook niet welkom was. Dat werkte uit, dat niemand van de familie meer bij mij mocht komen. Ook de moeder van Ger niet. Ze is toch een keer gekomen en daar heeft ze vreselijk voor op haar kop gehad. Het was heel moeilijk voor mij om er tegenin te gaan, want daar leed het hele gezin behoorlijk onder en dan was “ik” daar de oorzaak van. Toen ik van onze 3e dochter zwanger was werkte Ger bij een makelaarskantoor. Hij is nooit dominee geworden, hij wilde niet op de kansel boven de mensen, maar tussen de mensen leven. Hij kreeg daar een goede baan en we konden een ander huis krijgen in Rotterdam. Verder weg uit Schiedam. Het was een heel fijn flatje en er woonden daar veel kleine kinderen. Ik kreeg leuke contacten en heb er nog 2 leuke vriendinnen aan overgehouden. We ontsnapten uit de grip van de sekte. Er is natuurlijk veel meer gebeurd, maar daar ga ik niet over uitweiden, dan is dat verslag niet meer te volgen. We kregen wat meer rust, tot de 3e dochter werd geboren, te vroeg en helemaal blauw. Moest opgenomen worden. Het ging razend vlug, toen de huisarts erbij kwam. Eerst mochten we geen kaartjes versturen, want het was nog niet zeker, dat ze het zou halen. Ik lag thuis, de baby in het ziekenhuis. Na 8 dagen mocht ik pas naar haar toe. Die eerste dagen waren slopend, maar de 5e dag was er forse vooruitgang. Ze lag 3 weken in het ziekenhuis. Mijn vader kwam de dag na de geboorte op visite. De buren kwamen dezelfde dag en hebben me reuze gesteund. De familie van Ger kwam niet. ”Wij komen wel als de baby weer thuis is.” Dat was vreselijk. Zo ging het ook met verjaardagen. Dan kreeg ik een telefoontje met de vraag of Ger vrij had met mijn verjaardag, ”want we komen niet voor jou” werd er nog even fijntjes aan toegevoegd. Als ik met stukjes kaas of worst langs ging zei de vader van Ger, ”die rotzooi moet ik niet”. Ik ging er aan kapot. Als ik er met iemand al over durfde te praten zeiden ze, dat ik het me niet moest aantrekken. Een keer heb ik er met de vrouw van een voorganger over gesproken, toen wist gelijk een x aantal mensen wat er was gebeurd. Mijn ouders kwamen weleens logeren en dan sliepen zij in ons bed, wij op een luchtbed. En steevast hoorden we ze ruziën. Toen heb ik gezegd, dat ze niet meer mochten logeren. Dat logeren was trouwens heel frustrerend. Ze kwamen. Na het ontbijt zei mijn vader dat hij even weg ging, niet waarheen, ook niet tegen mijn moeder en ‘avonds kwam hij terug. Mijn moeder vond dit natuurlijk ook niets en die dag was dan verziekt. Een keer stond het eten ’s avonds op tafel en besloot mijn moeder te vertrekken. Dit zijn voor mij vreselijke momenten geweest, waar ook mijn kinderen bij waren. Zo tierde de ellende voort. Daarna werd onze 4e dochter geboren. Helemaal gezond. Wij hadden toen 4 dochters. Het gezin was compleet. Het was een drukke tijd, waar veel voorgaande problemen zich herhaalden.
Onze dochters groeiden op. De oudste zat in Rotterdam op het VWO. Wij woonden toen in Dordt. Op een dag was haar vriendinnetje in Alblasserdam jarig. Er was visite, gewoon gezellig, de oma van het vriendinnetje kwam binnen en ze vertelde, dat ze uit de Lier kwam. Onze dochter vertelde natuurlijk, dat haar moeder ook uit de Lier kwam. Oma wilde weten, van wie haar moeder er dan wel een was.” Van Iwema” zei onze dochter. “Oh, dat was die NSB’er” was gelijk het antwoord. Ze wist even haarfijn te vertellen, hoe het precies zat. Onze dochter wist gelukkig van de hele situatie af. Ik heb onze kinderen al vroeg ingelicht en ook verteld, wat er vroeger met mij is gebeurd. Niet alles, zo uitgebreid, dat is stukje bij beetje gebeurd. Wel heb ik heel duidelijk gemaakt, dat pesten vreselijk is. Ik heb ze gewaarschuwd, dat als ik merkte, dat ze iemand pestten, dat ze dan met mij te doen kregen.
Na verloop van tijd zijn mijn ouders naar Hoogezand verhuisd. Mijn vader had een slechte gezondheid. Ik weet niet beter, dat hij astmatisch was. Toen ik 12 jaar oud was, zei hij al, dat hij niet oud zou worden. Ik heb jaren in de rats gezeten, want hoe moest het dan met ons!! Hij is overleden, toen ik bijna 34 jaar was. Wij verhuisden naar Rotterdam en 2 keer in het jaar gingen we met z’n allen naar mijn ouders. Ook ging ik weleens alleen. Mijn vader was naar de kerk gegaan in Hoogezand. Daar hebben ze het laatste deel van hun leven gewoond. De tuin van mijn vader liep slecht en hij was failliet gegaan. Hij wilde graag in het noorden gaan wonen, had wat familie o.a. in Zuidlaren. Mijn moeder wilde niet, maar ze moest wel. Mijn vader heeft nog eens aan de dominee gevraagd of hij wel geloofde in die 6 miljoen joden. Toen de dominee ja zei, liet hij duidelijk merken, dat hij er niets van geloofde. Een keer ging hij bij de dominee vandaan en toen hij de deur uit ging stond hij oog in oog met iemand uit …de Lier. Het verleden heeft hem altijd achtervolgd. Ik was erg geïnteresseerd in Israël en droeg ook een Davidster. Dit irriteerde mijn vader mateloos en hij vroeg er ook naar. Na zijn dood wist ik pas, dat zijn vader, de zoon van een Jodin was. Hij verachtte de joden. Nog begrijp ik niet waarom. In de oorlog wist hij waar de joden zich verborgen hadden. Mijn buurman Keyzer heeft me dit gezegd en ook anderen. Hij heeft ze nooit verraden. Ook mijn moeder wist dat en heeft joden zelfs te eten gegeven. Een paar uur na zijn overlijden, heeft ze zijn secretaire geopend en een krantenknipsel eruit gehaald. “Ik doe ze wel weg”, zei ze. Ze liet me de knipsel zien. Allemaal antisemitische stukjes. Enkele weken later belde ze me op en vertelde me in tranen: “Carla, ik wist niet dat het zó erg was, echt dit heb ik nooit geweten”. Ik geloof, dat dat waar was, ze had gewoon niets te vertellen en werd overal buiten gehouden! Mensen hebben vaak gezegd, dat mijn vader de beste uit de familie was, maar ik durfde nooit te zeggen wat er allemaal achter de muren van dat mooie landhuisje gebeurde.
Mijn moeder was mensenschuw. Leefde altijd heel terug getrokken. Toen mij vader was overleden, ging ik één keer in de maand naar haar toe. Ik deed boodschappen en Ger verzorgde de financiën. Het huis was vreselijk vervuild, maar ook hier mocht ik niet schoonmaken. Het stonk er vreselijk en overal stonden dozen en opgestapelde plastic vuilniszakken met de vreemdste dingen erin. Eén zak zat vol binders van vuilniszakken, die bij de verpakking van dergelijke zakken zijn bijgesloten. Er waren best klachten over haar, door buren en ook heb ik wel eens een telefoontje gekregen van de huismeester van de serviceflat. Dat was heel moeilijk want ze liet niemand binnen. Ze viel wel eens en één keer heb ik de huismeester gevraagd naar binnen te gaan met de moedersleutel. Wij woonden in Rotterdam en Hoogezand is dan toch wel een heel eind weg. Ze lag toen weer op de grond, is toen overgeplaatst naar Dennenoord in Zuidlaren, afd. geriatrie. Daar is ze enkele weken later overleden. Ze woog ongeveer 140 kg, maar was totaal ondervoed toen ze stierf, eenzaam en verbitterd. Ze heeft de pijn die ze doorstond nooit kunnen verwerken. Wie zou het wel kunnen!
Onze dochters groeiden op, kregen verkering en trouwden. Geen van onze dochters wilden de ouders van Ger op hun trouwdag uitnodigen, maar na wat aandringen, toch maar weer gedaan. Toen onze 3e dochter trouwde maakte de vader van Ger weer trammelant, waarop de bruid echt verdriet had. Een dag van tevoren. Dit was hartverscheurend. Een jaar later liet onze jongste dochter weten, dat de ouders van Ger niet welkom waren. Nou dat bracht wat te weeg. Een zus van Ger zou samen met mijn vriendin voor de koffie zorgen en liet nog geen week voor de bruiloft weten er vanaf te zien. Gelukkig konden we iets regelen en was er iemand anders uit onze kennissenkring zo vriendelijk om te helpen. Die zus heeft enkele jaren later haar excuus aangeboden. Ze was opgejut.
Wanneer kwam er een eind aan de tirannie? Er gebeurde telkens weer iets en ik trok het gewoon niet. Er werd vaak gezegd: ”ach joh, je weet toch wie het zegt”. Ook werd er vaak gezegd, dat ik het moest vergeven en vergeten. Toen ik kort na ons huwelijk aan mijn neustussenschot was geopereerd moest ik langer in het ziekenhuis blijven, vanwege een kleine nabloeding. Ik mocht toen ik weer thuis kwam even niet bukken. Er was toen een hittegolf en dan zou ik sneller weer een nabloeding kunnen krijgen. Toen ik thuis was, kneep de vader van Ger in mijn neus en draaide met zijn hand. Moet je dat vergeten? Toen ik een flinke jaap in mijn vinger had kneep hij er venijnig in, en als ik zei dat dat zeer deed riep de hele meute:ààààch. Altijd dat snerende. Moet ik dat vergeven en vergeten? Met de mantel der liefde bedekken? Je probeert het en even later gebeurt het weer. Toch heb ik het wel vergeven, op een afstand van me zelf geplaatst. Dat is voor mij de manier om het “te vergeven”. Vergeten zal ik het niet. Dat wil ik ook niet. Je kunt niet pijn, verdriet en ellende vergeten alsof het nooit is gebeurd. Dat kan gewoon niet! En dat wil ik ook niet. Op een dag heb ik besloten, om de vernederingen niet meer te accepteren. We zouden weer op visite gaan en ik had tegen Ger gezegd dat ,als het weer gebeurde dat ik zo vernederd werd, ik het er niet meer bij liet zitten. Nou, dat gebeurde ook. Ik heb alles wat me dwars zat gezegd. Het antwoord was: “Vuile leugenaar”(ook als Ger zei, dat het wel degelijk waar was). Of ik weet het niet meer, het is al zo lang geleden. Daarna ben ik er een half jaar niet geweest. Na verloop van tijd heeft Ger een brief geschreven. Binnen enkele dagen lag er een antwoord in de bus. Of wij wilden komen praten. Dat deden we. Hij heeft niets toegegeven, wel dat hij het niet meer wist en als ik dat gedaan heb…Op het eind kreeg ik nog een sneer na. In mij is er toen iets geknapt. Ik heb een paar maanden nagedacht en een brief geschreven, dat ik niet meer kwam en er bij gemeld, dat ik het had vergeven, maar dat ik niet wist, wat ik had vergeven, als hij er zich niets meer van kon herinneren.
Wij wonen inmiddels alweer 10 jaar in Krimpen a/d. IJssel. Toen wij hier enkele maanden woonden drong het nog meer tot mij door wat er was gebeurd. Ger had een heel intensieve baan, was veel weg en de kinderen waren allemaal getrouwd. Ik dacht op een gegeven moment, “wat is er in Gods naam met me gebeurd!!” Toen heb ik besloten om naar een psycholoog te gaan. Voor mij heel moeilijk, maar ik ben heel blij, dat ik het heb gedaan. Ik vertelde haar alles, nog veel meer dan ik hier heb opgeschreven. Ze zei, dat ik een hele sterke vrouw was, want normaal houden mensen dit niet vol, plegen zelfmoord, gaan scheiden of komen aan lager wal. Natuurlijk heb ik zelfmoord overwogen. Wat was het leven voor mij waard! Maar dan dacht ik aan onze kinderen, die zadel ik dan op met een probleem en dan duurt deze ellende voort, generaties lang. En dat wilde ik absoluut niet! Het was een vrouwelijke psycholoog, hetgeen voor mij wel goed was. Ik was via pastorale zorg ook weleens in contact geweest met hulpverleners, maar die wisten me te vertellen, dat ik ”in het 3e en 4e geslacht” zat (een deel uit de bijbel). Ik had op aanraden van die hulpverlener en van de EO contact opgenomen met de vrouw van de voorganger. Die wist alles haarfijn door te vertellen. Dan voel je je zo ongelukkig. Het werd gewoon niet serieus genomen. Die psycholoog leerde me dat ik boos mocht worden. Dat dat zelfs goed was. Ik had er altijd willen zijn voor een ander en goed willen maken, wat anderen kapot hadden gemaakt in mijn leven. Ik heb keihard gewerkt om eruit te komen. Leerde ook wat het is om mezelf te accepteren en te leren, dat ik niets meer moest. Boos worden was heel moeilijk, omdat ik daar zulke vreselijke voorbeelden van had ondervonden gezien de taferelen thuis. Toen de behandelingen van de psycholoog al lang achter de rug waren voelde ik de woede nog door me heen razen. Een keer ben ik ’s nachts mijn bed uitgegaan. Ik was een twinset aan het breien (iets waar ik altijd rustig van werd), ben die nacht gaan breien, tot de ochtend toe. De psycholoog had gezegd, dat die boosheid nog wel een poos kon duren. Een arts zei eens, dat dit zelfs weleens jaren kon gaan duren. Als ik alleen was, liep ik echt wel te foeteren in mezelf. Toen ging Ger in de vut. Het leek me geweldig. Eindelijk eens samen ontspannen. Nu iets meer dan 4 jaar geleden. Maar die boosheid raakte ik niet kwijt. Alles was zo gemeen, zo intens gemeen, wat er was gebeurd. Ik wilde even alleen zijn en het niet laten merken, dat alles nog zo’n rol speelde, niet de hele dag, maar wel regelmatig. Ik hou veel van de vroege morgen, als het nog stil is. Vroeger ging ik een paar keer in de week hardlopen en dat vond ik heerlijk. Dat heb ik weer opgepakt. Na enige tijd is het hardlopen langzamerhand overgegaan in stevig doorwandelen. Iedere ochtend liep ik in een fors tempo, weer of geen weer. Alleen gladheid en windkracht 9 kon me tegenhouden. Iedere morgen, om 5.00 uur mijn bed uit en om even voor zes buiten. Tot ongeveer 7.45 uur. Ruim 10 km. ’s Winters was het nog donker, ’s zomers scheen het zonnetje. Rondjes lopen, in de wetenschap, dat als het niet meer ging, ik in ongeveer 5 minuten thuis was. Ik liep en binnen in me raasde het maar door. Ik was niet boos, ik was niet kwaad, ik was werkelijk donders. Soms huilde ik, maar niemand merkte dat, want het was toch donker. Ik loop nog, al ruim 4 jaar. De boosheid is weg. Al denk ik weleens, hoe heeft het ooit zo ver kunnen komen. Waarom moest ik boeten voor de keuze, die mijn vader maakte. Waarom dat gepest en al die beschuldigingen, waarom……, ach ik zal het nooit te weten komen. Maar ik denk, dat ik niet de enige ben. Mijn vader had een ideaal en dat was dat hij de economie er weer bovenop wilde helpen. “Duitsland, daar ging het goed, dan gaat het samen met Duitsland hier ook goed”, zal zijn gedachten zijn geweest. Mijn moeder was tegen, maar mijn vader dacht dat zij er wel achter zou komen dat het een goede zaak was. Hij heeft zich vergist. Is deze conclusie de oorzaak van zijn vreselijke driftbuien. Nooit zal ik het weten. Toevallig hoorde ik via de radio, dat ik inzage kon krijgen in het dossier van mijn vader bij het Nationaal Archief in Den Haag. Ik ben daar geweest. Ik mocht alles lezen. Er stond ook bij wie mijn vader heeft gearresteerd en wie er bij aanwezig waren. Heel iemand anders dan mij op de mouw is gespeld. Er stond in het proces-verbaal dat mijn vader groepsleider was en daarom ongunstig bij de bevolking bekend stond. In een verklaring stond ook dat hij zich erg opwond over de zwarte handel in de Lier. Hij schreef, dat iemand ’s nachts koeien van een ander had “ontmolken”, en diende een verzoek in om deze op transport te zetten. Verder stond er niets over. Ik huiverde wel, toen ik dit las, maar ik weet hier verder niets over. Er stond niets over vermeld. Ik weet ook niet wat er in het interneringskamp is gebeurd met hem. Bijna 2 jaar geleden was er een interview met Zonneke Matthéé. Dat interview ging over o.a. vrouwen van NSB’ers. Ik wilde dit zien en ik was diep geraakt. Ik was met vakantie, maar schreef alle gegevens op en na de vakantie heb ik gebeld. Ik kreeg een antwoordapparaat en heb ingesproken, dat het me diep getroffen had en dat ik nog wel zou terugbellen. 2 uur later werd ik gebeld (ik had mijn telefoonnummer niet doorgegeven) en ik kreeg een heel vriendelijke dame aan de lijn. Een uur lang hebben we zitten praten. Een uur lang luisterde er iemand, die begrip voor me had en die zei dat ik altijd dat nummer kon bellen. Het nummer van stichting Herkenning. Ik ben lid geworden en heb nog wel eens gebeld. En altijd werd er geluisterd, gewoon geluisterd. Vorig jaar ben ik naar de donateursdag geweest. Voor het eerst. Ik ging met gemengde gevoelens en dacht, dat ik wel de enige zou zijn. Misschien een paar mensen. Het zat goed vol en ik werd ook hartelijk verwelkomt. Ger had me gebracht en zou in de buurt blijven voor als het toch niet zo goed zou gaan. Maar het ging wel goed.
Enkel maanden later heb ik 2 keer een schrijfcursus gedaan en eigenlijk heb ik toen besloten om een deel van mijn leven te beschrijven. Het heeft “even” geduurd, maar nu is het toch gebeurd. Ik ben aan het eind gekomen van dit schrijven, in het verlangen, dat kinderen nooit meer de dupe zullen worden van wat er voor hun bestaan is mis gegaan. Een kind is nooit schuldig.
Een hartelijke groet van Carla van der Kruijt-Iwema.
Op 2 mei 2009 stond een interview met Carla van der Kruijt in de Telegraaf. Klik hier om het artikel te lezen.