Zeelui uit New York

1710 tot 1794

De ‘Nieuwe Wereld’ en vooral New York is in de achttiende eeuw in trek bij emigranten uit Europa. In nauwelijks 100 jaar vertienvoudigt de bevolking van New York tot 49.400. Maar ook keren New Yorkers (terug) naar Europa, soms alleen voor werk, maar regelmatig permanent.

Op de loonlijst van de VOC, de grootste particuliere werkgever van de achttiende eeuw en de eerste multinationial, komen we namelijk ook Amerikanen tegen. De meeste New Yorkers zijn matroos of bosschieter (volmatroos), een enkeling is onderstuurman, opperscheepstimmerman of konstabel – iemand die verantwoordelijk is voor de wapens aan boord van schepen. Een klein aantal is ‘gewoon’ soldaat. Daarnaast bestaan de functies van chirurgijn en een oppermeester. Niet alleen voeren deze mannen op de West, maar regelmatig vertrokken zij naar Azië. Zo reisden zij de hele wereld over. Een aantal van hen heeft een directe band met Nederland. Matroos Pieter Piero bijvoorbeeld. Zijn moeder Lijsbeth Willems haalt jaarlijks op het VOC kantoor in Middelburg een deel van zijn gage op door middel van een zogenaamde maandbrief. Dat doet zij persoonlijk, daarom ligt het voor de hand dat zij in Nederland woont. Hetzelfde geldt voor Maria Deugt, getrouwd met Johannes la Roos uit Nieuwjork. Hij vertrekt in 1718 met de ‘Hogenes’ en is als konstabel verantwoordelijk voor de wapens aan boord. Na terugkeer uit Azië vertrekt hij vaart hij voor de tweede keer uit en overlijdtin 1726 in Padang op Sumatra. Maria Deugt erft zijn gage, ƒ 852. Ook oppermeester Nathanael Belli uit New York is getrouwd met een Nederlandse, Jannetje Regters uit Amsterdam. Vanaf 1710 krijgen zij een aantal kinderen, maar enkelen sterven jong. In 1736 vaart Belli voor de eerste keer uit met de VOC. Om als opperchirurgijn te mogen dienen moet hij een gedegen en langdurige opleiding gevolgd hebben. De VOC stelt namelijk hoge eisen voor deze functie. Oppermeester is bovendien een prima functie om een netwerk op te bouwen voor lucratieve neveninkomsten. Met Belli loopt het echter minder goed af; als hij eind mei 1741 voor de derde keer in Batavia aankomt, wordt hij na enkele maanden wegens ouderdom en onvermogen in het armenhuis geplaatst. Hij ontvangt kost en inwoning, maar geen salaris. In februari 1746 wordt hij begraven, zijn vrouw in Nederland ontvangt dan al lang geen geld meer van hem.